Rechtsfilosofie
Aantekeningen hoorcollege
HC 1: recht en rechtvaardigheid (verhouding recht en moraliteit)
>>>> Programma week 1:
Deze week staat de verhouding tussen het recht en moraliteit centraal, met name het vraagstuk van
wettelijk onrecht. Dit vraagstuk ziet op de situatie waarin wetten zelf immoreel of onrechtvaardig zijn.
In het kader hiervan worden de volgende vragen gesteld: zijn onrechtvaardige wetten te beschouwen
als geldend recht? Dient de rechter het beroep van burgers op dergelijke wetten te honoreren? Zijn
die wetten überhaupt als recht aan te merken? Deze vragen worden beantwoord aan de hand van de
casus Puttfarken, waarover een drietal filosofen (Radbruch, Hart en Fuller) hun visie hebben geuit.
>>>> Casus van Puttfarken:
Puttfarken had tijdens de naziperiode in Duitsland Göttig aangegeven bij de autoriteiten, omdat Göttig
op de muur van het toilet had geschreven: “Hitler is een massamoordenaar en hij heeft schuld aan de
oorlog”. Göttig werd vervolgens ter dood veroordeeld door de nazirechtbank en geëxecuteerd wegens
hoogverraad. Na de oorlog (na de val van het naziregime) werd Puttfarken echter zelf aangeklaagd
wegens moord (subsidiair medeplichtigheid aan moord) op Göttig. Dus, de aangever wordt vervolgd
wegens moord.
- De Officier van Justitie stelde dat Puttfarken, door Göttig aan te geven bij het regime wegens
hoogverraad, Göttig had blootgesteld aan een politiek proces waarin hij onherroepelijk ter
dood zou worden veroordeeld.
- De advocaten van Puttfarken stelden dat hij niet schuldig was aan moord, omdat:
(1) Hij handelde op grond van een destijds geldende rechtsplicht;
• Er was in de naziperiode een wet die hoogverraad verbood en die wet stelde expliciet
dat het beledigen van de politieke leiding van de nazipartij gelijkstond aan
hoogverraad. Puttfarken had op basis van deze geldende wet gehandeld, waardoor hij
een rechtsplicht had om Göttig aan te geven en daarom niet schuldig was aan moord.
(2) Niet Puttfarken maar de nazi-rechtbank is verantwoordelijk voor de dood van Göttig.
• Ook als Göttig ten onrechte zou zijn geëxecuteerd zou niet Puttfarken daar schuld aan
hebben, maar de nazirechtbank die Göttig ter dood heeft veroordeeld.
- De rechter buigt zich over de vraag of Puttfarken veroordeeld dient te worden wegens moord.
De rechtbank komt tot de conclusie dat Puttfarken inderdaad medeplichtig is aan de moord
op Göttig, want ook in de nazitijd had Puttfarken geen juridische plicht om Göttig aan de
autoriteiten aan te geven. Er was immers geen sprake van hoogverraad door Göttig, want hij
had slechts de waarheid geschreven op de muur over Hitler. Bovendien stelt de rechtbank dat
Puttfarken wist (of in elk geval had moeten weten) dat hij door Göttig aan te geven bij de
autoriteiten, hem blootstelde aan een politiek proces zonder enige juridische garanties voor
de verdachte en een proces waarin op voorhand vaststond dat hij onherroepelijk ter dood zou
worden veroordeeld.
o Dit oordeel van de rechtbank impliceert het volgende:
• De wetten van de nazi’s waren ongeldig of althans, dat Puttfarken zich niet succesvol
kan beroepen op die wetten.
1
, • De rechters van de nazirechtbank, die Göttig ter dood hebben veroordeeld, waren zelf
schuldig aan moord door een onrechtvaardige wet toe te passen.
