, Oefentoets – alle antwoorden apart einde
10 open vragen (gemiddeld)
Hoofdstuk 1 – Anatomie en fysiologie van het menselijk lichaam
Vraag 1
Leg uit wat het verschil is tussen anatomie en fysiologie. Geef hierbij een voorbeeld dat relevant is
voor het werk van een doktersassistent.
Vraag 2
Beschrijf de belangrijkste functies van het hart- en vaatstelsel. Leg uit waarom kennis hiervan
belangrijk is bij het beoordelen van klachten van patiënten.
Vraag 3
Een patiënt meldt zich bij de huisarts met benauwdheidsklachten. Beschrijf welke onderdelen van het
ademhalingsstelsel betrokken kunnen zijn en leg uit hoe de gaswisseling in de longen plaatsvindt.
Vraag 4
Leg uit hoe het spijsverteringsstelsel voedsel verwerkt. Beschrijf de route die voedsel aflegt vanaf de
mond tot en met de uitscheiding.
Vraag 5
Beschrijf de functie van het zenuwstelsel en leg uit hoe het zenuwstelsel invloed heeft op beweging,
gevoel en lichamelijke reacties.
Hoofdstuk 2 – Orgaanstelsels, gezondheid en ziekteprocessen
Vraag 6
Leg uit welke rol het hormoonstelsel speelt in het lichaam. Geef twee voorbeelden van hormonen en
beschrijf hun functie.
Vraag 7
Een patiënt heeft klachten die kunnen wijzen op een probleem met de nieren. Beschrijf de
belangrijkste functies van het urinewegstelsel en leg uit welke gevolgen een verminderde nierfunctie
kan hebben.
Vraag 8
Leg uit wat homeostase betekent en waarom het handhaven van een stabiel intern milieu belangrijk is
voor de gezondheid van een patiënt.
Vraag 9
Beschrijf het verschil tussen een infectie, een ontsteking en een chronische aandoening. Geef van elk
begrip een voorbeeld.
Vraag 10
Een doktersassistent moet medische informatie kunnen begrijpen voordat een patiënt wordt geholpen.
Leg uit waarom kennis van anatomie, fysiologie en pathologie belangrijk is bij triage en
patiëntcontact.