Bart van den Krommenacker
852639614
Inhoudsopgave:
Leereenheid 0
Leereenheid 1
Leereenheid 2
Leereenheid 3
Leereenheid 4
Leereenheid 5
Leereenheid 6
Leereenheid 7
Leereenheid 8
Leereenheid 9
Jurisprudentielijst
Leereenheid 0 – Voorkennis
1. Basisbegrippen
1.1 Rechtshandeling (art. 3:33 BW)
Definitie (art. 3:33 BW): voor een rechtshandeling is vereist:
o een op rechtsgevolg gerichte wil, én
o een verklaring waardoor die wil zich heeft geopenbaard.
Kernprobleem in het leerstuk: wil ↔ verklaring (vallen die samen, en wat als dat niet zo
is?).
1.2 Meerzijdige en eenzijdige rechtshandelingen
Meerzijdige rechtshandeling: verricht door meer dan één persoon.
o Prototype: overeenkomst (aanbod + aanvaarding, art. 6:217 BW).
Eenzijdige rechtshandeling: verricht door één persoon.
o Eenzijdige gerichte rechtshandeling: moet tot een bepaalde persoon zijn gericht
(ontvangst/gerichtheid relevant).
o Eenzijdige niet-gerichte rechtshandeling: geen instemming/ontvangst door een
ander vereist (bijv. sommige familierechtelijke handelingen; testament).
1.3 Overeenkomst (art. 6:213 BW)
Definitie (art. 6:213 lid 1 BW): een overeenkomst is een meerzijdige rechtshandeling
waarbij één of meer partijen jegens één of meer andere partijen een verbintenis aangaan.
Kenmerk: verbintenisscheppend (obligatoir) karakter.
2. Grondbeginselen contractenrecht
2.1 Contractsvrijheid
Partijen zijn in beginsel vrij:
o met wie zij contracteren,
o met welke inhoud,
o en wanneer.
2.2 Vormvrijheid / consensualisme (art. 3:37 lid 1 BW)
Art. 3:37 lid 1 BW: verklaringen kunnen in iedere vorm geschieden, tenzij anders bepaald.
1
, Verklaring kan ook besloten liggen in gedragingen.
Gevolg: overeenkomsten komen vaak tot stand door consensus, niet door vormvereisten
(tenzij wet/partijen anders).
2.3 Verbindende kracht: “pacta sunt servanda”
Overeenkomst is bindend: partijen moeten nakomen wat zij zijn overeengekomen.
Dit is de normatieve basis onder het contractenrecht.
3. Totstandkoming: wettelijke structuur
3.1 Waar staan de regels?
Boek 3 BW (art. 3:33–3:38): algemene regels voor rechtshandelingen.
Boek 6 BW (art. 6:217–6:225): specifieke regels voor overeenkomsten
(aanbod/aanvaarding).
4. Verklaringen en werking: ontvangsttheorie (art. 3:37 lid 3 BW)
Hoofdregel (art. 3:37 lid 3 BW): een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring heeft
pas werking als zij die persoon heeft bereikt.
Nuance: risicocorrectie (tweede zin): onder omstandigheden kan het risico van niet-
bereiken niet bij de afzender liggen (afhankelijk van oorzaak/risicosfeer).
5. Wil en vertrouwen: wilsvertrouwensleer (art. 3:33 en 3:35 BW)
5.1 Art. 3:35 BW (gerechtvaardigd vertrouwen)
Als de wederpartij gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat de verklaring welgemeend
was, dan kan de handelende persoon zich niet beroepen op een afwijkende interne wil.
Schijn gaat voor werkelijkheid, mits vertrouwen gerechtvaardigd.
5.2 Wilsvertrouwensleer
Het stelsel van art. 3:33 (wil + verklaring) en art. 3:35 (bescherming vertrouwen) heet de
wilsvertrouwensleer:
o uitgangspunt: wil + verklaring,
o correctie: bescherming van gerechtvaardigd vertrouwen.
5.3 Goede trouw en onderzoeksplicht (art. 3:11 BW)
“Gerechtvaardigd vertrouwen” sluit aan bij goede trouw (art. 3:11 BW):
o wederpartij kende het wilsdefect niet,
o en behoefde het ook niet te kennen (onderzoeksplicht/omstandigheden).
6. Uiteenlopen van wil en verklaring: specifieke situaties
6.1 Oneigenlijke dwaling (misverstand over verklaringen)
Partijen hebben een onjuiste voorstelling omtrent de inhoud van uitgewisselde
verklaringen (niet per se “dwaling” in art. 6:228).
Typische gevallen:
o verspreking/verschrijving,
o fout door bode/communicatiemiddel,
o dubbelzinnig woordgebruik (misverstand),
o verklaring gericht aan verkeerde persoon (afdwaling).
