Tentamen 21-12-2024 13:30–16:30 (Campus) – vragen met modelantwoorden
Vraag 1 – procederen in eerste aanleg (algemeen) – totaal 20 punten
Stel, u bent advocaat. Marcel komt bij u langs voor juridische bijstand. Marcel is eigenaar van Sporty Business
b.v., een onderneming die sportscholen exploiteert. De zaken van Sporty Business b.v. gaan goed en binnenkort
wordt een nieuwe vestiging geopend in Den Haag.
Léon is als fitnessinstructeur in dienst bij Sporty Business b.v. en weet dat Sporty Business b.v. nog
fitnessapparatuur nodig heeft voor haar nieuwe vestiging in Den Haag. Op een dag raakt Léon in gesprek met de
eigenaar van Mobel b.v., een onderneming die fitnessapparatuur verkoopt en levert aan sportscholen. Mobel b.v.
is statutair gevestigd in Den Haag en heeft vestigingen in Rotterdam, Den Bosch en Amsterdam. In zijn
enthousiasme sluit Léon namens Sporty Business b.v. een overeenkomst met Mobel b.v. voor de aankoop van vijf
loopbanden, drie squatrekken en twee halterbanken, tegen een scherpe totaalprijs van EUR 6.500,-.
Zodra Léon op zijn werk komt, vertelt hij aan zijn directeur Marcel welk 'koopje' hij voor Sporty Business b.v. heeft
weten te regelen. Marcel is heel blij met Léons initiatief, maar realiseert zich direct dat Leon niet
vertegenwoordigingsbevoegd was en dus geen rechtsgeldige overeenkomst heeft gesloten. Hij stuurt daarom
direct een mailtje naar Mobel b.v. om de overeenkomst te bekrachtigen (art. 3:69 BW). De bedrijfsjurist van Mobel
b.v. laat echter de volgende dag aan Marcel weten de overeenkomst als ongeldig te beschouwen en weigert,
ondanks herhaald aandringen, de gekochte fitnessapparatuur aan Sporty Business b.v. te leveren.
Marcel vraagt u voor Sporty Business b.v. een procedure te starten tegen Mobel b.v. Hij wil enerzijds dat de
rechter vaststelt dat de koopovereenkomst tot stand is gekomen en anderzijds dat de rechter Mobel b.v. opdraagt
om aan haar verplichting uit die koopovereenkomst te voldoen.
Al over drie weken vindt de feestelijke opening van de nieuwe vestiging plaats. Daarom wil Sporty Business b.v.
op zo kort mogelijke termijn over de fitnessapparatuur kunnen beschikken. Kortom: zij wenst een kort geding te
starten.
Vraag 1a (5.0p)
Moet deze procedure bij de sector kanton, of bij de sector civiel van de rechtbank worden
gestart?
Modelantwoord:
De vraag of deze procedure bij de sector kanton of de sector civiel van de rechtbank moet worden
aangebracht, ziet op de sectorbevoegdheid. In deze zaak gaat het om een vordering tot afgifte van
fitnessapparatuur. Een dergelijke vordering tot afgifte wordt beschouwd als een waardevordering van
onbepaalde waarde, waarbij er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde
vertegenwoordigt dan € 25.000. Die aanwijzingen bestaan door het feit dat Léon namens Sporty Business
b.v. een overeenkomst heeft gesloten met Mobel b.v. voor de aankoop van vijf loopbanden, drie squatrekken
en twee halterbanken tegen een scherpe totaalprijs van EUR 6.500,-. Vervolgens blijkt op grond van artikel
93, aanhef en onder b, Rv de kantonrechter bevoegd. Dit betekent dat de procedure moet worden
aangebracht bij de kantonrechter (sector kanton) van de rechtbank.
Vraag 1b (6.0p)
Formuleer op basis van deze twee wensen het petitum van het inleidende processtuk. Nota
bene: u hoeft daarbij geen nevenvorderingen (zoals een veroordeling in de proceskosten of tot
betaling van een dwangsom, of met uitvoerbaar bij voorraad-verklaring) te formuleren.
Modelantwoord:
Sporty Business vordert dat de rechter voor recht verklaart dat tussen Sporty Business B.V. en Mobel B.V.
een koopovereenkomst tot stand is gekomen, en Mobel B.V. veroordeelt tot de afgifte (of (af)levering) aan
, Sporty Business B.V. van de gekochte zaken, te weten vijf loopbanden, drie squatrekken en twee
halterbanken.
Vraag 1c (9.0p)
Kan Sporty Business b.v. ook in kort geding bewerkstelligen 1) dat de rechter vaststelt dat de
koopovereenkomst tot stand is gekomen en 2) dat Mobel b.v. wordt opgedragen om aan haar
verplichting uit die koopovereenkomst te voldoen?
Modelantwoord:
In deze vraag ging het om de toewijsbaarheid van de door Sporty Business gewenste vorderingen in kort
geding (art. 254 Rv), dus voor het treffen van een voorlopige voorziening (beslissing bij voorraad). Daarvoor
moet sprake zijn van voldoende spoedeisend belang en (ook overigens) van geschiktheid voor beoordeling
en beslissing in kort geding (art. 256 Rv). Dat laatste is bv. niet het geval als de zaak feitelijk of juridisch heel
ingewikkeld is, maar dat is hier niet het geval. Gezien de aanstaande opening van de nieuwe vestiging is aan
het vereiste van voldoende spoedeisend belang voldaan. Omdat het moet gaan om een voorlopige
voorziening, geldt verder dat in kort geding wél een condemnatoir (= veroordelend) vonnis kan worden
gewezen, maar geen declaratoir (= vaststellend) vonnis. Dat betekent dat de vordering (onder 1) tot
verklaring voor recht dat een overeenkomst tot stand is gekomen niet in KG kan worden voorgelegd, want
dat betreft een declaratoire beslissing. De vordering (onder 2) tot afgifte kan wel in KG worden gevorderd,
want dat is een condemnatoire beslissing die geen definitief karakter heeft. Daaraan doet overigens niet af
dat de gevolgen van een veroordeling wel in feitelijke zin definitief kunnen zijn. Mocht vervolgens de
beslissing in een bodemzaak anders uitpakken, dan lost dat zich op door bijv. een verplichting tot
schadevergoeding.
N.B. De vordering onder 1 leidt niet tot een constitutief vonnis, want daarvan is sprake als de rechter een
rechtstoestand in het leven roept. Dat is hier niet het geval; de rechtstoestand (= totstandkoming contract)
was er al (namelijk – althans volgens eiser – door tijdige bekrachtiging) en de rechter doet dan niet meer dan
bevestigen ('voor recht verklaren') dát die rechtstoestand inderdaad al was ingetreden.