H1D1: Hoofdstuk 1: Consumenten ................................................................................................ 2
1. Consumenten – klassieke en moderne visie ................................................................................... 2
1.1 Klassieke visie op de consument .............................................................................................. 2
1.2 Moderne visie: “It’s all in the mindset” ...................................................................................... 2
2. De R-ladder en de rol van de consument ........................................................................................ 2
2.1 De klant is koning ..................................................................................................................... 2
2.2 De R-ladder ............................................................................................................................. 2
3. Evenwicht van de consument: optimale goederencombinatie ......................................................... 3
4. Preferenties (voorkeuren) van de consument ................................................................................. 4
4.1 Wat zijn preferenties? .............................................................................................................. 4
4.2 Invloed van anderen: bandwagoneffect en snobeffect ............................................................... 4
5. Eerste wet van Gossen: dalend grensnut........................................................................................ 4
5.1 Begrip “nut” en “grensnut” ....................................................................................................... 4
5.2 Formulering van de eerste wet van Gossen................................................................................ 4
5.3 Tweede wet van Gossen (kort) .................................................................................................. 4
6. Budget, prijzen en budgetlijn ......................................................................................................... 5
6.1 Wat is een budgetlijn? .............................................................................................................. 5
6.2 Gevolgen van inkomensverandering.......................................................................................... 5
7. Toets Jezelf (T1.1.1) – wat moet je ermee? ...................................................................................... 5
H1D2. de vraagcurve..................................................................................................................... 6
1. De prijsvraagcurve (blz. 19) ........................................................................................................... 6
2. Individuele vraagcurve (blz. 19–20) ................................................................................................ 6
3. Ceteris paribus (blz. 8 en 19) ......................................................................................................... 6
4. Beweging op de vraagcurve vs. verschuiving van de vraagcurve ....................................................... 6
4.1 Beweging op de vraagcurve (fig. 1.5).......................................................................................... 6
4.2 Verschuiving van de vraagcurve (fig. 1.6, 1.7…) .......................................................................... 7
5. Collectieve vraagcurve (blz. 25–26)................................................................................................ 8
5.1 Definitie................................................................................................................................... 8
5.2 Sociale effecten ....................................................................................................................... 8
5.3 Stijging of daling van de marktvraag (blz. 26) .............................................................................. 8
6. Oefening collectieve vraagcurve en “knik” (blz. 25, figuur 1.10) ....................................................... 8
7. Voorbeelden met energie en kleding (eigen opdrachten) ................................................................. 8
7.1 Vraagcurve voor energie ........................................................................................................... 8
7.2 Vraagcurve voor kleding (duurzaamheid) ................................................................................... 9
8. Moderne economie en duurzaamheid............................................................................................ 9
h1D3A: de elasticiteit van de vraag1. Basis: procentuele wijziging en notatie .................................. 9
1.1 Procentuele wijziging (zie leerpad “werken met percentages”) ................................................... 9
2. Prijselasticiteit van de vraag: definitie en formule ..........................................................................10
1
, 2.1 Betekenis .............................................................................................................................. 10
2.2 Formule ................................................................................................................................. 10
3. Negatief teken en absolute waarde |EV| ........................................................................................10
4. Interpretatie van EV .....................................................................................................................11
4.1 |EV| = 1 → unitair prijselastische vraag ..................................................................................... 11
4.2 |EV| > 1 → prijselastische vraag ................................................................................................ 11
4.3 |EV| < 1 → prijsinelastische vraag ............................................................................................. 11
5. Twee extreme (theoretische) situaties – blz. 31 ..............................................................................12
5.1 Volkomen inelastische vraag .................................................................................................. 12
5.2 Volkomen elastische vraag ..................................................................................................... 12
6. Voorbeeldopdrachten (uit de slides) .............................................................................................12
6.1 Lineaire vraagfunctie: q = −2/5 p + 15 ...................................................................................... 12
6.2 Kappervoorbeeld (Toets jezelf blz. 32) ..................................................................................... 12
7. Praktische tips ............................................................................................................................13
H1D3B:elasticiteit van de vraag .................................................................................................... 13
H1D1: HOOFDSTUK 1: CONSUMENTEN
1. CONSUMENTEN – KLASSIEKE EN MODERNE VISIE
1 .1 K LA S S IE K E V IS IE O P D E C O N S U M E N T
• Uitgangspunt: hoe meer we kunnen kopen, hoe hoger onze behoeftenbevrediging.
• De consument wil vooral zoveel mogelijk goederen en diensten consumeren.
• Consument = consumeren: welvaart wordt gelijkgesteld met veel kopen.
1 .2 M O D E R N E V IS IE : “IT’S A LL IN TH E M IN D S E T”
• Er komt meer aandacht voor duurzaam en bewust consumeren.
• Niet alleen “meer kopen” telt, maar ook:
o impact op milieu en maatschappij
o kwaliteit in plaats van kwantiteit
o consuminderen: minder, maar beter en bewuster.
