SAMENVATTING
Bestuursrecht
Periode 3 — van bevoegdheid tot rechtsbescherming
Volledige uitwerking van de hoor- en werkcolleges
inclusief AWB-artikelen, kernbegrippen en een uitgewerkt oefententamen
Vak Bestuursrecht
Periode Periode 3 — les 1 t/m week 8
Inhoud Bevoegdheden, besluiten, beginselen, handhaving en
bestuursprocesrecht
Opbouw Per thema geordend, met AWB-verwijzingen en
oefententamen met antwoorden
Pagina 1 van 16
, Samenvatting Bestuursrecht · Periode 3
Inhoudsopgave
1. Algemeen en bijzonder bestuursrecht
2. Beginselen en bevoegdheidsverkrijging
3. De gelaagde staatsstructuur en decentrale organen
4. Normstelling en soorten regelgeving
5. Bestuurshandelingen en het bestuursorgaan
6. De belanghebbende en de OPERA-criteria
7. Het besluit en zijn varianten
8. De beschikking
9. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur
10. Toezicht en handhaving
11. Bestuurlijke sancties
12. De beginselplicht tot handhaving
13. Voorprocedures: bezwaar en administratief beroep
14. Beroep, voorlopige voorziening en competentie
15. Toetsing, uitspraakbevoegdheden en hoger beroep
16. De Nationale ombudsman
17. Uitgewerkt oefententamen
Pagina 2 van 16
, Samenvatting Bestuursrecht · Periode 3
1. Algemeen en bijzonder bestuursrecht
De Raad van State kent twee afdelingen: een adviesafdeling en de Afdeling bestuursrechtspraak, die als
hoogste bestuursrechter functioneert. Een besluit is onherroepelijk zodra ertegen niet meer kan worden
geprocedeerd.
Algemeen bestuursrecht Bijzonder bestuursrecht
Raamwerk voor alle bestuursrechtelijke handelingen Regels per domein (vergunningen, uitkeringen,
belastingen)
Vult aan waar de bijzondere wet zwijgt Werkt de algemene regels uit voor een concreet
terrein
Bron: Algemene wet bestuursrecht (AWB) Bron: specifieke wetten (Participatiewet,
Omgevingswet)
Bijzonder gaat vóór algemeen. Staat in een bijzondere wet iets anders dan in de AWB — bijvoorbeeld
een afwijkende termijn — dan geldt de bijzondere regel. De AWB zelf is bovendien gelaagd
opgebouwd: eerst algemene bepalingen, daarna bepalingen voor bijzondere gevallen.
Coördinatiewetgeving brengt bepalingen die op één terrein van het bestuursrecht verspreid staan bij
elkaar, telkens beperkt tot dat ene gebied.
2. Beginselen en bevoegdheidsverkrijging
Legaliteits- en specialiteitsbeginsel
– Legaliteitsbeginsel — het openbaar bestuur mag alleen optreden wanneer de wet daarin voorziet.
– Specialiteitsbeginsel — het bestuur behartigt uitsluitend de belangen waarop de betrokken regeling
zich richt, en niet ineens de belangen van bijvoorbeeld een andere gemeente.
Drie manieren om een bevoegdheid te verkrijgen
– Attributie — een wet of lagere regeling kent een publiekrechtelijke bevoegdheid rechtstreeks toe
aan een bestuursorgaan. Dit is de oorspronkelijke wijze: een nieuwe bevoegdheid die nog niet eerder
bestond.
– Delegatie — een bestuursorgaan draagt zijn beslissingsbevoegdheid over aan een ander, dat deze
onder eigen verantwoordelijkheid uitoefent. De ontvanger heet de delegataris; opnieuw overdragen
is subdelegatie.
– Mandaat — de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen (art. 10:1
AWB). De mandaatgever blijft volledig verantwoordelijk.
Kernonderscheid delegatie–mandaat. Bij delegatie gaat de verantwoordelijkheid mee over naar de
ontvanger; bij mandaat blijft de oorspronkelijke bestuursorgaan verantwoordelijk en handelt de
mandataris slechts in diens naam.
Bevoegdheid krijgen is een kwestie van staatsrecht; die bevoegdheid vervolgens gebruiken is
bestuursrecht.
Pagina 3 van 16