Je kan antwoord geven op psychologische vragen d.m.v.;
- Intuïtie (I just know)
- Autoriteit (he says it, he ought to know)
Wat zijn kenmerken van wetenschappelijke methodes?
1. Empirisme
2. Rationalisme
Inductie; van data naar theorie
Deductie; van theorie voorspellingen maken over nieuwe data.
Falsifieerbaarheid; voorspellingen die niet waar zijn moeten bewezen kunnen
worden.
3. Openheid
Publicatie van resultaten (evalueren, repliceren, aanvullen, peer-review)
4. Ethiek
Fasen van onderzoeksproces
- Beginfase
- Ontwerpfase (onderzoeksdesign kiezen, deelnemers kiezen, hoe ga je data
verzamelen)
- Uitvoeringsfase
- Analysefase
- Presentatiefase
Vraagstelling: De vraag die je met het onderzoek wil beantwoorden. Er zijn beschrijvende
vragen met verbanden en er zijn verklarende vragen.
Kwantitatieve variabelen: Geven een hoeveelheid aan. Discreet (hele getallen) of continue
(geen hele getallen).
Kwalitatieve variabelen: Getallen die voor bepaalde categorieën staan. Hierbij is het
belangrijk dat de niveaus genoteerd worden.
Operationele definitie: Een variabele moet meetbaar gemaakt worden. Bijv. in KG of g, met
of zonder schoenen, etc.
Een positieve samenhang betekent dat als de X-variabel verhoogt, Y dat ook doet. Een
negatieve samenhang is tegengesteld.
Bij een omgekeerd verband is Y -> X.
X = onafhankelijke variabele; oorzaak
Y = afhankelijke variabele ; gevolg.
Bij een causaal verband is X de oorzaak van Y. ook wel X -> Y.
, Identificeren causaal verband;
1. Covariantie van oorzaak en gevolg.
2. Temporal precedence: oorzaak moet voorafgaan aan vervolg.
3. Eliminatie van alternatieve verklaringen. (Andere variabelen die invloed hebben).
Experimenteel onderzoek: de X is gemanipuleerd.
Niet-experimenteel onderzoek: de X is niet gemanipuleerd, alleen gemeten.
Een causaal verband kan alleen worden aangetoond met een zuiver experiment.
1. Manipulatie van de X, zo kun je zien of Y ook verandert.
2. Randomisatie van groepen.
3. Eliminatie van storende variabelen.
4. Meting afhankelijke variabele.
5. Vergelijking gemiddelde van de afhankelijke variabele.
Een storende variabele moet invloed hebben op Y en moet samenhangen met X.
Een intermediërende variabele is niet storend; X -> I -> Y.
Als er sprake is van randomisatie en manipulatie is het altijd een zuiver experiment.
Een alternatieve verklaring kan een storende variabele zijn, maar ook een omgekeerd
verband.
Hoorcollege 12/09/2023
Between-subject design: elke persoon krijgt één conditie.
- Deel van een groep krijgt A en een deel B.
Hierbij wil je een vergelijking maken tussen de mensen in de ene groep en de andere groep.
Je berekent de gemiddelde score van groep A en het gemiddelde van groep B. Het effect is
dan A-B.
Within-subjects design: elke person krijgt alle condities.
- Elke deelnemer meet je zowel als ze 4 als 5 jaar oud zijn.
Je berekent hier weer de gemiddelde score van groep A en groep B. Het effect is A-B.
- Dit heeft als voordeel dat het dezelfde personen zijn in beide groepen,
persoonsverschillen kunnen zo niet tot storende variabelen leiden. Ook heb je minder
proefpersonen nodig.
- Nadelen zijn dat conditie A en B na elkaar moeten komen. Tijd kan ervoor zorgen dat
de resultaten worden beïnvloed door bijv. oefening en vermoeidheid.
Autonome rijping (ouder worden) kan ook zorgen voor een verschil in resultaten.
Spontaan herstel kan ook een nadeel zijn.
- Carry-over effecten; invloed van de ene conditie op de andere conditie. Bijvoorbeeld
dat als je 2 testen doet met en zonder cafeïne, maar bij de tweede test de cafeïne nog
niet is uitgewerkt.
- Differentiële transfer; invloed van A naar B is anders dan invloed van B naar A. (als
mensen dingen leren bij test A, kunnen ze dit niet meer ontleren.