Bovenstaande uiteenzetting van feiten raakt aan het vraagstuk van wettelijk onrecht. Het gaat daar
vooral om de vraag of de rechter een beroep door burgers op zeer onrechtvaardige wetten uit verleden
(zoals: wetten uit de naziperiode) moet honoreren.
- De rechtbank zegt in dit geval dat de wet waarop Puttfarken zich beroept niet als geldend kan
worden erkend, waardoor Puttfarken medeplichtig is aan moord op Göttig. Het oordeel van
de rechtbank impliceert dat de wet in geval van extreem ‘wettelijk onrecht’ buiten toepassing
moet blijven, want in dat geval dient het belang van rechtszekerheid (ofwel strikte toepassing
van de wet) te wijken voor het hogere belang van rechtvaardigheid.
Denkwijze 1 – Radbruch:
1.1 Algemene informatie
Radbruch was voor de Tweede Wereldoorlog al een invloedrijke rechtsfilosoof en hoogleraar, maar
zijn liberale gedachtegoed viel in ongenade bij de nazi’s. Hij publiceert na de Tweede Wereldoorlog en
de val van het naziregime in 1946 ‘Wettelijk onrecht en bovenwettelijk recht’.
- Voor 1945: Radbruch constateert dat ten tijde van het naziregime in Duitsland de stroming van
het wetspositivisme dominant was. De gelding van wetten hangt af van formele kenmerken
(bijvoorbeeld: uitgevaardigd door een bevoegde instantie, op juiste wijze bekendgemaakt,
etc.) en dergelijke formaliteiten zijn doorslaggevend voor de vraag of de wet geldend is. Als
een wet aan de formele kenmerken voldoet, dan is het een geldende wet, ongeacht de inhoud
of (im)moraliteit van de wet. De consequentie hiervan is dat ook onrechtvaardige/immorele
wetten geldend kunnen zijn, omdat dit de waarde van rechtszekerheid dient.
o Deze stroming/mentaliteit had Duitse juristen, advocaten, officieren en rechters weerloos
gemaakt ten opzichte van het naziregime en de bijbehorende naziwetten, want vanwege
de wetspositivistische benadering waren zij gewend wetten strikt toe te passen zonder de
moraliteit van de inhoud van die wetten zelfstandig te beoordelen.
- Na 1945: Radbruch verwerpt het wetspositivisme en hij bepleit een heel andere benadering
van het recht, namelijk een natuurrechtelijke benadering van het recht. De gelding van wetten
hangt niet af van formele kenmerken, maar het hangt af van fundamentele rechtsbeginselen
die samenhangen met de menselijke natuur zelf (bijvoorbeeld: het recht op zelfbehoud). De
consequentie hiervan is dat indien wetten in strijd komen met deze beginselen, dan is het
positieve recht niet verbindend en dient zij niet door de rechter te worden toegepast.
o Radbruch concludeerde na de Tweede Wereldoorlog, gezien de ervaring met nazirecht,
dat het wetspositivisme moest worden ingeruild voor een natuurrechtelijke benadering,
waarbij men de plicht heeft om na te gaan of een wet in lijn is met fundamentele
rechtsbeginselen alvorens de wet te verklaren tot geldende wet.
1.2 Formule van Radbruch
Volgens Radbruch liggen in het recht altijd drie beginselen besloten: doelmatigheid (het recht moet
bepaalde publieke belangen effectief dienen), rechtszekerheid (het recht moet voorspelbaar zijn) en
rechtvaardigheid (het recht dient gelijke gevallen gelijk te behandelen en ongelijke gevallen ongelijk
te behandelen). In het normale geval heeft rechtszekerheid (strikte toepassing van de wet) voorrang
boven doelmatigheid en rechtvaardigheid, want rechtszekerheid draagt bij aan die andere beginselen.
2
,Dit heeft tot gevolg dat een wet die maar een beetje rechtvaardig is wel moet worden toegepast.
