Inhoudsopgave
Seminar 1244 Basisconcepten van groei en ontwikkeling....................................................................................... 2
Seminar 2144 Public Health project. ..................................................................................................................... 15
Seminar 1537 Psychosociale ontwikkeling van baby tot volwassene. ................................................................... 18
Seminar 1246 Basisconcepten van groei en ontwikkeling: van concepEe tot de 1e 12 maanden postnataal. ...... 22
Seminar 0985 Glazuur en denEne. ........................................................................................................................ 31
Seminar 2119 Psychosociale ontwikkeling bij veroudering. .................................................................................. 46
Seminar 2132 Verklarende staEsEek 1 .................................................................................................................. 51
Seminar 2133 Verklarende staEsEek 1 .................................................................................................................. 57
Seminar 2145 Public health en gedragsverandering in de prakEjk. ...................................................................... 58
Seminar 1245 Groei en gebitsontwikkeling: Early childhood en dental relevance................................................ 63
Seminar 2141 Verklarende staEsEek 2 .................................................................................................................. 73
Seminar 2142 Wetenschappelijke kennis 2 ........................................................................................................... 78
Seminar 2129 Invloed van veroudering op de mondgezondheid. ......................................................................... 79
Seminar 2134 Hoe word je gezond ouder. ............................................................................................................ 81
Seminar 2150 Verklarende staEsEek 3 .................................................................................................................. 83
Seminar 2151 Verklarende staEsEek 3 .................................................................................................................. 90
,Seminar 1244 Basisconcepten van groei en ontwikkeling.
Vroeg in de embryonale ontwikkeling, 3jdens de 3e week na de bevruch3ng, is het embryo
een pla<e, schijfvormige structuur, opgebouwd uit drie lagen pluripotente cellen die
kiembladen worden genoemd. Deze kiembladen geven later aanleiding tot alle organen en
weefsels van het lichaam. De binnenste laag heet het endoderm, de middelste laag het
mesoderm en de buitenste laag het ectoderm.
Tegen week 4 van de ontwikkeling krijgt het embryo, als gevolg van het opvouwen langs de
rostrocaudale as en laterale as, een vorm die meer herkenbaar menselijk is (hoewel het nog
steeds meer op een garnaal lijkt). Aan het kopuiteinde van dit garnaalach3ge embryo zet de
neurale buis sterk uit en vormt het zo het primi3eve voorbrein. Dit veroorzaak een
uitstulping die bekend staat als de frontale prominen3e.
Lateraal van de neurale buis ligt het paraxiale mesoderm, dat rostraal gedeeltelijk
segmenteert en somitomeren vormt, en caudaal volledig segmenteert tot somieten, waarvan
de eerste in de reeks occipitale somieten zijn.
Er ontstaat een kleine indeuking die het stomodeum wordt genoemd, tussen de frontale
prominen3e en de zich ontwikkelende cardiale uitstulping. Dit stomodeum zal uiteindelijk de
mondholte vormen.
Aan de achterzijde van het stomodeum bevindt zich een twee-lagig membraan, het
buccofaryngeale membraan, dat bestaat uit ectoderm en endoderm. Het buccofaryngeale
membraan scheidt aanvankelijk het stomodeum van de voordarm, maar verdwijnt
(desintegreert) al snel, waardoor een vrije verbinding ontstaat tussen het stomodeum en de
voordarm.
,Tegelijker3jd ontstaan uit de primi3eve farynx zes kleine uitstulpingen of verdikkingen van
het mesoderm die zich ontwikkelen tot de branchiale of faryngeale bogen. Deze bogen zijn
gepaarde, symmetrische uitstulpingen die zich aan beide zijden van het laterale deel van het
embryo vormen, in craniocaudale rich3ng (van hoofd naar staart).
Op hetzelfde moment migreren neurale lijstcellen uit het middenbrein en uit de eerste twee
rhombomeren bilateraal naar deze regio. Daar dringen ze de mesodermale uitstulpingen
binnen en ondersteunen ze de ontwikkeling van het embryonale bindweefsel dat nodig is
voor de craniofaciale ontwikkeling, het zogenaamde ectomesenchym.
De faryngeale bogen worden uitwendig van elkaar gescheiden door kleine groeven in de
wand van de farynx, de branchiale groeven. Inwendig worden ze gescheiden door
overeenkoms3ge instulpingen die faryngeale zakjes worden genoemd.
De eerste faryngeale boog splitst zich in twee processen:
- Maxillaire proces, dat lateraal van het stomodeum ligt en iets erboven uitstrekt.
- Mandibulaire proces, dat zich nabij de onderrand van het stomodeum bevindt.
De mandibulaire processen aan beide zijden groeien naar elkaar toe en versmelten al vroeg
in de ontwikkeling tot een enkele structuur.
De ontwikkeling van het gezicht begint in week 4, wanneer twee gebieden van ectoderm op
de frontale prominen3e beginnen te prolifereren en twee verdikkingen vormen die nasale
placoden worden genoemd.
, Tijdens week 5 prolifereren de mesodermale cellen rondom elke nasale placode snel en
vormen de een hoefijzervormige zwelling. De binnenste helQ wordt het mediale nasale
proces genoemd en de buitenste helQ laterale nasale proces.
Het gebied van de frontale prominen3e waar deze veranderingen plaatsvinden en waar de
neus zich ontwikkelt heet het frontonasale proces.
Terwijl het mesoderm prolifereert, lijken de nasale placoden naar binnen te verzinken en
vormen ze nasale putjes. De bodem van deze nasale putjes is bekleed met oronasaal
membraan, dat deze structuur scheidt van de primi3eve mondholte.
Tegelijker3jd beginnen de maxillaire processen naar het midden te prolifereren. Ze blijven
daarbij gescheiden van het laterale nasale proces door de naso-op3sche groeve. Ze blijven
gescheiden van het mediale nasale proces door de buccanasale groeve.
Tegen het einde van week 6 versmelten de maxillaire processen aan beide zijden met de
mediale nasale processen, waardoor de bovenlip wordt gevormd. Ongeveer in dezelfde
periode komen de twee mediale nasale processen samen en vormen ze het intermaxillaire
segment.
Het intermaxillaire segment ontwikkelt zich vervolgens tot de neusrug, het philtrum (midden
van bovenlip), het middelste deel van het maxillaire bot (bovenkaak), vier bovenste
snijtanden en het primaire gehemelte.
De naso-op3sche groeve wordt aan de bovenzijde bedekt door ectodermaal weefsel,
waardoor deze wordt omgevormd tot nasolacrimale ductus (traan-neuskanaal).
De laterale nasale processen ontwikkelen zich tot de laterale neuswand. De mandibulaire
processen vormen de onderkaak met alle tanden en de onderlip, en versmelten met de
maxillaire processen om de wangen te vormen.