Terreinverkenning
Anatomie
= wetenschap die bouw v/h menselijk lichaam onderzoekt
Fysiologie
= wetenschap over de functies v/h levend gezond lichaam
Functionele anatomie
= wetenschap die verbanden legt tussen anatomie en fysiologie (bouw en functie)
Fysiologisch onderzoek → fysiologische gegevens (bloeddruk, spierkracht, hersenactiviteit…)
Onderzoeksmethoden:
• Inspectie
o Buitenkant v/h lichaam observeren (kijken)
• Palpatie
o Lichaamsoppervlak aftasten om diepe gelegen structuren, verhardingen te voelen (voelen)
• Percussie
o Aan buitenkant van lichaam kloppen om uit hoogte van de toon een indruk te krijgen over de
toestand van onderliggend weefsel
• Auscultatie
o Luisteren met stethoscoop naar geluiden die door het lichaam geproduceerd worden
• Laboratoriumonderzoek
o Onderzoek van weefsels en vloeistoffen (Bijv. bloed, speeksel, urine)
• RX-onderzoek
o Door röntgenstralingen/X-straling opnamen maken van botten in het lichaam
o = skeletportret
o Botten (dens materiaal) = wit /lucht= zwart/ alles daartussen= grijs
o Ioniserende stralingen kunnen cellen of DNA beschadigen → kanker
o Bitewing: röntgenfoto van gebit: kronen + tussenruimtes zichtbaar
Patiënt bijt op vleugeltje → OK en BK zichtbaar en gaatjes zichtbaar
o Peri-apicale RX-scan
▪ Specifiek type tandheelkundige röntgenfoto
▪ Toont 1 tand (of een paar) volledig – van kroon tot wortelpunt en omringend kaakbot
▪ Wortels en bot zichtbaar
▪ Ontstekingen botverlies zichtbaar
▪ Witte zones hebben stralingen tegengehouden
o Orthopantomogram (OPG-scan)
▪ Volledige foto van de mond in 2D, afmetingen niet 100% correct
▪ Handig voor overzicht, gewrichten zichtbaar, connectie tussen wijsheidstanden en
zenuwen zichtbaar, gaatjes niet goed zichtbaar
• Angiografie (van de hersenen)
o Afwijkingen in de hartholten en bloedvaten opsporen
o Contrastvloeistof in bloedvaten gespoten→ nadien Röntgenfoto: angiogram
o arteria carotis interna en de arteria vertebralis worden zichtbaar
, • Computertomografie (CT-scan)
o Röntgenstralingen
o Computer versterkt contrasten tussen weefsels op basis van stralingsabsorptie
→ Alle weefsels zichtbaar, ook de zachte!
o = doorsnede van het totale lichaamsdeel
o Botten (dens materiaal) = wit/ lucht= zwart
o Cone beam Computer Tomografie (CBCT)
▪ In kegelvorm stralen, 3D
▪ Plaats en afmetingen zichtbaar
▪ Gebruikt voor implantaten, ortho, operaties hoektanden, …
• Magnetic Resonance Imaging (MRI-scan)
o In tunnel met sterke magneet
→ Waterstofatoomkernen in het lichaam worden gemagnetiseerd en gaan resoneren (trillen)
o Computer rekent signalen om in doorsneden
o Lucht en weefsels die te weinig water bevatten bijv. tanden: zwart
o Geen röntgenstralen, wel radiogolven (ideaal voor zwangere vrouwen!)
