1A)
Wat is het kenmerkende verschil bij de berekening van de verschuldigde VPB & IB
tussen het klassieke stelsel en het stelsel van volledige integratie? (6 punten)
Y’s antwoord 6/6
Het klassieke stelsel is het stelsel die wij in Nederland gebruiken. Het klassieke stelsel is ook
een stelsel wat we kunnen noemen als een stelsel waar economische dubbele heffing plaats
vindt. Dit is een cumulerend stelsel. Als eerst wordt VPB geheven van het lichaam waarna
nog inkomstenbelasting wordt geheven van de aandeelhouder.
Het stelsel van volledige integratie is een complementair stelsel. Hier wordt ook eerst VPB
geheven, maar daarna wordt de geheven VPB als een korting gegeven op de IB. Bij dit
stelsel wordt niet aangesloten bij de daadwerkelijk uitgekeerde dividend. Er wordt belasting
geheven over de gehele dividend.
Een rekenvoorbeeld
1000
vpb heffen 40 % 400 VPB
winst na vpb
600
300 dividend
30 % IB 90 IB
de 400 al eerder betaalde vpb komt in mindering op de IB
Dus het het kenmerkende verschil bij de berekening van de verschuldigde VPB & IB tussen
het klassieke stelsel en het stelsel van volledige integratie is dat bij de stelsel van volledige
integratie de eerder geheven VPB als een korting wordt verleend op de IB.
1
, Vennootschapsbelasting 06-02-2025 18:30-21:30
Nabespreking:
Het klassieke stelsel hanteren we in NL. Afzonderlijke IB en VPB, waarbij je bij de VPB de
gehele winst pakt, bij de IB zie je dat alleen het uitgekeerde dividend wordt gezien als
inkomstenbron waar IB over verschuldigd is.
Anders bij volledige integratie; soort verlengstuk. We heffen VPB over de gehele winst. Bij IB
neem je weer die gehele winst mee, maar geef je een soort ‘verrekening’ als
tegemoetkoming voor de betaalde VPB. Waardoor je dus in feite de winst voor twee
heffingen gebruikt, waarbij de VPB een soort ‘voorheffing’ is.
Kenmerkende verschil is waar ga je vanuit bij de winst en het verrekeningspunt.
2
, Vennootschapsbelasting 06-02-2025 18:30-21:30
1B)
Stichting X houdt zich bezig het behoud van bossen die in eigendom zijn van de
Nederlandse staat. Zij heeft een groot aantal vrijwilligers die namens de stichting de
natuur ingaan en daar bomen en planten snoeien en soortgelijke activiteiten
ondernemen. De stichting heeft een groot aantal donateurs waarmee zij de benodigde
attributen kan aanschaffen. Naast de voorgenoemde activiteiten heeft zij sinds 2015
ook een aantal winkels aan de rand van een aantal bossen waarin zij wandelkaarten,
laarzen, paraplus en soortgelijke wandelproducten verkoopt. Met deze winkels behaalt
zij jaarlijks een winst van EUR 20.000.
Is Stichting X belastingplichtig in Nederland en wat is haar belastbare winst? (7
punten)
Y’s antwoord 7/7
Dit vraagstuk betreft de subjectieve belastingplicht van de stichting. Op grond van art 1 j.o.
art 2 VPB zijn een aantal entiteiten subjectief belastingplichtig voor de Nederlandse
belastingheffing VPB.
Echter betreft de casus een stichting op grond van art 2 lid 1 sub e zijn stichtingen alleen
subjectief belastingplichtig als zij een onderneming drijven. Dat betekent dat deze stichting
een organisatie moet zijn van kapitaal en arbeid die deelneemt aan het economisch verkeer
met een winstoogmerk.
Echter zijn de oorspronkelijke activiteiten van deze stichting om planten te snoeien en
soortgelijke activiteiten ondernemen. Dit zijn geen activiteiten die een organisatie van
kapitaal en arbeid vormen. Maar de stichting heeft naast deze activiteiten ook nog winkels.
In de casus maken we op dat de stichting sinds 2015 ook een aantal winkels aan de rand
van een aantal bossen waarin zij wandelkaarten, laarzen, paraplus en soortgelijke
wandelproducten verkoopt. Met deze winkels behaalt zij jaarlijks een winst van EUR 20.000.
indien een stichting in concurrentie treed is een stichting wel belastingplichtig voor de wet
vpb op grond van art 4 sub a VPB. Dit is ook zo op grond van het efteling arrest. Indien een
stichting in concurrentie treed met andere organisaties is deze stichting gewoon subjectief
belasting plichtig. Want nu verstoord deze stichting andere winkels die dezelfde producten
verkopen en wel belasting zouden moeten betalen.
art 6 lid 1 wet VPB luidt dat indien een stichting alsnog van de belasting wordt vrijgesteld
indien de winst van de stichting in een jaar niet meer dan 15.000 en indien wel meer dan
15.000 in dat jaar en de 4 voorgaande jaren niet meer dan 75.000 EUR moet zijn.
Uit de casus maak ik op dat stichting X met de winkels sinds 2015 een winst maakt van
20.000 per jaar. Dit houdt in dat de stichting op grond van art 2 lid 1 sub E niet voldoet aan
de eisen van art 4 sub a dus wel in concurrentie treed en hiermee een onderneming drijft en
ook niet voldoet aan de vrijsteling van de winst van art 6 lid 1 VPB en dus WEL is
onderworpen aan de belastingheffing VPB.
Sümeyra’s antwoord 7/7
3