LKT Engels — examentraining (printversie)
De vragen staan zonder antwoord. Alle antwoorden en uitleg vind je
gebundeld in het hoofdstuk ‘Antwoorden’ achteraan. Flashcards staan als
knipkaartjes onder elk hoofdstuk.
OVER DEZE GIDS — LEES DIT EERST
Deze studiegids is een onafhankelijk, niet-officieel studiehulpmiddel voor de
Landelijke Kennistoets Engels (tweedegraads lerarenopleiding). Hij is niet
gemaakt, gecontroleerd, goedgekeurd of uitgegeven door 10voordeleraar, de
examenorganisatie of enige hogeschool of lerarenopleiding. Namen als
“Landelijke Kennistoets” en “LKT” worden uitsluitend beschrijvend gebruikt om
aan te geven waarvoor deze gids bedoeld is.
De officiële toetsgids, kennisbasis en toetshandreiking blijven altijd leidend. Deze
gids is een aanvulling daarop en biedt geen garantie op het behalen van de toets.
De inhoud is met zorg samengesteld, maar actuele gegevens (zoals namen van
premiers, presidenten en ministers) kunnen veranderen; dit is een
momentopname van juli 2026. Aan de inhoud kunnen geen rechten worden
ontleend. Fouten of verouderde gegevens gevonden? Laat het weten via
, dan verwerk ik het in een volgende versie.
© 2026. Alle rechten voorbehouden.
D E E L A · TA A L K U N D E
Woordsoorten (word classes / parts of
speech)
De bouwstenen van elke zin. Ken je deze woordsoorten, dan herken je later moeiteloos de
zinsdelen.
Noun — zelfstandig naamwoord
Een noun benoemt een persoon, ding, idee, eigenschap of toestand (anger, courage, life,
luck). Vaak staat er een article (lidwoord) voor: the dog, a dog, an apple.
Er zijn countable nouns (telbaar, enkelvoud + meervoud op -s: one girl, two girls) en
uncountable nouns (ontelbaar, altijd enkelvoudig werkwoord, geen a/an, geen -s: tea,
water, music, money, knowledge, news, traffic, research).
,Ezelsbrug: kun je er 'a/an' of een getal vóór zetten? Dan is het telbaar (a chair, three
chairs). Niet? Dan uncountable (information, niet 'an information').
Verb — werkwoord
Een verb beschrijft een actie, gebeurtenis, situatie of verandering: the dog sleeps, Maria
is watching television. Let op de -s bij de 3e persoon enkelvoud in de present simple:
he walks, she reads, it rains.
Adjective & Adverb
Een adjective (bijvoeglijk naamwoord) beschrijft een noun: an exciting adventure, a
green apple.
Een adverb (bijwoord) geeft info over een werkwoord, adjective of ander adverb en
maakt de betekenis sterker/zwakker. Veel adverbs eindigen op -ly: She nearly lost
everything; I really don't care. Sommige geven plaats (here, outside, upstairs) of tijd
(today, often, never, usually, always). Vergelijk: a quick runner (adjective, zegt iets over
'runner') vs she runs quickly (adverb, zegt iets over 'runs').
Pronoun & Preposition
Een pronoun vervangt een al bekend noun: Cindy left early because she was tired.
Personal pronouns: I, me, you, he, him, she, her, it, we, us, they, them. Possessive
pronouns: mine, yours, his, hers, its, ours, theirs.
Een preposition (voorzetsel) staat vóór een noun/pronoun: on, in, under, behind, over,
near, before — he sat on the chair.
Determiner & Exclamation
Een determiner introduceert een noun: the, a/an, every, this, those, many.
Demonstrative determiners (this/that/these/those) worden gevolgd door het noun (This
camera is mine); een demonstrative pronoun staat zélf op de plek van het onderwerp
(This is my camera). Possessive determiners (my, your, its, our, their) staan vóór een
noun; possessive pronouns (mine, yours…) staan meestal aan het eind en zonder noun
(the books are ours).
Een exclamation (uitroep/tussenwerpsel) drukt sterke emotie uit: Wow! Ouch! Oh no!
Conjunction — kort vooruitblikken
De laatste woordsoort is de conjunction (voegwoord): het verbindt woorden of zinsdelen
(and, but, because, if). Die krijgt een eigen hoofdstuk (g2), want er zijn drie soorten.
,OEFENVRAGEN
1. Welke rij bevat alleen uncountable nouns?
A. water, music, knowledge
B. apple, girl, table
C. dog, office, bottle
D. euro, minute, book
2. Kies het juiste type: “This is my camera” — hier is this een ___.
A. demonstrative pronoun
B. demonstrative determiner
C. possessive pronoun
D. adverb
3. “She sings beautifully.” Welke woordsoort is beautifully?
A. adjective
B. adverb
C. noun
D. preposition
, TOETSVRAGEN
1. “The brave firefighter saved a cat.” Welke woordsoort is brave?
A. adverb
B. adjective
C. noun
D. pronoun
2. “The cake is ___.” (bezit, aan het eind, zonder noun)
A. their
B. theirs
C. them
D. they
3. In “They travelled through the tunnel” is through een ___.
A. conjunction
B. preposition
C. adverb
D. determiner