Echter, in geval van extreem wettelijk onrecht heeft rechtvaardigheid voorrang boven rechtszekerheid
en doelmatigheid, want die beginselen zijn betekenisloos zonder enige vorm van rechtvaardigheid.
- Radbruch stelt een formule op die juristen kan helpen bij de vraag of ze een beroep op wetten
– die onrechtvaardig zijn – moeten honoreren. Deze formule ten aanzien van de verhouding
tussen rechtszekerheid en rechtvaardigheid luidt: “Het conflict tussen rechtvaardigheid en
rechtszekerheid zou zo kunnen worden opgelost dat het positieve door wetgeving en macht
gegarandeerde recht ook dan voorrang heeft als zijn inhoud onrechtvaardig of ondoelmatig is,
tenzij het conflict tussen wet en rechtvaardigheid zo’n mate van onverdraaglijkheid bereikt,
dat de wet als ‘onjuist recht’ moet wijken voor de rechtvaardigheid” (p. 7).
o In het normale geval gaat rechtszekerheid voor op doelmatigheid en rechtvaardigheid, en
dat betekent dus dat in het normale geval ook onrechtvaardige wetten dienen te worden
toegepast, tenzij het conflict tussen de wet en de rechtvaardigheid onverdraaglijk groot is
geworden. In dat geval moet de wet (en het beginsel van rechtszekerheid) wijken voor het
hogere beginsel van rechtvaardigheid. Dus, er geldt wel een uitzondering in het geval er
sprake is van extreem wettelijk onrecht, want in dat concrete geval heeft rechtvaardigheid
voorrang boven doelmatigheid en rechtszekerheid.
• Hieruit volgt het criterium van ondraaglijkheid (het ‘ondraaglijkheidscriterium’): als
het conflict tussen de wet en rechtvaardigheid onverdraaglijk groot is geworden, dan
moet de rechter de wet buiten toepassing laten in het concrete geval en het geweten
van de rechter lijkt hierbij doorslaggevend. Immers, onverdraaglijkheid is een
subjectief criterium.
- Radbruch vult zijn formule aan met een specifieker criterium om de verhouding tussen
rechtszekerheid en rechtvaardigheid te bepalen. In sommige gevallen zijn positieve wetten
zelfs zo onrechtvaardig, dat ze ieder juridisch karakter ontberen en überhaupt niet als recht
kunnen worden aangemerkt: “Waar de rechtvaardigheid zelfs niet wordt nagestreefd, waar de
gelijkheid – die de kern uitmaakt van de rechtvaardigheid – bij de uitvaardiging van het
positieve recht bewust wordt ontkend, daar is de wet niet slechts ‘onjuist recht’, maar ontbeert
zij überhaupt een juridisch karakter” (p. 7).
o Als de wet bewust ingaat tegen rechtvaardigheid, dan is die wet überhaupt geen geldige
wet en dient de wet in alle gevallen buiten toepassing gelaten te worden. Dus, als de
wetgever bij de uitvaardiging van de wet gelijkheid als kern van rechtvaardigheid bewust
heeft willen ontkennen, dan is de wet überhaupt geen geldend recht en dient de wet in
alle gevallen buiten toepassing gelaten te worden.
• Hieruit volgt het criterium van ‘bewuste ontkenning van gelijkheid (als kern van
rechtvaardigheid)’.
- In het normale geval: wetten zijn geldend en dienen strikt te worden toegepast, ook als zij
onrechtvaardig zijn, TENZIJ…
o … er een onverdraaglijk conflict bestaat tussen de wet en rechtvaardigheid aangezien de
wet dan in het concrete geval buiten toepassing gelaten dient te worden.
OF
o … er sprake is van een bewuste ontkenning van gelijkheid aangezien de wet dan in alle
gevallen buiten toepassing gelaten dient te worden.
