,
,1. Opbouw van de SUMMA Kennistoets 2027
De SUMMA Kennistoets Fysiologie & Farmacologie toetst of je beschikt over de noodzakelijke
basiskennis en het inzicht om succesvol te starten met de opleiding. De toets bestaat uit verschillende
vraagvormen die zowel feitelijke kennis als klinisch inzicht beoordelen.
Je kunt onder andere de volgende vraagtypen verwachten:
Meerkeuzevragen
Open vragen
Invulvragen
Waar/Niet waar-vragen
Casusvragen
Tijdens de toets wordt niet alleen gekeken of je definities en feiten kent, maar ook of je fysiologische
processen begrijpt, farmacologische kennis kunt toepassen en logisch kunt redeneren binnen klinische
situaties. De vragen variëren van gemiddeld tot uitdagend niveau.
Belangrijke onderwerpen zijn onder andere:
Cel- en weefselfysiologie
Zenuwstelsel
Hormoonstelsel
Hart- en vaatstelsel
Ademhalingsstelsel
Nieren en vochtbalans
Spijsvertering
Bewegingsapparaat
Homeostase
Algemene farmacologie
Geneesmiddelengroepen
Werkingsmechanismen
Bijwerkingen
Contra-indicaties
Doseringsberekeningen
Klinisch redeneren
Een goede voorbereiding bestaat uit het combineren van theoretische kennis met veel oefenvragen.
,2. Studieadvies
Begin ruim vóór de toetsdatum met studeren en verdeel de leerstof over meerdere weken. Dagelijks
kort studeren levert doorgaans meer op dan lange studiesessies vlak voor het examen.
Werk systematisch:
Leer eerst de normale fysiologie.
Begrijp vervolgens hoe geneesmiddelen op deze processen ingrijpen.
Bestudeer begrippen actief in plaats van ze alleen te lezen.
Maak na ieder onderwerp oefenvragen.
Analyseer fout beantwoorde vragen zorgvuldig.
Herhaal moeilijke onderwerpen meerdere keren.
Oefen regelmatig met casusvragen en klinisch redeneren.
Besteed extra aandacht aan normaalwaarden en doseringsberekeningen.
Maak vlak voor de toets een volledige oefentoets onder examenomstandigheden.
Een combinatie van herhalen, toepassen en uitleggen aan jezelf of iemand anders zorgt voor een beter
langetermijngeheugen dan alleen lezen.
3. Examentips
Lees iedere vraag volledig voordat je antwoord geeft.
Let goed op woorden als altijd, nooit, meest waarschijnlijk en eerste keuze.
Beantwoord eerst de vragen waarvan je het antwoord direct weet.
Blijf niet te lang hangen bij moeilijke vragen.
Gebruik logisch redeneren wanneer je twijfelt.
Lees casussen zorgvuldig en haal de relevante informatie eruit.
Controleer eenheden en berekeningen bij doseringsvragen.
Let op verschillen tussen fysiologische processen en farmacologische effecten.
Controleer aan het einde of je alle vragen hebt ingevuld.
Neem voldoende rust voorafgaand aan de toets en zorg voor een goede nachtrust.
Een goede voorbereiding bestaat niet alleen uit het leren van theorie, maar vooral uit veel oefenen met
representatieve examenvragen. Door regelmatig complete oefentoetsen te maken, raak je vertrouwd
met de vraagstelling, verbeter je je tempo en vergroot je je kans op een succesvol resultaat tijdens de
SUMMA Kennistoets 2027.
, Hoofdstuk 1 – Cellen en Weefsels
Open vragen
Vraag 1
Beschrijf de belangrijkste verschillen tussen prokaryote en eukaryote cellen. Noem minimaal drie
kenmerken.
Vraag 2
Leg uit hoe de structuur van het celmembraan bijdraagt aan de selectieve doorlaatbaarheid van de cel.
Vraag 3
Beschrijf de functies van de volgende organellen:
celkern
ribosomen
mitochondriën
lysosomen
Vraag 4
Leg uit wat het verschil is tussen epitheelweefsel, spierweefsel, bindweefsel en zenuwweefsel. Geef
van ieder weefsel één belangrijke functie.
Vraag 5
Een spiercel heeft aanzienlijk meer mitochondriën dan een vetcel. Leg uit waarom dit fysiologisch
logisch is.
Hoofdstuk 2 – Homeostase
Vraag 6
Leg uit wat onder homeostase wordt verstaan en waarom dit essentieel is voor het functioneren van
het menselijk lichaam.
Vraag 7
Beschrijf hoe negatieve terugkoppeling werkt aan de hand van de regeling van de
lichaamstemperatuur.
Vraag 8
Leg uit hoe het lichaam reageert wanneer de bloeddruk plotseling daalt door fors bloedverlies.
Vraag 9
Beschrijf de rol van de nieren bij het handhaven van de water- en zoutbalans.
Vraag 10
Tijdens intensief sporten stijgt de lichaamstemperatuur. Beschrijf minimaal vier fysiologische
mechanismen waarmee het lichaam probeert de temperatuur te normaliseren.