Tijdvak 1.
Tijd van de jagers en boeren.
Tot 3.000 v.Chr. – Prehistorie.
Begin mens tot 11.000 v. Chr.: samenleving van jagers-verzamelaars.
11.000 v. Chr. tot 3.000 v. Chr.: agrarische samenleving.
Oude steentijd/Paleolithicum; Nomaden leefden van voedsel in natuur en trokken rond in kleine groepen.
Nieuwe steentijd/Neolithicum; Landbouw/veeteelt uitgevonden: vaste plek wonen —> ontstaan dorpen en
steden.
Prehistorie; Vanaf dat er mensen ontstaan tot er geschreven bronnen zijn.
Overzicht;
1.1: Van jagers-verzamelaars naar boeren.
k.a. 1: De levenswijze van jagers-verzamelaars.
k.a. 2: Het ontstaan van landbouw & landbouw stedelijke samenlevingen.
1.2: Oude beschavingen, steden en staten.
k.a. 3: Ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen.
1.3: Egypte, revolutie in een natiestaat.
,1.1: Van jagers-verzamelaars naar boeren.
Evolutietheorie: Charles Darwin: alles dat leeft ontstaan door de evolutie, waarbij wij ons hebben ontwikkeld uit
voorgaande organismen.
Scheppingsverhaal: Adam & Eva: dat de aarde en alles wat daarop leeft, het gevolg is van een gecreëerde
schepping (door God).
k.a. 1: De levenswijze van jagers-verzamelaars.
◦ Mannen jagen in groepen en vrouwen verzamelen.
◦ Nomaden (doortrekken): en dus weinig bezit.
◦ Wonen bij het water, in “tenten”, grotten…
◦ Kleine groepen.
k.a. 2: Het ontstaan van landbouw & landbouw stedelijke samenlevingen.
◦ Neolithische revolutie (overgang naar landbouw in samenleving —> jagers/verzamelaars werden
boeren); +/- 11.000 v. Chr. ontstaat landbouw door de vruchtbare halvemaan (gebied in het Midden-
Oosten waar landbouw is uitgevonden).
◦ 5000 v. Chr. kwam landbouw samenleving in West-Europa. Dit doordat er te weinig landbouwgrond
beschikbaar meer was. Of door kolonisten.
◦ Door een vaste woonplaats kwam er meer bezit, en een bevolkingstoename. Door meer bezit kwamen
er statusverschillen, en sociale ongelijkheid. Als je meer bezit had kreeg je meer aanzien en de leiding.
Ohalo-cultuur: waren jagers en verzamelaars maar geen nomaden, het klimaat was zo gunstig (20.000 v. Chr.) er
was genoeg plaatselijk voedsel, dat ze niet meer hoefde door te trekken.
Natufiërs: (12.000 v. Chr.) woonden in kleine dorpen van ong. 150 mensen. Eerste mensen die gingen
experimenteren/verbouwen met granen.
Sedentair: Een vaste verblijfplaats.
Domesticeren: Het temmen en houden van dieren.
Agrarisch: Alles wat met landbouw te maken heeft.
,1.2: Oude beschavingen, steden en staten.
k.a. 3: Ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen.
Irrigatielandbouw: landbouw waarbij op kunstmatige wijze water naar de akkers wordt geleid. Hierdoor
ontstonden in 6500 v. Chr. (Mesopotamië) de eerste dorpen. Ook kwamen er hierdoor grotere sociale verschillen
(meer oogst = meer aanzien). De leider coördineert de irrigatie.
Uiteindelijke gevolgen van irrigatielandbouw;
1. Ontstaan specialisatie.
2. Uitvinding schrift (om alles te noteren), ontstond rond 3300 v. Chr., dit hete het spijkerschrift.
3. Ontstaan staatsvorming.
Stadstaat (ontstaan 3500 v. Chr.): had een eigen bestuur, rechtspraak, leger en regels. En had de grootte van een
stad met omringend platteland.
Sociale klassen: koning-priesters-ambachtslieden-boeren-slaven/krijgsgevangenen.