3
, 1.3 Conclusie met betrekking tot nazirecht
Radbruch komt tot de conclusie dat een groot deel van de wetten van de nazi’s niet als wetten/recht
zijn te kenmerken, want zij ontberen een juridisch karakter, omdat zij bewust zijn gericht tegen
gelijkheid. “Van meet af aan was de bewuste doelstelling van het nationaalsocialistische recht om zich
te bevrijden van een essentiële voorwaarde van rechtvaardigheid, namelijk de gelijke behandeling van
gelijken. Het ontbeert daarom ten enenmale een juridisch karakter: het is niet slechts mislukt recht,
maar helemaal geen recht” (p. 8).
- Radbruch noemt de volgende drie voorbeelden van categorieën wetten die ingaan tegen
gelijkheid als kern van rechtvaardigheid en daarom een juridisch karakter ontberen, namelijk:
(1) wetten die bepaalde groepen menselijke waardigheid en/of gelijke rechten ontzeggen, (2)
wetten die de suprematie van de NSDAP claimen en (3) wetten die dezelfde zware straf
voorschrijven voor uiteenlopende delicten qua ernst, waardoor het gelijkheidsbeginsel wordt
geschonden.
→ TOELICHTING: op basis van deze redenen kan Puttfarken zich niet beroepen op de
desbetreffende naziwet, volgens Radbruch.
Denkwijze 2 – Hart:
1.1 Algemene informatie
Hart verdedigt een positie die lijnrecht tegenover de positie van Radbruch staat, want laatstgenoemde
verdedigt een natuurrechtelijke positie (namelijk: als de wet in strijd is met een hogere norm van
rechtvaardigheid verliest het zijn gelding) en Hart hangt het rechtspositivisme aan (namelijk: er moet
een onderscheid gemaakt worden tussen recht en moraliteit). Hart levert in The Concept of Law kritiek
op de denkwijze van Radbruch.
- Hart wijst erop dat de juridische gelding van het nazirecht losstaat van een moreel oordeel
over de inhoud van de wetten: de naziwetten waren moreel verwerpelijk, maar wel geldend
recht. Hij maakt onderscheid tussen recht en moraliteit in het kader van het rechtspositivisme.
Hij stelt namelijk dat de wetten van de nazi’s weliswaar verwerpelijk waren, maar toch gelding
hadden aangezien ze voldoen aan rechtspositivistische kenmerken.
- De centrale claim van Hart is dat er geen noodzakelijk verband is tussen recht en moraliteit.
Hij beweert echter niet dat er geen enkel verband is tussen recht en moraliteit, want dit kan
wel bestaan maar het verband is niet noodzakelijk en dat betekent dat het recht wel geldend
kan zijn als er geen morele waarden tot uitdrukking worden gebracht. Hierdoor kunnen ook
onrechtvaardige wetten geldend zijn.
- Hart bekritiseert ook het normatieve natuurrecht (o.a. uit de denkwijze van Radbruch), want
hij is van mening dat uit een ‘zijn’ (menselijke natuur) geen ‘behoren’ (rechtsregels die behoren
te gelden) kan worden afgeleid. In plaats daarvan probeert hij een ander type van natuurrecht
te ontwikkelen, namelijk het minimale natuurrecht dat geen enkele normatieve pretentie
meer heeft en slechts een verklarende/beschrijvende waarde heeft (bijvoorbeeld: het feit dat
in de meeste rechtsordes een geweldverbod bestaat, kan verklaard worden vanuit het feit dat
mensen kwetsbare wezens zijn. Dit maakt echter niet dat het geweldsverbod noodzakelijk is
en moet behoren te gelden jegens eenieder).
o De inhoud van het natuurrecht is niet noodzakelijk: de menselijke natuur is contingent (het
had anders kunnen zijn) en daarom is de inhoud van het natuurrecht dit ook. Hij sluit dan
ook niet uit dat bepaalde waarden overbodig worden als de mens evolueert. Het bestaan
van het natuurrecht impliceert niet dat dit recht jegens iedereen in acht wordt genomen.
