Verweerschrift
Rechtbank Amsterdam Afdeling Publiekrecht, Vreemdelingenkamer
Eiseres: Mila B.
Verweerder: De Minister van Asiel en Migratie
Gemachtigde verweerder: [J. Strauss]
Zaaknummer: AWB 23/12345
Zittingsdatum: 13-05-2026
1. Inleiding
Geachte voorzitter,
1. Artikel 12 lid 4 IVBPR beschermt tegen willekeurige uitsluiting van het eigen land. Die
bescherming is wezenlijk, maar niet onbegrensd: zij strekt niet tot het creëren van een
verblijfsrecht waar de bepaling niet rechtstreeks werkt en Nederland niet als ‘eigen land’ kan
worden aangemerkt.
2. Het beroep van eiseres faalt op vier gronden. Primair heeft artikel 12 lid 4 IVBPR geen
rechtstreekse werking. Ten tweede is Nederland niet haar eigen land naar internationaal
recht. Ten derde is Nederland evenmin haar eigen land naar nationaal recht. Ten vierde is er
geen sprake van willekeur in de zin van artikel 12 lid 4 IVBPR. Centraal staat de vraag of
artikel 12 lid 4 IVBPR eiseres een recht geeft op verblijf in Nederland. Die beoordeling leidt
telkens tot een ongegrondverklaring van het beroep van eiseres. Verweerder verzoekt de
rechtbank daarom het beroep ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te
laten.
Feitenrelaas
3. Eiseres is geboren op 3 januari 1968 in Paramaribo, Suriname. Op het moment van de
Surinaamse onafhankelijkheid in 1975 verkreeg zij van rechtswege de Surinaamse
nationaliteit via haar vader en verloor zij het Nederlanderschap op grond van de
Toescheidingsovereenkomst (TOS). Eiseres verbleef enkele jaren in Nederland en keerde in
1986 terug naar Suriname. Sinds 1996 verblijft eiseres illegaal in Nederland. Haar
Surinaamse paspoort is in 2000 verlopen. Tussen 9 april 2018 en 14 juli 2019 verbleef eiseres
in Duitsland.
2. Geen rechtstreekse werking van artikel 12 lid 4 IVBPR
, 4. Allereerst dient te worden beoordeeld of artikel 12 lid 4 IVBPR een ieder verbindend is in
de zin van artikel 93 en 94 Grondwet. Op grond van artikel 93 van de Grondwet hebben
verdragsbepalingen alleen verbindende kracht indien zij een ieder kunnen verbinden. Artikel
94 Grondwet schrijft bovendien voor dat een ieder verbindende verdragsbepalingen boven
nationaal recht prevaleren.
5. De Hoge Raad heeft inderdaad bepaald dat een verdragsbepaling voldoende duidelijk,
nauwkeurig en onvoorwaardelijk moet zijn om rechtstreekse werking te hebben. 1 Artikel 12
lid 4 IVBPR voldoet echter niet aan het criterium van voldoende nauwkeurigheid. De
begrippen 'eigen land' en “willekeurig” zijn in het verdrag niet gedefinieerd en laten ruimte
voor uiteenlopende interpretaties. De invulling ervan hangt volledig af van de
omstandigheden van het geval, zoals eiseres ook erkent.
6. Een open norm sluit rechtstreekse werking niet per definitie uit, maar in dit geval zijn de
begrippen 'eigen land’ en ‘willekeurig’ te breed voor directe toepassing en dienen zij nader
uitgewerkt te worden in nationale wetgeving. De rechter moet anders optreden als pseudo-
wetgever om de begrippen ‘eigen land’ en ‘willekeurig’ invulling te geven. Dit ondermijnt de
scheiding der machten.2 Dit veroorzaakt bovendien rechtsonzekerheid voor zowel burgers
als de overheid.3 De invulling van willekeurig kan op tientallen manieren en het blijft nu de
taak van de rechter om de invulling te geven. Dat betekent dat de bepaling onvoldoende
nauwkeurig is. De bepaling is dan ook niet geschikt om als objectief recht te functioneren,
wat doorslaggevend is.4
7. Bovendien stelt eiseres dat de Hoge Raad geoordeeld heeft dat aan art. 14 lid 5 IVBPR
rechtstreekse werking toekomt en dat dit ook voor art. 12 lid 4 IVBPR zal gelden. De eiseres
heeft echter miskend dat dit louter een standpunt van de raadsman was in een bepaalde
zaak en geen oordeel van de Hoge Raad. Dit argument kan dus geen standhouden.
8. Artikel 12 lid 4 IVBPR kan dus niet als een ieder verbindende bepaling in de zin van artikel
93 en 94 Grondwet worden aangemerkt. Eiseres kan zich er derhalve niet rechtstreeks op
beroepen.
3. Nederland is niet het eigen land van eiseres naar
internationaal recht
9. Zelfs indien de rechtbank rechtstreekse werking aanneemt, faalt het beroep inhoudelijk.
Het VN-Mensenrechtencomité heeft namelijk in Stewart v. Canada uiteengezet dat
nationaliteit het primaire aanknopingspunt vormt voor het begrip 'eigen land', maar dat
1
HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2928.
2
Vetzo, 'Eeniederverbindendheid en de constitutionele rol van de rechter: grensbepaling post-Rookverbod',
TVCR 2025/1, p. 19.
3
Van Leeuwen & Van Meerten, 'Verplichtstellingsbesluiten: onduidelijke wetgeving is evident in strijd met de
ook in het Europese recht geëiste rechtszekerheid', SEW 2024/4, p. 167.
4
HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3044.