Nederlandse Taalkunde: Grammatica en Spelling
Woordsoorten, zinsdelen & werkwoordspelling
Dit document is een origineel geschreven samenvatting bedoeld als ondersteunend studiemateriaal bij het vak
Nederlandse Taalkunde / Spelling en Grammatica (HBO, jaar 1). De inhoud behandelt de officiële Nederlandse
spellingregels en grammaticale basisbegrippen en is niet gebaseerd op één specifiek verplicht studieboek.
Inhoudsopgave
1. De acht woordsoorten
2. Zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden
3. Werkwoorden: persoonsvorm en tijd
4. Zinsdelen: onderwerp en persoonsvorm
5. Lijdend en meewerkend voorwerp
6. Werkwoordspelling: de tegenwoordige tijd
7. Werkwoordspelling: het voltooid deelwoord
8. De tussen-n regel
9. Hoofdletters en leestekens
10. Actief en passief
11. Begrippenlijst
12. Oefenvragen met antwoorden
, 1. De acht woordsoorten
Het Nederlands kent traditioneel acht woordsoorten, elk met een eigen functie binnen de zin.
Woordsoort Voorbeeld
Zelfstandig naamwoord huis, vriendschap, Amsterdam
Werkwoord lopen, is, heeft gedaan
Bijvoeglijk naamwoord mooi, groot, interessant
Lidwoord de, het, een
Voornaamwoord ik, dit, zichzelf
Voorzetsel in, op, met, door
Voegwoord en, maar, omdat
Bijwoord snel, gisteren, erg