5.1 Inleiding
Evident is dat ouders altijd op enige manier betrokken zijn bij de behandeling van hun
kind: indien het kind jonger is dan 16 jaar, dienen zij in ieder geval akkoord te geven voor
de behandeling. De casusconceptualisatie wijst uit welke gezinsleden op welke wijze
en met welk(e) doel(en) het best actief betrokken kunnen worden bij de behandeling. In
de verschillende onderzoeken is een verband gevonden tussen PTSS bij ouders en
vergelijkbare symptomen bij hun kinderen. Posttraumatische stressreacties bij ouders
bleken een belangrijkere voorspeller voor PTSS bij het kind dan de mate van
blootstelling aan de schokkende gebeurtenis.
5.2 Casusconceptualisatie
5.3 Rollen voor ouders
Veelal hebben ouders last van het feit dat hun kind iets naars heeft meegemaakt. De
ouder heeft het kind immers niet kunnen behoeden voor desbetreffende gebeurtenis en
het daaruit voortvloeiende leed. De betekenis die ouders hebben verleend aan de
gebeurtenis, maar ook hun reacties op de gebeurtenis en op de reacties van het kind,
zijn van invloed op hun gevoelens van schuld en competentie als ouders. Het zelf actief
betrokken worden bij de behandeling van hun kind, draagt bij aan het herstel van hun
gevoel van controle en competentie als ouder.
De casusconceptualisatie brengt in kaart hoe de reacties van ouders eventueel
interfereren met het herstel van hun kind en het behandelplan vermeld op welke manier
aandacht gegeven zal worden aan de beïnvloeding van de cognitieve, emotionele en
, gedragsmatige reacties van ouders, waarmee ze de symptomen van het kind eventueel
mede in stand houden.
5.3.1 Motivator
Als ouders duidelijk laten merken aan hun kind dat zij vertrouwen hebben In de
therapeut en de behandeling, verhoogt dat de slagingskans. Wanneer een kind
vermijding reacties vertoont, is het van essentieel belang dat ouders de rol van externe
motivator op zich kunnen nemen.
5.3.2 Informant
De therapeut kan ouders als informant inschakelen, zowel tijdens de diagnostiek fase
als tijdens de behandeling. Bij de diagnostiek geven zij informatie over het functioneren
van het kind. In de behandelfase letten zij op veranderingen die zij thuis signaleren bij
het kind. Zij kunnen hun observaties op papier of digitaal registreren en voorafgaand
aan de volgende sessie naar de therapeut sturen of meenemen. Deze observaties zijn
nodig om effecten van EMDR (of het uitblijven ervan) vast te stellen. Kinderen hebben
beperkte mogelijkheden tot zelfreflectie om veranderingen in eigen gedrag te kunnen
rapporteren. Veranderingen in beleving daarentegen kunnen ze doorgaans beter zelf
aangeven dan hun ouders.
Kinderen vertonen tijdens de desensitisatie doorgaans weinig ‘emotionele signalen’ in
het gezicht. Hierdoor is het voor de therapeut moeilijk om tijdens de sessie in te
schatten in hoeverre informatieverwerking daadwerkelijk plaatsvindt en in hoeverre de
lichamelijk gevoelde spanning ‘echt’ daalt.
5.3.3 Hulptherapeut
Bij peuters en oudere kinderen met pref verbaal trauma krijgen ouders een actief
aandeel In de uitvoering van het protocol, met name als de verhalenmethode wordt
toegepast. De therapeut voert in die situatie is de behandeling uit samen met een in
aanwezigheid van één of beide ouders, die daarbij een rol spelen als hulp therapeut.
5.3.4 Bekrachtiger
Probleemgedrag kan worden uitgelokt door herinneringen aan beschadigende
ervaringen, maar ook onderhouden worden door bekrachtigingpatronen. Wanneer blijkt
dat ouders het oude probleemgedrag blijven bekrachtigen en nieuw functioneel gedrag
onvoldoende of inadequaat bekrachtigen? Ze hadden therapeuten In de behandeling
ook aandacht moeten besteden aan beïnvloeding van deze bekrachtigingspatronen.
Hiervoor krijgen ouders gedrags instructies nadat EMDR-sessies met het kind hebben
plaatsgevonden. Indien probleemgedrag echter meer winst oplevert dan last, is
beïnvloeding van bekrachtiging patronen nodig voorafgaand aan EMDR.
5.3.5 Ouders als getuige