Hoofdstuk 8
Paragraaf 2 Een nieuwe samenleving
- Discussies over de ‘sociale kwestie’
- De opkomst van emancipatiebewegingen
- De opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme,
confessionalisme en feminisme
Werkomstandigheden:
- Lage lonen
- Lange werktijden
- Onveilige en ongezonde werkomgeving
Woon- en leefomstandigheden:
- Huisvesting: De (nieuwe) industriesteden konden de snelle urbanisatie nauwelijks aan
Ontstaan van krottenwijken met onhygiënische leefomstandigheden.
- Voedselvoorziening: Gebrek aan voedsel dat bovendien vaak van slechte kwaliteit was
gezondheidsproblemen als gevolg.
Hogere burgerij (o.a. artsen en schrijvers) trokken zich het lot van de armen aan sociale kwestie
kwam op de politieke agenda.
Tot eind 19e eeuw was er geen politieke bemoeienis met de sociale kwestie, het liberalisme was de
belangrijkste politieke stroming
- Arbeiders hadden geen stemrecht en werden dus niet vertegenwoordigd in het parlement.
- Vakbonden waarin arbeiders zich konden verenigen om op te komen voor hun belangen
werden aanvankelijk verboden, omdat ze in strijd waren met de vrije economie.
Socialisme
Politiek-maatschappelijke stroming die opkomt voor het verbeteren van de
levensomstandigheden van de arbeidersklasse.
Strijden voor gelijke rechten voor arbeiders: emancipatiebeweging.
Grondleggers van het socialisme waren Karl Marx en Friedrich Engels met het Communistische
Manifest (1848)
Oorzaken van de ellende van de arbeidersklasse is volgens hen het kapitalisme.
- Grote groep arbeiders leefde in armoede.
- Kleine groep bezat geld, grondstoffen, bedrijven en macht: deze werden steeds rijker.
Gevolg: toenemende ongelijkheid.
Elke type maatschappij kent klassenstrijd:
Techniek Klassen (productieverhoudingen) Naam economisch systeem
Primitieve landbouwtechnieken Meester vs. Slaven Slaveneconomie
Nieuwe landbouwtechnieken Landheer vs. Lijfeigene Feodale economie
Stedelijke productie, handel Burgers vs. Ambachtslui Handelskapitalisme
Machines, fabrieken Kapitalisten vs. Arbeiders Kapitalisme
(industrieel)
Fabrikanten en arbeiders hadden elkaar nodig, (inkomen/arbeiderskracht) maar hadden
tegengestelde belangen (bijv. hoogte van lonen/werktijden)
, Theorie van Marx – 4 fasen
Verelendungfase: rijken worden rijker, de armen worden armer Arbeidersrevolutie: arbeiders
onteigenen de kapitalistische bourgeoisie (rijke burgers) Dictatuur van het proletariaat:
Dictatuur van het
herverdeling van de productiemiddelen Klasseloze samenleving: communisme
proletariaat
Praktijk: Voorspelling Marx klopt niet, arbeidersrevolutie blijft uit. kunnen uitleggen
Situatie arbeiders verbetert langzaam (o.a. begin met sociale
wetgeving)
Afsplitsing binnen socialisme: Sociaaldemocraten.
Socialisten die bast bleven houden aan de revolutionaire weg:
communisten.
Veranderingen via parlement i.p.v. revolutie: Strijd voor algemeen
kiesrecht.
Paragraaf 2 Een nieuwe samenleving
- Discussies over de ‘sociale kwestie’
- De opkomst van emancipatiebewegingen
- De opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme,
confessionalisme en feminisme
Werkomstandigheden:
- Lage lonen
- Lange werktijden
- Onveilige en ongezonde werkomgeving
Woon- en leefomstandigheden:
- Huisvesting: De (nieuwe) industriesteden konden de snelle urbanisatie nauwelijks aan
Ontstaan van krottenwijken met onhygiënische leefomstandigheden.
- Voedselvoorziening: Gebrek aan voedsel dat bovendien vaak van slechte kwaliteit was
gezondheidsproblemen als gevolg.
Hogere burgerij (o.a. artsen en schrijvers) trokken zich het lot van de armen aan sociale kwestie
kwam op de politieke agenda.
Tot eind 19e eeuw was er geen politieke bemoeienis met de sociale kwestie, het liberalisme was de
belangrijkste politieke stroming
- Arbeiders hadden geen stemrecht en werden dus niet vertegenwoordigd in het parlement.
- Vakbonden waarin arbeiders zich konden verenigen om op te komen voor hun belangen
werden aanvankelijk verboden, omdat ze in strijd waren met de vrije economie.
Socialisme
Politiek-maatschappelijke stroming die opkomt voor het verbeteren van de
levensomstandigheden van de arbeidersklasse.
Strijden voor gelijke rechten voor arbeiders: emancipatiebeweging.
Grondleggers van het socialisme waren Karl Marx en Friedrich Engels met het Communistische
Manifest (1848)
Oorzaken van de ellende van de arbeidersklasse is volgens hen het kapitalisme.
- Grote groep arbeiders leefde in armoede.
- Kleine groep bezat geld, grondstoffen, bedrijven en macht: deze werden steeds rijker.
Gevolg: toenemende ongelijkheid.
Elke type maatschappij kent klassenstrijd:
Techniek Klassen (productieverhoudingen) Naam economisch systeem
Primitieve landbouwtechnieken Meester vs. Slaven Slaveneconomie
Nieuwe landbouwtechnieken Landheer vs. Lijfeigene Feodale economie
Stedelijke productie, handel Burgers vs. Ambachtslui Handelskapitalisme
Machines, fabrieken Kapitalisten vs. Arbeiders Kapitalisme
(industrieel)
Fabrikanten en arbeiders hadden elkaar nodig, (inkomen/arbeiderskracht) maar hadden
tegengestelde belangen (bijv. hoogte van lonen/werktijden)
, Theorie van Marx – 4 fasen
Verelendungfase: rijken worden rijker, de armen worden armer Arbeidersrevolutie: arbeiders
onteigenen de kapitalistische bourgeoisie (rijke burgers) Dictatuur van het proletariaat:
Dictatuur van het
herverdeling van de productiemiddelen Klasseloze samenleving: communisme
proletariaat
Praktijk: Voorspelling Marx klopt niet, arbeidersrevolutie blijft uit. kunnen uitleggen
Situatie arbeiders verbetert langzaam (o.a. begin met sociale
wetgeving)
Afsplitsing binnen socialisme: Sociaaldemocraten.
Socialisten die bast bleven houden aan de revolutionaire weg:
communisten.
Veranderingen via parlement i.p.v. revolutie: Strijd voor algemeen
kiesrecht.