Week 1 - De dimensies van macht
Vanaf pagina: 2 - Pluralist theory vs. Elite theory
- Typen politieke regimes
- Verzuiling
Week 2 - Verschillende kiesstelsels
Vanaf pagina: 12 - Wet van Duverger
- Anthony Downs
- Dealignment en realignment
Week 3 - Primordialisme
Vanaf pagina: 25 - Constructivisme
- Soorten nationalisme
- Rol staat t.o.v. religie
Week 4 - Majoritarian vs. Consensus
Vanaf pagina: 35 - Federalisme vs. eenheidsstaat
- Parlementair, presidentieel en semi
presidentieel
- Coalitievorming (minderheden en
meerderheden
Week 5 - De functies van het parlement
Vanaf pagina: 48 - Eén- versus tweekamerstelsels
- Rechten van het parlement
Week 6 N.V.T.
Vanaf pagina: 59 Deze week geen hoor- en
werkcollege
Week 7 - Sociale bewegingen en politiek
Vanaf pagina: 60 geweld
- The Dictator’s Dilemma
- Regimewisselingen
- Democratic Backsliding
Week 8 - Economische ontwikkelingen &
Vanaf pagina: 71 regimetypen
- Liberal Market Economies (LME)
- Coordinated Market Economies (CME)
- Welfare Nostalgia
=
aantekeninge
n
= paper
1
,Week 1
Macht, drie dimensies (Steven Lukes, 1974)
1) The ability of one person or group to get another person or group to do something
it otherwise would not do.
Nederlands: Het vermogen van een persoon of groep om een andere persoon
of groep iets te laten doen wat deze anders niet zou hebben gedaan.
2) The ability of one person or group to get another person or group to NOT do
something.
Nederlands: Het vermogen van een persoon of groep om een andere persoon
of groep iets niet te laten doen
3) The ability to shape individual or group political demands by causing people to
think about political issues in ways that may be contrary to their own interests.
Nederlands: Het vermogen om individuele of collectieve politieke eisen te
vormen door mensen over politieke kwesties te laten nadenken op manieren
die mogelijk strijdig zijn met hun eigen belangen
Vergelijkende politicologie
Wat is het?
Comparative politics: Een van de belangrijkste deelgebieden van de politicologie,
waarin de primaire focus ligt op het vergelijken van macht en besluitvorming tussen
verschillende landen.
De Afbakening (Wat is het níét?)
Om te begrijpen wat vergelijkende politicologie is, moet je weten waar de grens ligt met
andere subdisciplines:
- Niet Internationaal (IB): Het gaat niet over de relaties tussen landen (zoals
oorlog, diplomatie of wereldhandel).
- Niet Supranationaal (EUPP): Het gaat niet over politiek boven het nationale
niveau (zoals de Europese Unie).
Je kijkt niet naar de relatie tussen de landen, maar je behandelt elk land als een soort
laboratorium. Je onderzoekt hoe de "interne machine" van Land A werkt en zet die naast
de machine van Land B.
De Methode: Vergelijken
Vergelijken doe je niet zomaar; het moet systematisch gebeuren op twee assen:
- Ruimtelijk: Politieke fenomenen op meer dan één plek (bijvoorbeeld: kiesstelsels
in Nederland én Duitsland).
- Temporeel: Op meerdere momenten in de tijd (bijvoorbeeld: hoe veranderde de
macht van de vakbonden tussen 1950 en nu?).
Politics: Het proces waarbij menselijke gemeenschappen collectieve besluiten nemen.
Political science: De systematische studie van politiek en macht.
Het Doel
Het uiteindelijke doel is het bereiken van een algemeen begrip van politieke activiteit.
Je zoekt naar regels of wetmatigheden die niet uniek zijn voor één specifiek land, maar
die je kunt toepassen op een groot aantal cases.
Kernvraag: Waarom gedragen politieke systemen zich op een bepaalde manier onder
vergelijkbare omstandigheden?
2
,Drie centrale vragen in de politicologie
1) Wat kan politiek gedrag verklaren?
Belangen (Interests)
De focus ligt hier op wat mensen of groepen willen bereiken voor hun eigen gewin.
- Rationele Keuze Theorie (Rational Choice): Men gaat ervan uit dat mensen
rationele wezens zijn die hun eigen voordeel maximaliseren (kosten-
batenanalyse).
- Politieke Psychologie: Kijkt naar hoe individuele motivaties en persoonlijkheid
de zoektocht naar belangen beïnvloeden.
Kernvraag: "Wat levert deze beslissing mij of mijn achterban op?"
2. Overtuigingen (Beliefs)
Hier draait het om waarden, ideeën en identiteit. Gedrag komt voort uit wat men "juist" of
"normaal" vindt.
- Politieke Cultuur: De gedeelde waarden en normen binnen een samenleving
(bijvoorbeeld: de Nederlandse poldercultuur).
- Politieke Ideologie: Samenhangende stelsels van ideeën over hoe de
samenleving moet worden ingericht (bijvoorbeeld: liberalisme, socialisme).