o Voorlopig niet gebruikt in tandheelkunde
• Echografie/ echoscopie
o Beeldvorming door middel van geluid
o Golven worden door organen en weefselstructuren weerkaatst
o Ultrageluidstrillingen (hoge frequentie) → computer zet weerkaatste golven om in beeld
o Bijv. doppleronderzoek: stroomrichting- en snelheid v/h bloed registreren
o Echografie ATM-gewricht= beeldvorming van kaakgewricht
▪ Ligamenten bekijken
▪ Niet-invasief
• Endoscopie
o Verzamelnaam voor onderzoeken waarbij gebruik wordt gemaakt van optische sonde
(Voorzien met minicamera)
o Grote gewrichten of holle organen bekijken
o Endoscopie ATM
▪ Invasief
• ECG (elektrocardiogram), EEG (elektro-encefalogram), EMG (elektromyogram)
o Opvangen van elektrische signalen van het lichaam en weergeven op beeldscherm
o Gegevens over hart- hersen- spieractiviteit
Onderzoeken gebaseerd op standaard mens
• Man
• 25 jaar
• Gezond
• Gemiddelde lichaamsbouw
• 1,75 m
• 70kg
Afwijking van gegevens? → Niet per se ziek
Afkortingen kennen:
• a. = arteria = slagader n. = nervus = zenuw
• v. = vena= ader m. = musculus = spier
, 2: Cellen
2.0 Inleiding
Cellen zijn kleinste eenheid waaruit lichaam is opgebouwd
Anatomische term: basisbouwstenen
Fysiologische term: fundamentele stofwisselingseenheden
2.1 Metabolisme
= stofwisseling: alle biochemische reacties die in de cellen kunnen plaatsvinden
• Anabole reacties: kleine moleculen worden samengevoegd tot grotere
o Opbouwstofwisseling → assimilatie
o Kost energie
o Meestal tijdelijk ingebouwd in de cellen
o Gebruikt voor groei, onderhoud en reparatie van weefsels
• Katabole reacties: grotere moleculen worden afgebroken tot kleinere
o Afbraakstofwisseling → dissimilatie (aerobe/ anaerobe)
o Energie komt vrij
o Energie gebruikt voor energievragende processen zoals beweging, warmteproductie en
opbouwstofwisseling
o Kan plaatsvinden met en zonder zuurstof
Verbranding
= afbraakreactie: energierijke stof (brandstof) reageert met zuurstof
= aerobe dissimilatie → altijd zuurstof nodig
Verbranding in de cel/ celademhaling
Doel: vrijmaken van energie → cel kan allerlei activiteiten uitvoeren
Brandstof: meestal glucose
Na verbranding: energie + afvalstoffen (koolstofdioxide: afvalglas/ water: herbruikt in cellen)
Verbranding glucose (suikers) Glucose + zuurstof → energie + water + koolstofdioxide
Verbranding van vetten Vetten + zuurstof → energie + water + koolstofdioxide + afvalstoffen
Anaerobe dissimilatie: als geen zuurstof aanwezig
Afbraak van energierijke stoffen
Nadelen: energieopbrengst lager en meer afvalstoffen
Anaerobe dissimilatie (in spieren) Glucose → energie + melkzuur + water
, Energie
Verbranding in cellen continu → cel beschikt voortdurend over energie
Energie meestal eerst opgeslagen door energierijke bindingen die worden gevormd
Adenosinedifosfaat (ADP):
• Stof die energie kan opladen
• 2 fosfaatmoleculen + eiwit (adenosine)
Adenosinetrifosfaat (ATP)
• Losse fosfaatmolecuul aan ADP gebonden
Energierijke binding= ADP is opgeladen/ ATP bewaart energie (slaat op)
Opslaan van energie (vorming ATP) ADP + P + energie → ATP (energiepakketje)
Vrijmaken van energie ATP → ADP + P + energie
Zodra ergens in de cel energie nodig is, wordt 3de P losgekoppeld en
komt er energie vrij)
Enzymen
= reactieversnellers die zorgen voor biochemische reacties in de cellen
Kenmerken:
• Altijd eiwitten
• Door lichaam zelf gemaakt
• Kunnen biochemische reacties razendsnel laten verlopen
• Reactiespecifiek (voor elk soort reactie bepaald enzym)
• Temperatuurspecifiek (optimumtemperatuur rond 37°)
