Hoe herken je het openbaar bestuur?
3 kenmerken:
1. Juridische grondslag
- De organisatie gebaseerd op publiekrecht, denk aan gemeente
➔ Die heeft een gemeentewet als basis
- Of is het juist privaatrecht? Een stichting, een vereniging, een BV met publiekrecht. (dit
wijst vaak al richting een openbaar bestuur)
2. De financiering
- Waar komt het geld vandaan? Wordt de organisatie betaald uit algemene middelen:
belastingen, premies, subsidies van de overheid
- Of moet de organisatie hun eigen broek ophouden met contributies, giften of diensten
verkopen. Als het geld uit de publieke kas komt is het ook een sterk signaal.
3. De doelstelling
- Waar richt de organisatie zich op?
➔ Primair: het algemeen belang zoals onderwijs, zorg, veiligheid of infrastructuur
➔ Een specifiek deelbelang: de belangen van leden bijv. zoals een vakbond of een
sportclub of de aandeelhouders bij een commercieel bedrijf.
Publieke organisaties richten zich op het algemeen belang en dat staat vaak in wetten. Maar
wat dat belang dan precies is, daar is voortdurend discussie over.
Politiek maatschappelijk, denk bijv. aan het klimaatbeleid of de opvang van asielzoekers of hoe
we zorg inrichten wat wij als samenleving algemeen belang vinden. Dat verandert, het is
dynamisch dus als journalist moet je een beetje alert zijn.
Maatschappelijk middenveld
- Dit zit tussen de overheid en de markt in. Het zijn organisaties die dus niet direct
onderdeel zijn van de overheid.
- Geen ministerie, geen gemeente.
- Ze hebben vaak een winstoogmerk, zoals commerciële bedrijven, maar ze doen wel
publieke taken of behartigen maatschappelijke belangen.
➔ Bijv. woningcorporaties, ziekenhuizen, universiteiten, scholen voor bijzonder
onderwijs, clubs voor natuur monumenten, het Rode Kruis, vakbonden, sportkoepel
NOCNSF.
➔ Ze zijn juridisch privaat, maar ze werken vaak met publiek geld en hebben een
enorm maatschappelijk impact en proberen hiermee vaak het overheidsbeleid te
beïnvloeden.
1
, Rechtsstaat
- Legaliteitsbeginsel: de overheid mag alleen handelen als daar een wettelijke basis voor
is.
- De belangrijkste kenmerken:
1. Overheidshandelen moet op de wet gebaseerd zijn
2. Er is een scheiding der machten – Trias Politica
3. Er zijn geen vrije en geheime verkiezingen
4. Burgers hebben fundamentele grondrechten: vrijheid van meningsuiting, godsdienst,
privacy bescherming tegen discriminatie. Die beschermen jou tegen de staat.
5. Er is een onafhankelijke rechter. Daar kan je naar toe gaan als je een geschil hebt, ook
met de overheid.
6. Onafhankelijke media, persvrijheid de waakhond functie.
- Trias Politica – filosoof Montesquieu
1. De wetgevende macht: die maakt algemene regels in Nederland zijn dat de regering en
het Parlement samen.
2. De uitvoerende macht: die voert die wetten uit in concrete gevallen. In Nederland de
regering, ministers en hun ambtenaren.
3. De rechtsprekende macht: die oordeelt onafhankelijk over ruzies en over hoe wetten
worden toegepast.
- Check en balances: deze drie gescheiden machten controleren elkaar onafhankelijk. Dit in
bescherming voor de burgers.
- De machten zijn gescheiden, maar werken ook vaak nauw samen. Zoals de regering, de
uitvoerende macht, die speelt een erg grote rol bij het maken van wetten samen met het
Parlement, de wetgevende macht. En het Parlement controleert dan weer de regering,
dus de machten zijn wel gescheiden, maar ze werken ook nauw samen en controleren
elkaar.
Scheiding van Kerk en Staat
- De religieuze instellingen zijn onafhankelijk van elkaar.