Kernvraag: "Waar geloof ik in en wat is volgens mijn waarden de juiste weg?"
3. Structuren (Structures)
Deze benadering zegt dat niet het individu, maar de omgeving of de regels het gedrag
bepalen.
- Marxisme: De economische structuur (wie heeft het kapitaal?) bepaalt de
politiek.
- Institutionalisme: De regels van het spel (de wetten, de grondwet, tradities)
dwingen mensen in een bepaalde richting.
o Rational Choice Institutionalism: Regels beïnvloeden de kosten-
batenanalyse.
o Historical Institutionalism: Beslissingen uit het verleden bepalen het pad
voor de toekomst (path dependency).
Kernvraag: "In welk systeem bevind ik me en welke regels beperken mijn keuzes?"
2) Wie regeert?
Pluralistische Theorie (Pluralism)
Deze theorie gaat uit van een optimistisch en democratisch beeld van macht.
- Kern: Macht is versnipperd over veel verschillende groepen (vakbonden,
bedrijven, kerken, actiegroepen).
- Geen monopolie: Geen enkele groep is de baas over alles. De ene groep wint op
het gebied van milieu, de andere op het gebied van economie.
- Compromis: Omdat iedereen een beetje macht heeft, moet men voortdurend
onderhandelen. Macht is dus nooit permanent.
Elite-theorie (Elite Theory)
Deze theorie stelt dat de democratie eigenlijk een schijnvertoning is en dat een kleine
minderheid de werkelijke macht heeft.
- Kern: Elke samenleving wordt geregeerd door een elite. De rest van de bevolking
heeft weinig tot geen invloed.
- Verschillende invalshoeken: Afhankelijk van de stroming, wordt de "elite"
anders gedefinieerd:
o Marxisme: De rijken/kapitaalbezitters zijn de elite.
o Patriarchaat: Mannen vormen de dominante groep.
o Kritische Rastheorie: Een specifieke etnische groep heeft de macht.
o Randstad-platteland: In Nederland zie je dit vaak terug in de stelling dat
de mensen in de Randstad (de elite) alles bepalen voor de rest van het
land.
3
, 3) Waar en waarom doet bepaald politiek gedrag zich voor?
De moderne staat
Staat: Een permanent administratief apparaat dat wetten ontwerpt en beheert, en
publiek beleid genereert en uitvoert binnen een specifiek territorium.
Kenmerken
1. Territorium: een gebied met duidelijk gedefinieerde grenzen waar een staat
aanspraak op maakt.
2. Externe Soevereiniteit: soevereiniteit ten opzichte van machten van buitenaf,
die juridisch wordt erkend in het internationaal recht. je bent niet in hoge mate
afhankelijk van een andere macht.
Interne Soevereiniteit: De enige autoriteit binnen een territorium die in staat is
om wetten en beleid te maken en af te dwingen
3. Legitimiteit: gaat over het erkennen van gezag, d.w.z. het recht van de overheid
om beslissingen te nemen
Traditionele Legitimiteit (Traditional Legitimacy)
Vertaling: "Het recht om te regeren op basis van de langdurige patronen en praktijken
van een samenleving."
- Kern: "We doen het zo, omdat we het altijd zo gedaan hebben."
- Voorbeeld: Erfopvolging in een monarchie (zoals de koning van Saoedi-Arabië of
historisch de ridders en graven).
Charismatische Legitimiteit (Charismatic Legitimacy)
Vertaling: "Het recht om te regeren op basis van persoonlijke deugd, heldhaftigheid,
heiligheid of andere buitengewone kenmerken."
- Kern: De macht komt voort uit de unieke persoonlijkheid van de leider. Mensen
volgen de persoon, niet de wet of de traditie.
- Voorbeeld: Revolutie-leiders zoals Fidel Castro, of morele leiders zoals Mahatma
Gandhi.
Rationeel-Juridische Legitimiteit (Rational-Legal Legitimacy)
Vertaling: "Het recht van leiders om te regeren op basis van hun selectie volgens een
geaccepteerde set wetten, normen of procedures."
- Kern: De macht zit in het ambt, niet in de persoon. De leider is gekozen of
benoemd volgens de regels (bijv. verkiezingen).
- Voorbeeld: De minister-president van Nederland of de president van de VS. Als
hun termijn erop zit, verliezen ze hun macht omdat de wet dat zegt.
4. Bureaucracie: Een grote groep benoemde functionarissen (ambtenaren) wiens
functie het is om de wetten van de staat te implementeren, zoals aangestuurd
door de uitvoerende macht.
Kenmerken:
a. Benoemd, niet gekozen: Ze zijn aangenomen op basis van expertise.
b. Hiërarchisch: Er is een duidelijke rangorde.
c. Onpersoonlijk: Regels worden (in theorie) voor iedereen op dezelfde manier
toegepast.
Rol: Zonder de bureaucracie is de staat een "hoofd zonder lichaam". De politiek (het
hoofd) bedenkt de wetten, de bureaucracie (het lichaam) voert ze uit.
Relatie staat-burgers
4