2020 – Inleiding Straf- en Strafprocesrecht – Week 4
2020 – Inleiding Straf- en Strafprocesrecht – Week 4
Onderwerpen:
- Opzet
- Culpa
Data colleges:
Zie Osiris voor nadere informatie omtrent de data en tijdstippen van het online
werkcollege. Je kunt het werkcollege volgen via Canvas > Conferences door de link
aan te klikken. De online bijeenkomst wordt een kwartier voor aanvang opengezet
zodat je op tijd kunt inloggen.
Studieadvies:
1. Bestudeer de onderstaande verplichte literatuur en jurisprudentie;
2. Bekijk de opnames van het hoorcollege behorend bij week 4 (zie Canvas >
Modules > Week 4) en betrek daarbij de slides die ook op Canvas te vinden zijn;
3. Bereid de opdrachten uit deze syllabus voor (inclusief de zelfstudie-opdrachten);
4. Neem actief deel aan het online werkcollege;
5. Maak een goede samenvatting ter voorbereiding van het tentamen.
Verplichte literatuur:
- Kelk/De Jong, Studieboek materieel strafrecht:
HS 6 par. 6.1 t/m 6.4.6 en 6.5 t/m 6.6
Verplichte jurisprudentie: (o.a. te vinden via Kluwer Navigator)
1. Bijlmer doodslag, HR 8 juni 1971, NJ 1972, 90
2. Spookrijder, HR 5 december 2006, NJ 2006, 663
3. Verpleegster, HR 19 februari 1963, NJ 1963, 512
4. Porsche, HR 15 oktober 1996, NJ 1997, 199
1
, 2020 – Inleiding Straf- en Strafprocesrecht – Week 4
Leerdoelen
Na bestudering van de literatuur en de jurisprudentie en na actieve deelname aan de
colleges:
- kennen studenten de feitelijke alsmede de wettelijke opzetvormen;
- kunnen studenten het onderscheid tussen feitelijke en wettelijke opzetvormen
uitleggen en duiden;
- zijn studenten in staat om de definitie en (summiere) inhoud van voorwaardelijk
opzet weer te geven aan de hand van jurisprudentie;
- kunnen studenten beredeneren en beargumenteren welke feitelijke opzetvorm in
een casus te onderscheiden valt;
- kunnen studenten de wettelijke en feitelijke opzetvormen analyseren en relateren
aan de hand van een casus;
- weten de studenten de diverse vormen waarop de term schuld gebruikt wordt
binnen het strafrecht te benoemen;
- kunnen studenten bepalen welke vorm van schuld bedoeld wordt in een casus, dan
wel een andere context;
- kunnen studenten de definitie en (summiere) inhoud van culpa weergeven, mede
aan de hand van jurisprudentie;
- zijn studenten in staat het verschil tussen opzet en culpa te beredeneren en te
beargumenteren, eventueel aan de hand van een casus;
- kunnen studenten een analyse omtrent opzet dan wel culpa en de
formeelrechtelijke gevolgen daarvan in een casus maken.
2
2020 – Inleiding Straf- en Strafprocesrecht – Week 4
Onderwerpen:
- Opzet
- Culpa
Data colleges:
Zie Osiris voor nadere informatie omtrent de data en tijdstippen van het online
werkcollege. Je kunt het werkcollege volgen via Canvas > Conferences door de link
aan te klikken. De online bijeenkomst wordt een kwartier voor aanvang opengezet
zodat je op tijd kunt inloggen.
Studieadvies:
1. Bestudeer de onderstaande verplichte literatuur en jurisprudentie;
2. Bekijk de opnames van het hoorcollege behorend bij week 4 (zie Canvas >
Modules > Week 4) en betrek daarbij de slides die ook op Canvas te vinden zijn;
3. Bereid de opdrachten uit deze syllabus voor (inclusief de zelfstudie-opdrachten);
4. Neem actief deel aan het online werkcollege;
5. Maak een goede samenvatting ter voorbereiding van het tentamen.
Verplichte literatuur:
- Kelk/De Jong, Studieboek materieel strafrecht:
HS 6 par. 6.1 t/m 6.4.6 en 6.5 t/m 6.6
Verplichte jurisprudentie: (o.a. te vinden via Kluwer Navigator)
1. Bijlmer doodslag, HR 8 juni 1971, NJ 1972, 90
2. Spookrijder, HR 5 december 2006, NJ 2006, 663
3. Verpleegster, HR 19 februari 1963, NJ 1963, 512
4. Porsche, HR 15 oktober 1996, NJ 1997, 199
1
, 2020 – Inleiding Straf- en Strafprocesrecht – Week 4
Leerdoelen
Na bestudering van de literatuur en de jurisprudentie en na actieve deelname aan de
colleges:
- kennen studenten de feitelijke alsmede de wettelijke opzetvormen;
- kunnen studenten het onderscheid tussen feitelijke en wettelijke opzetvormen
uitleggen en duiden;
- zijn studenten in staat om de definitie en (summiere) inhoud van voorwaardelijk
opzet weer te geven aan de hand van jurisprudentie;
- kunnen studenten beredeneren en beargumenteren welke feitelijke opzetvorm in
een casus te onderscheiden valt;
- kunnen studenten de wettelijke en feitelijke opzetvormen analyseren en relateren
aan de hand van een casus;
- weten de studenten de diverse vormen waarop de term schuld gebruikt wordt
binnen het strafrecht te benoemen;
- kunnen studenten bepalen welke vorm van schuld bedoeld wordt in een casus, dan
wel een andere context;
- kunnen studenten de definitie en (summiere) inhoud van culpa weergeven, mede
aan de hand van jurisprudentie;
- zijn studenten in staat het verschil tussen opzet en culpa te beredeneren en te
beargumenteren, eventueel aan de hand van een casus;
- kunnen studenten een analyse omtrent opzet dan wel culpa en de
formeelrechtelijke gevolgen daarvan in een casus maken.
2