Kort: we verschuiven van consumeren naar consuminderen. De manier waarop je denkt (mindset) is cruciaal.
2. DE R-LADDER EN DE ROL VAN DE CONSUMENT
2 .1 D E K LA N T IS K O N IN G
• Met ons koopgedrag hebben we veel invloed.
• Bedrijven reageren op wat wij kopen of weigeren.
• De consument kan dus mee sturen richting meer duurzaamheid.
2 .2 D E R -LA D D E R
2
,De R-ladder is een soort checklist om afval en verspilling te verminderen.
Je ziet vaak tien Engelse woorden die met een R beginnen. Voorbeelden (niet-limitatief, exacte volgorde kan
verschillen):
• Refuse: weiger wat je niet nodig hebt.
• Reduce: koop en gebruik minder.
• Rethink: denk na over andere, slimmere oplossingen (delen, huren, deelauto’s, …).
• Re-use: gebruik producten opnieuw, of koop tweedehands / kringloop.
• Repair: herstel wat stuk is in plaats van direct nieuw te kopen.
• Refurbish/Remanufacture: opfrissen, opknappen, onderdelen vernieuwen.
• Recycle: materialen opnieuw verwerken.
• Recover: als laatste redmiddel energie of grondstoffen terugwinnen uit afval.
Belangrijk: hoe hoger op de R-ladder, hoe beter voor het milieu.
Bovenaan staat dus: misschien gewoon niets kopen.
Voorbeeld:
We dragen veel fast fashion (goedkope kleren van polyester, dus eigenlijk gesponnen aardolie). Als we dat snel
weggooien, zorgen we voor veel afval en slechte arbeidsomstandigheden. De R-ladder helpt om ons koopgedrag in te
tomen.
3. EVENWICHT VAN DE CONSUMENT: OPTIMALE GOEDERENCOMBINATIE
Dit hoort bij hoofdstuk 1 handboek (blz. 14).
De consument kiest een goederencombinatie die zijn nut (tevredenheid) maximaal maakt, gegeven:
• zijn preferenties (voorkeuren)
• de prijzen van de goederen
• zijn budget
Die optimale combinatie noemt men ook het evenwicht van de consument.
3
, 4. PREFERENTIES (VOORKEUREN) VAN DE CONSUMENT
4 .1 W A T ZIJN P R E F E R E N TIE S ?
• Preferenties zijn de voorkeuren van de consument: welke goederen of diensten hij verkiest en in welke
verhouding.
• Voorbeelden:
o iemand geeft de voorkeur aan bio-voeding boven gewone voeding
o iemand geeft meer geld uit aan uitgaan dan aan kleren
o iemand drinkt liever cola dan fruitsap.
4 .2 IN V LO E D V A N A N D E R E N : B A N D W A G O N E F F E C T E N S N O B E F F E C T
Individuele voorkeuren worden vaak beïnvloed door de groep:
• Bandwagoneffect: je wil iets omdat anderen het ook hebben.
o Voorbeeld: iedereen loopt met een bepaalde sneaker of smartphone, en jij wil er ook één “om erbij
te horen”.
• Snobeffect: je wil iets juist omdat anderen het niet hebben.
o Voorbeeld: je kiest een zeer exclusief merk of een zeldzaam model om je te onderscheiden.
Conclusie: onze voorkeuren zijn niet altijd “puur individueel”, ze worden sterk beïnvloed door sociale druk en mode.
5. EERSTE WET VAN GOSSEN: DALEND GRENSNUT
5 .1 B E G R IP “N U T” E N “G R E N S N U T”
• Nut = de tevredenheid of het genot dat je haalt uit het consumeren van een goed.
• Grensnut (marginaal nut) = het extra nut van de laatste, bijkomende eenheid van een goed.
Voorbeeld met ijsjes:
• 1e ijsje: heel lekker → hoog grensnut.
• 2e ijsje: nog steeds lekker, maar iets minder bijzonder → grensnut daalt.
• 3e ijsje: nog leuk, maar je zit al vol → grensnut nog positief maar klein.
• 8e ijsje: je wordt misselijk → grensnut wordt negatief.
5 .2 F O R M U LE R IN G V A N D E E E R S TE W E T V A N G O S S E N
• Stelt dat het nut van een goed daalt naarmate je er meer van consumeert.
• Of anders gezegd: het grensnut van opeenvolgende eenheden van hetzelfde goed neemt af.
Dit verklaart waarom we niet eindeloos blijven eten/drinken van hetzelfde en waarom we bereid zijn voor
bijkomende eenheden minder te betalen.
5 .3 TW E E D E W E T V A N G O S S E N (K O R T)
Je moet de wiskundige bewijsvoering niet kennen, maar de idee is:
• De consument maximaliseert zijn totale nut als het grensnut per euro voor alle goederen gelijk is.
• In symbolen: laatste euro besteed aan goed A moet evenveel extra nut geven als de laatste euro aan goed B.
• Als dat niet zo is, kan hij door wat budget te verschuiven naar het goed met hoger grensnut/zijn nut
verhogen.
4