- De overheid bemoeit zich niet met de interne organisatie van kerken of moskeeën en
andersom hebben ze geen directe zeggenschap over de staat.
- De overheid moet wel neutraal zijn, alle godsdiensten en levensovertuigingen moeten
gelijk behandeld worden en de vrijheid van godsdienst is een grondrecht
Parlementair stelsel
- Parlement = 1e en 2e kamer (Staten Generaal)
➔ Keurt nieuwe wetten goed of af
- Regering= koning en alle ministers
- Kabinet= ministers en staatssecretarissen – de koning
➔ Bedenkt nieuwe wetten
- Staatssecretarissen= onder minister bijv. ministerie Financiën -> belastingdienst
➔ Staatssecretarissen heeft geen stemrecht, de minister heeft wel stemrecht.
2
, - De kern van ons parlementair stelsel zit hem in de relatie tussen de regering, de
ministers en het parlement. -> voornamelijk de Tweede Kamer.
- Het parlement wordt direct door ons gekozen en is het hoogste orgaan.
- De regering moet zich verantwoorden aan het parlement.
Twee belangrijke pijlers:
- De ministeriële verantwoordelijkheid: ministers zijn politiek verantwoordelijk voor wat
ze zelf doen voor wat de koning doet en voor wat hun ambtenaren doen. Ze moeten daar
uitleg over geven in het parlement.
- Vertrouwensregel: die staat niet letterlijk in de wet. Het is een ongeschreven wet. Het
betekent dat een minister of staatssecretaris of zelfs het hele kabinet moet opstappen
als blijkt zat ze niet meer het vertrouwen hebben van een meerderheid van de Tweede
Kamer.
- Voorbeeld: Als er bijvoorbeeld een kritisch rapport uitkomt of een minister maakt een
fout, dan kan de Kamer zeggen, Wij hebben er geen vertrouwen meer in. Vaak via een
motie van wantrouwen en dan is aftreden meestal de enige uitkomst.
Alternatief voor het parlementair stelsel:
- Presidentieel stelsel: zoals in de VS. Daar kiezen de mensen direct een president die
zowel het staatshoofd als regeringsleider is. Diegene heeft een eigen machtsbasis en
staat los van het parlement en het congres daar. Ministers zijn daar dan ook vooral trouw
verschuldigd aan de president.
- Ons kiesstelsel: evenredige vertegenwoordiging, zonder kiesdrempel.
- Dit stelsel hebben wel als sinds 1917
- Het idee hierachter is dat de zetelverdeling in de Tweede Kamer zo precies mogelijk moet
laten zien hoe het volk heeft gestemd. Elke stem telt in principe even zwaar mee.
- Kiesdrempel: hebben we in Nederland niet, maar wel in Duitsland en België. Een partij
moet dan een minimumpercentage stemmen halen om zetels te krijgen.
➔ Dat maakt het in Nederland voor nieuwe en kleine partijen relatief makkelijk om in de
kamer te komen.
- Een groot voordeel aan geen kiesdrempel hebben is, representativiteit. Verschillende
stemmen worden gehoord.
- Fragmentatie: omdat ook kleinere partijen zetels kunnen halen, krijg je vaak een Tweede
Kamer met heel veel verschillende fracties. Het politiek landschap is versnipperd en dat
maakt het lastig. Dat kan het vormen van een regering, en een stabiele coalitie behoorlijk
ingewikkeld maken.
➔ Je hebt vaak veel partijen nodig voor de meerderheid en dat kan zorgen voor lange
formaties en ingewikkelde compromissen. -> Ook wel bestuurlijke drukte.
- Wij hebben geen constutioneel hof die wetten mag toetsen aan de grondwet. Wij hebben
een toetsingverbod. Artikel 120 van de Grondwet.
➔ De rechter mag de wetten die door regering en Parlement samen zijn gemaakt niet
toetsen aan de Grondwet. De gedachte daarachter is dat de wetgever zelf moet
waken over de Grondwet. Niet de rechter, daar is nooit discussie over.
3