• Zuurgraadspecifiek (pH)
• Worden niet gebruikt of chemisch veranderd → kunnen opnieuw ingezet worden
• Vaak co-enzym nodig (Bijv. metaal, vitamine, … → helpt mee reactie goed te laten verlopen)
• Meestal genoemd naar stof die ze splitsen of naar de reactie die ze beïnvloeden (-ase)
Bijv. lipase splits lipide (vet)/ amylase splitst amylum (zetmeel)
2.2 Bouw van de cel
Cel is gevuld met:
Cytoplasma/ protoplasma: geleiachtig vocht: water + eiwitten, koolhydraten, vetten, zouten
• Organellen: groot aantal structuren: gespecialiseerd in uitoefenen van bepaalde functie
• Cytosol: waterachtig bestanddeel
→ Wil constant blijven! Afvalstoffen afgevoerd → glucose moet worden aangevoerd
• Celmembraan/ plasmamembraan: dun vliesje dat de cytoplasma en meeste organellen omgeeft
Anatomie
= wetenschap die bouw v/h menselijk lichaam onderzoekt
Fysiologie
= wetenschap over de functies v/h levend gezond lichaam
Functionele anatomie
= wetenschap die verbanden legt tussen anatomie en fysiologie (bouw en functie)
Fysiologisch onderzoek → fysiologische gegevens (bloeddruk, spierkracht, hersenactiviteit…)
Onderzoeksmethoden:
• Inspectie
o Buitenkant v/h lichaam observeren (kijken)
• Palpatie
o Lichaamsoppervlak aftasten om diepe gelegen structuren, verhardingen te voelen (voelen)
• Percussie
o Aan buitenkant van lichaam kloppen om uit hoogte van de toon een indruk te krijgen over de
toestand van onderliggend weefsel
• Auscultatie
o Luisteren met stethoscoop naar geluiden die door het lichaam geproduceerd worden
• Laboratoriumonderzoek
o Onderzoek van weefsels en vloeistoffen (Bijv. bloed, speeksel, urine)
• RX-onderzoek
o Door röntgenstralingen/X-straling opnamen maken van botten in het lichaam
o = skeletportret
o Botten (dens materiaal) = wit /lucht= zwart/ alles daartussen= grijs
o Ioniserende stralingen kunnen cellen of DNA beschadigen → kanker
o Bitewing: röntgenfoto van gebit: kronen + tussenruimtes zichtbaar
Patiënt bijt op vleugeltje → OK en BK zichtbaar en gaatjes zichtbaar
o Peri-apicale RX-scan
▪ Specifiek type tandheelkundige röntgenfoto
▪ Toont 1 tand (of een paar) volledig – van kroon tot wortelpunt en omringend kaakbot
▪ Wortels en bot zichtbaar
▪ Ontstekingen botverlies zichtbaar
▪ Witte zones hebben stralingen tegengehouden
o Orthopantomogram (OPG-scan)
▪ Volledige foto van de mond in 2D, afmetingen niet 100% correct
▪ Handig voor overzicht, gewrichten zichtbaar, connectie tussen wijsheidstanden en
zenuwen zichtbaar, gaatjes niet goed zichtbaar
• Angiografie (van de hersenen)
o Afwijkingen in de hartholten en bloedvaten opsporen
o Contrastvloeistof in bloedvaten gespoten→ nadien Röntgenfoto: angiogram
o arteria carotis interna en de arteria vertebralis worden zichtbaar
, • Computertomografie (CT-scan)
o Röntgenstralingen
o Computer versterkt contrasten tussen weefsels op basis van stralingsabsorptie
→ Alle weefsels zichtbaar, ook de zachte!
o = doorsnede van het totale lichaamsdeel
o Botten (dens materiaal) = wit/ lucht= zwart
o Cone beam Computer Tomografie (CBCT)
▪ In kegelvorm stralen, 3D
▪ Plaats en afmetingen zichtbaar
▪ Gebruikt voor implantaten, ortho, operaties hoektanden, …
• Magnetic Resonance Imaging (MRI-scan)
o In tunnel met sterke magneet
→ Waterstofatoomkernen in het lichaam worden gemagnetiseerd en gaan resoneren (trillen)
o Computer rekent signalen om in doorsneden
o Lucht en weefsels die te weinig water bevatten bijv. tanden: zwart
o Geen röntgenstralen, wel radiogolven (ideaal voor zwangere vrouwen!)