Soemeriërs: inwoners van het gebied waar de eerste dorpen en steden ontstonden.
Polytheïsme: godsdienst waarin meerdere goden worden aanbeden, (zoals bij de Soemeriërs).
Ziggurat: groot religieus bouwwerk in het midden van de stad, hier werd de belangrijkste god van de stad vereerd.
Staat: een land waarin sprake is van wetgeving, rechtspraak en duidelijk bestuur, met een overheid die besluiten
neemt voor alle inwoners.
(Oude beschavingen: stedelijke gemeenschappen.)
, 1.3: Egypte, revolutie in een natiestaat.
5000 v. Chr. eerste boeren in Nijl dal —> door Nijl buiten zijn oevers en irrigatiesysteem was landbouw mogelijk.
2950 v. Chr. Narmer kreeg macht over noord & zuid Egypte —> werd Farao over heel Egypte.
Natiestaat: staat waarin sprake is van een politieke en maatschappelijke eenheid. De inwoners hebben het gevoel
dat ze bij elkaar horen door een gemeenschappelijke taal, cultuur of geloof, en de overheid bevordert dit.
Egyptenaren —> polytheïstisch (meerdere goden).
2000 v. Chr. Amon belangrijkste God.
In 1353 v. Chr —> nieuwe Farao: Amenhotep 4de —> veranderde 3 dingen;
1. Monotheïstische godsdienst: Verandering in geloof om zijn eigen macht —> monotheïstisch = een geloof
(Aton (zonneschijf) is enige God) —> Amenhotep veranderde zijn naam in Achnaton. na zijn dood is de oude
religie hersteld.
2. Nieuwe hoofdstad: Achetaton (dit omdat ze oude hoofdstad; Thebe verbonden was met Amon).
3. Verandering in ‘afdruk’ stijl; eerst werden farao’s gespierd en krachtig weergegeven daarna gevoelig en
verfijnd —> doel: verschil farao en gewone volk uitdrukken.
Na dood wordt alles terug gedraaid —> nieuw farao —> Toetanchaton —> verandert naam; Toetanchamon.
Tijd van de jagers en boeren.
Tot 3.000 v.Chr. – Prehistorie.
Begin mens tot 11.000 v. Chr.: samenleving van jagers-verzamelaars.
11.000 v. Chr. tot 3.000 v. Chr.: agrarische samenleving.
Oude steentijd/Paleolithicum; Nomaden leefden van voedsel in natuur en trokken rond in kleine groepen.
Nieuwe steentijd/Neolithicum; Landbouw/veeteelt uitgevonden: vaste plek wonen —> ontstaan dorpen en
steden.
Prehistorie; Vanaf dat er mensen ontstaan tot er geschreven bronnen zijn.
Overzicht;
1.1: Van jagers-verzamelaars naar boeren.
k.a. 1: De levenswijze van jagers-verzamelaars.
k.a. 2: Het ontstaan van landbouw & landbouw stedelijke samenlevingen.
1.2: Oude beschavingen, steden en staten.
k.a. 3: Ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen.
1.3: Egypte, revolutie in een natiestaat.
,1.1: Van jagers-verzamelaars naar boeren.
Evolutietheorie: Charles Darwin: alles dat leeft ontstaan door de evolutie, waarbij wij ons hebben ontwikkeld uit
voorgaande organismen.
Scheppingsverhaal: Adam & Eva: dat de aarde en alles wat daarop leeft, het gevolg is van een gecreëerde
schepping (door God).
k.a. 1: De levenswijze van jagers-verzamelaars.
◦ Mannen jagen in groepen en vrouwen verzamelen.
◦ Nomaden (doortrekken): en dus weinig bezit.
◦ Wonen bij het water, in “tenten”, grotten…
◦ Kleine groepen.
k.a. 2: Het ontstaan van landbouw & landbouw stedelijke samenlevingen.
◦ Neolithische revolutie (overgang naar landbouw in samenleving —> jagers/verzamelaars werden
boeren); +/- 11.000 v. Chr. ontstaat landbouw door de vruchtbare halvemaan (gebied in het Midden-
Oosten waar landbouw is uitgevonden).