2
,6.2 Geestelijke stoornis (art. 3:34 BW)
Art. 3:34 BW: verklaring afgelegd onder invloed van een geestelijke stoornis →
bijzondere variant van wil/verklaring-problematiek.
Gevolgen (art. 3:34 lid 2 BW):
Eenzijdige niet-gerichte rechtshandeling: nietig.
Overige gevallen (meerzijdig en eenzijdig gericht): vernietigbaar.
6.3 Verhouding tot curatele (Boek 1 BW)
Geestelijke stoornis kan grond zijn voor ondercuratelestelling (art. 1:378 lid 1 BW).
Curatele leidt tot handelingsonbekwaamheid (art. 1:381 lid 1 BW).
7. Tijdsbepaling en voorwaarde (art. 3:38 BW)
Rechtshandelingen kunnen worden verricht:
o onder tijdsbepaling, of
o onder voorwaarde.
Geen terugwerkende kracht:
o bij voorwaarde expliciet: art. 3:38 lid 2 BW (gevolgen treden in zonder
terugwerkende kracht).
8. Derdenbescherming: schijnhandeling (art. 3:36 BW)
8.4 Art. 3:86 BW — Derdenbescherming roerende zaken
Vereisten (lid 1):
a. verkrijging te goeder trouw (art. 3:11 BW),
b. krachtens een geldige titel,
c. van een roerende niet-registerzaak, toonder- of orderpapier,
d. door een beschikkingsonbevoegde vervreemder.
Rechtsgevolg: volledige eigendomsverkrijging (erga omnes) — doorbreking van het nemo-plus-
beginsel.
Uitzondering (lid 3): bij diefstal heeft de particuliere eigenaar gedurende 3 jaar een recht van
terugvordering.
8.5 Art. 3:88 BW — Derdenbescherming registergoederen en vorderingen op naam
Vereisten:
a. verkrijging te goeder trouw,
b. krachtens een geldige titel,
c. van een registergoed of vordering op naam,
d. waarbij de onbevoegdheid voortvloeit uit een gebrek in de eigen titel van de
vervreemder dat niet uit de openbare registers bleek.
Rechtsgevolg: eigendomsverkrijging, maar bescherming smaller dan art. 3:86 BW — kenbare
beschikkingsbeperkingen (Kadaster) bieden geen bescherming.
3
, 8.6 Verhouding art. 3:36 — 3:86 — 3:88 BW
3:36 BW 3:86 BW 3:88 BW
alle registergoederen / vorderingen
Object roerende zaken
rechtshandelingen op naam
Toedoen vereist? ja nee nee
relatief (jegens absoluut
Rechtsgevolg absoluut (eigendom)
derde) (eigendom)
Beschermingsbreedte algemeen ruim beperkt (registercontrole)
9. Overeenkomst: aanbod en aanvaarding (art. 6:217–6:225 BW)
9.1 Aanbod + aanvaarding (art. 6:217 BW)
Voor een overeenkomst zijn ten minste twee aansluitende wilsverklaringen nodig:
o aanbod en
o aanvaarding.
9.2 Aanvullend recht (art. 6:217 lid 2 BW)
De meeste regels rond aanbod/aanvaarding zijn aanvullend:
o uit aanbod, andere rechtshandeling of gewoonte kan anders voortvloeien (art.
6:217 lid 2 BW).
9.3 Uitnodiging om in onderhandeling te treden
Niet elk “voorstel” is een aanbod:
o vaak is het slechts een uitnodiging tot onderhandelen of uitnodiging tot het doen
van een aanbod.
9.4 Optie (art. 6:219 lid 3 BW)
Optiebeding: verplichting om desgewenst met de ander een bepaalde overeenkomst te
sluiten.
Wordt uitgelegd als onherroepelijk aanbod (art. 6:219 lid 3 BW).
9.5 Aanvaarding: eisen (kern)
Aanvaarding is het “ja” op een aanbod en moet:
a. in beginsel vormvrij kunnen (art. 3:37 lid 1 BW),
b. zijn gericht tot de aanbieder,
c. inhoudelijk overeenstemmen met het aanbod (anders: nieuw aanbod),
d. betrekking hebben op een nog geldig aanbod (niet vervallen door tijdsverloop e.d.).
10. Nietigheid en vernietigbaarheid: handelings(on)bekwaamheid/onbevoegdheid
10.1 Handelingsbekwaamheid (art. 3:32 BW)
Hoofdregel: iedere natuurlijke persoon is bekwaam rechtshandelingen te verrichten (art.
3:32 lid 1 BW).
Uitzonderingen: minderjarigen en onder curatele gestelden.
10.2 Gevolgen handelingsonbekwaamheid (art. 3:32 lid 2 BW)
Meerzijdige rechtshandeling / eenzijdige gerichte rechtshandeling: meestal vernietigbaar
(art. 3:32 lid 2, eerste zin).
Eenzijdige niet-gerichte rechtshandeling: nietig (art. 3:32 lid 2, tweede zin).
4