o Voorlopig niet gebruikt in tandheelkunde
• Echografie/ echoscopie
o Beeldvorming door middel van geluid
o Golven worden door organen en weefselstructuren weerkaatst
o Ultrageluidstrillingen (hoge frequentie) → computer zet weerkaatste golven om in beeld
o Bijv. doppleronderzoek: stroomrichting- en snelheid v/h bloed registreren
o Echografie ATM-gewricht= beeldvorming van kaakgewricht
▪ Ligamenten bekijken
▪ Niet-invasief
• Endoscopie
o Verzamelnaam voor onderzoeken waarbij gebruik wordt gemaakt van optische sonde
(Voorzien met minicamera)
o Grote gewrichten of holle organen bekijken
o Endoscopie ATM
▪ Invasief
• ECG (elektrocardiogram), EEG (elektro-encefalogram), EMG (elektromyogram)
o Opvangen van elektrische signalen van het lichaam en weergeven op beeldscherm
o Gegevens over hart- hersen- spieractiviteit
Onderzoeken gebaseerd op standaard mens
• Man
• 25 jaar
• Gezond
• Gemiddelde lichaamsbouw
• 1,75 m
• 70kg
Afwijking van gegevens? → Niet per se ziek
Afkortingen kennen:
• a. = arteria = slagader n. = nervus = zenuw
• v. = vena= ader m. = musculus = spier
, 2: Cellen
2.0 Inleiding
Cellen zijn kleinste eenheid waaruit lichaam is opgebouwd
Anatomische term: basisbouwstenen
Fysiologische term: fundamentele stofwisselingseenheden
2.1 Metabolisme
= stofwisseling: alle biochemische reacties die in de cellen kunnen plaatsvinden
• Anabole reacties: kleine moleculen worden samengevoegd tot grotere
o Opbouwstofwisseling → assimilatie
o Kost energie
o Meestal tijdelijk ingebouwd in de cellen
o Gebruikt voor groei, onderhoud en reparatie van weefsels
• Katabole reacties: grotere moleculen worden afgebroken tot kleinere
o Afbraakstofwisseling → dissimilatie (aerobe/ anaerobe)
o Energie komt vrij
o Energie gebruikt voor energievragende processen zoals beweging, warmteproductie en
opbouwstofwisseling
o Kan plaatsvinden met en zonder zuurstof
Verbranding
= afbraakreactie: energierijke stof (brandstof) reageert met zuurstof
= aerobe dissimilatie → altijd zuurstof nodig
Verbranding in de cel/ celademhaling
Doel: vrijmaken van energie → cel kan allerlei activiteiten uitvoeren
Brandstof: meestal glucose
Na verbranding: energie + afvalstoffen (koolstofdioxide: afvalglas/ water: herbruikt in cellen)
Verbranding glucose (suikers) Glucose + zuurstof → energie + water + koolstofdioxide
Verbranding van vetten Vetten + zuurstof → energie + water + koolstofdioxide + afvalstoffen
Anaerobe dissimilatie: als geen zuurstof aanwezig
Afbraak van energierijke stoffen
Nadelen: energieopbrengst lager en meer afvalstoffen
Anaerobe dissimilatie (in spieren) Glucose → energie + melkzuur + water
, Energie
Verbranding in cellen continu → cel beschikt voortdurend over energie
Energie meestal eerst opgeslagen door energierijke bindingen die worden gevormd
Adenosinedifosfaat (ADP):
• Stof die energie kan opladen
• 2 fosfaatmoleculen + eiwit (adenosine)
Adenosinetrifosfaat (ATP)
• Losse fosfaatmolecuul aan ADP gebonden
Energierijke binding= ADP is opgeladen/ ATP bewaart energie (slaat op)
Opslaan van energie (vorming ATP) ADP + P + energie → ATP (energiepakketje)
Vrijmaken van energie ATP → ADP + P + energie
Zodra ergens in de cel energie nodig is, wordt 3de P losgekoppeld en
komt er energie vrij)
Enzymen
= reactieversnellers die zorgen voor biochemische reacties in de cellen
Kenmerken:
• Altijd eiwitten
• Door lichaam zelf gemaakt
• Kunnen biochemische reacties razendsnel laten verlopen
• Reactiespecifiek (voor elk soort reactie bepaald enzym)
• Temperatuurspecifiek (optimumtemperatuur rond 37°)
• Zuurgraadspecifiek (pH)
• Worden niet gebruikt of chemisch veranderd → kunnen opnieuw ingezet worden
• Vaak co-enzym nodig (Bijv. metaal, vitamine, … → helpt mee reactie goed te laten verlopen)
• Meestal genoemd naar stof die ze splitsen of naar de reactie die ze beïnvloeden (-ase)
Bijv. lipase splits lipide (vet)/ amylase splitst amylum (zetmeel)
2.2 Bouw van de cel
Cel is gevuld met:
Cytoplasma/ protoplasma: geleiachtig vocht: water + eiwitten, koolhydraten, vetten, zouten
• Organellen: groot aantal structuren: gespecialiseerd in uitoefenen van bepaalde functie
• Cytosol: waterachtig bestanddeel
→ Wil constant blijven! Afvalstoffen afgevoerd → glucose moet worden aangevoerd
• Celmembraan/ plasmamembraan: dun vliesje dat de cytoplasma en meeste organellen omgeeft