◦ 5000 v. Chr. kwam landbouw samenleving in West-Europa. Dit doordat er te weinig landbouwgrond
beschikbaar meer was. Of door kolonisten.
◦ Door een vaste woonplaats kwam er meer bezit, en een bevolkingstoename. Door meer bezit kwamen
er statusverschillen, en sociale ongelijkheid. Als je meer bezit had kreeg je meer aanzien en de leiding.
Ohalo-cultuur: waren jagers en verzamelaars maar geen nomaden, het klimaat was zo gunstig (20.000 v. Chr.) er
was genoeg plaatselijk voedsel, dat ze niet meer hoefde door te trekken.
Natufiërs: (12.000 v. Chr.) woonden in kleine dorpen van ong. 150 mensen. Eerste mensen die gingen
experimenteren/verbouwen met granen.
Sedentair: Een vaste verblijfplaats.
Domesticeren: Het temmen en houden van dieren.
Agrarisch: Alles wat met landbouw te maken heeft.
,1.2: Oude beschavingen, steden en staten.
k.a. 3: Ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen.
Irrigatielandbouw: landbouw waarbij op kunstmatige wijze water naar de akkers wordt geleid. Hierdoor
ontstonden in 6500 v. Chr. (Mesopotamië) de eerste dorpen. Ook kwamen er hierdoor grotere sociale verschillen
(meer oogst = meer aanzien). De leider coördineert de irrigatie.
Uiteindelijke gevolgen van irrigatielandbouw;
1. Ontstaan specialisatie.
2. Uitvinding schrift (om alles te noteren), ontstond rond 3300 v. Chr., dit hete het spijkerschrift.
3. Ontstaan staatsvorming.
Stadstaat (ontstaan 3500 v. Chr.): had een eigen bestuur, rechtspraak, leger en regels. En had de grootte van een
stad met omringend platteland.
Sociale klassen: koning-priesters-ambachtslieden-boeren-slaven/krijgsgevangenen.
Soemeriërs: inwoners van het gebied waar de eerste dorpen en steden ontstonden.
Polytheïsme: godsdienst waarin meerdere goden worden aanbeden, (zoals bij de Soemeriërs).
Ziggurat: groot religieus bouwwerk in het midden van de stad, hier werd de belangrijkste god van de stad vereerd.
Staat: een land waarin sprake is van wetgeving, rechtspraak en duidelijk bestuur, met een overheid die besluiten
neemt voor alle inwoners.
(Oude beschavingen: stedelijke gemeenschappen.)
, 1.3: Egypte, revolutie in een natiestaat.
5000 v. Chr. eerste boeren in Nijl dal —> door Nijl buiten zijn oevers en irrigatiesysteem was landbouw mogelijk.
2950 v. Chr. Narmer kreeg macht over noord & zuid Egypte —> werd Farao over heel Egypte.
Natiestaat: staat waarin sprake is van een politieke en maatschappelijke eenheid. De inwoners hebben het gevoel
dat ze bij elkaar horen door een gemeenschappelijke taal, cultuur of geloof, en de overheid bevordert dit.
Egyptenaren —> polytheïstisch (meerdere goden).
2000 v. Chr. Amon belangrijkste God.
In 1353 v. Chr —> nieuwe Farao: Amenhotep 4de —> veranderde 3 dingen;
1. Monotheïstische godsdienst: Verandering in geloof om zijn eigen macht —> monotheïstisch = een geloof
(Aton (zonneschijf) is enige God) —> Amenhotep veranderde zijn naam in Achnaton. na zijn dood is de oude
religie hersteld.
2. Nieuwe hoofdstad: Achetaton (dit omdat ze oude hoofdstad; Thebe verbonden was met Amon).
3. Verandering in ‘afdruk’ stijl; eerst werden farao’s gespierd en krachtig weergegeven daarna gevoelig en
verfijnd —> doel: verschil farao en gewone volk uitdrukken.
Na dood wordt alles terug gedraaid —> nieuw farao —> Toetanchaton —> verandert naam; Toetanchamon.