2 Actieve aarde: exogene processen
2.1 De aarde als systeem
Systeem aarde
Processen en verschijnselen in de atmosfeer hangen vaak samen met processen
en verschijnselen aan het aardoppervlak en in de oceanen. Daarom is aarde een
systeem met vier aan elkaar samenhangende hoofdonderdelen:
1. De atmosfeer: Het geheel aan gasvormige stoffen die het vaste en vloeibare
deel van de aardkorst omringen.
2. de hydrosfeer: Het water op aarde (oppervlakte- en grondwater, sneeuw en
ijs).
3. de lithosfeer
4. de biosfeer: Het leven op aarde: eencellige organismen, planten, dieren en
mensen.
→ processen en veranderingen in de ene sfeer werken door in de andere sferen.
Geomorfologie: De aardwetenschap die de terreinvormen en het landschap aan het
aardoppervlak en de processen waardoor ze ontstaan, bestudeert.
Stralingsbalans
De zon is de belangrijkste energiebron voor het leven op aarde en de motor achter
weersverschijnselen. Een belangrijk onderdeel van de aarde en het klimaat als
systeem is:
- De stralingsbalans/ energiebalans: De optelsom van de kortgolvige
instraling (zonlicht) op aarde, de naar het heelal teruggekaatste straling en de
langgolvige uitstraling (warmte) van de aarde. (aan de bovenkant van de
aarde)
6% verspreiding door gassen.
, Het aardoppervlak zet deze kortgolvige straling van de zon om in langgolvige
(warmtestraling).
→ 6% directe uitstraling naar
het heelal.
→ De overige warmtestraling
wordt eerst opgenomen door
deeltjes in de atmosfeer en
door wolken.
→ Broeikasgassen en wolken
werken als een deken door de
warmtestraling van het
aardoppervlak te absorberen
→ En deels weer terug te
zenden naar het
aardoppervlak.
Variaties in instraling
De hoeveelheid kortgolvige straling die in een bepaald gebied het aardoppervlak
opwarmt, de instraling, is afhankelijk van:
- de breedteligging
- En de albedo (De mate waarin een oppervlak zonne-energie weerkaatst,
uitgedrukt in een percentage).
Breedteligging
● Door de bolling van de aarde valt eenzelfde bundel zonnestralen dicht bij de
evenaar op lage breedte onder een grotere invalshoek (directer).
Bij de polen valt deze vanuit een kleinere invalshoek, daar moeten de
zonnestralen dus een groter oppervlak verwarmen.
→ Ook wel de hoeveelheid straling per oppervlakte-eenheid is er nog iets groter dan
op hogere breedte.
● Ook leggen de zonnestralen op lage breedte een kortere weg af dan op
hogere breedte (de zon staat daar dichterbij). → op lage breedte wordt
hierdoor minder zonne-energie door luchtdeeltjes opgenomen en weerkaatst.