4
Aantekeningen hoorcollege
HC 1: recht en rechtvaardigheid (verhouding recht en moraliteit)
>>>> Programma week 1:
Deze week staat de verhouding tussen het recht en moraliteit centraal, met name het vraagstuk van
wettelijk onrecht. Dit vraagstuk ziet op de situatie waarin wetten zelf immoreel of onrechtvaardig zijn.
In het kader hiervan worden de volgende vragen gesteld: zijn onrechtvaardige wetten te beschouwen
als geldend recht? Dient de rechter het beroep van burgers op dergelijke wetten te honoreren? Zijn
die wetten überhaupt als recht aan te merken? Deze vragen worden beantwoord aan de hand van de
casus Puttfarken, waarover een drietal filosofen (Radbruch, Hart en Fuller) hun visie hebben geuit.
>>>> Casus van Puttfarken:
Puttfarken had tijdens de naziperiode in Duitsland Göttig aangegeven bij de autoriteiten, omdat Göttig
op de muur van het toilet had geschreven: “Hitler is een massamoordenaar en hij heeft schuld aan de
oorlog”. Göttig werd vervolgens ter dood veroordeeld door de nazirechtbank en geëxecuteerd wegens
hoogverraad. Na de oorlog (na de val van het naziregime) werd Puttfarken echter zelf aangeklaagd
wegens moord (subsidiair medeplichtigheid aan moord) op Göttig. Dus, de aangever wordt vervolgd
wegens moord.
- De Officier van Justitie stelde dat Puttfarken, door Göttig aan te geven bij het regime wegens
hoogverraad, Göttig had blootgesteld aan een politiek proces waarin hij onherroepelijk ter
dood zou worden veroordeeld.
- De advocaten van Puttfarken stelden dat hij niet schuldig was aan moord, omdat:
(1) Hij handelde op grond van een destijds geldende rechtsplicht;
• Er was in de naziperiode een wet die hoogverraad verbood en die wet stelde expliciet
dat het beledigen van de politieke leiding van de nazipartij gelijkstond aan
hoogverraad. Puttfarken had op basis van deze geldende wet gehandeld, waardoor hij
een rechtsplicht had om Göttig aan te geven en daarom niet schuldig was aan moord.
(2) Niet Puttfarken maar de nazi-rechtbank is verantwoordelijk voor de dood van Göttig.
• Ook als Göttig ten onrechte zou zijn geëxecuteerd zou niet Puttfarken daar schuld aan
hebben, maar de nazirechtbank die Göttig ter dood heeft veroordeeld.
- De rechter buigt zich over de vraag of Puttfarken veroordeeld dient te worden wegens moord.
De rechtbank komt tot de conclusie dat Puttfarken inderdaad medeplichtig is aan de moord
op Göttig, want ook in de nazitijd had Puttfarken geen juridische plicht om Göttig aan de
autoriteiten aan te geven. Er was immers geen sprake van hoogverraad door Göttig, want hij
had slechts de waarheid geschreven op de muur over Hitler. Bovendien stelt de rechtbank dat
Puttfarken wist (of in elk geval had moeten weten) dat hij door Göttig aan te geven bij de
autoriteiten, hem blootstelde aan een politiek proces zonder enige juridische garanties voor
de verdachte en een proces waarin op voorhand vaststond dat hij onherroepelijk ter dood zou
worden veroordeeld.
o Dit oordeel van de rechtbank impliceert het volgende:
• De wetten van de nazi’s waren ongeldig of althans, dat Puttfarken zich niet succesvol
kan beroepen op die wetten.
1
, • De rechters van de nazirechtbank, die Göttig ter dood hebben veroordeeld, waren zelf
schuldig aan moord door een onrechtvaardige wet toe te passen.
Bovenstaande uiteenzetting van feiten raakt aan het vraagstuk van wettelijk onrecht. Het gaat daar
vooral om de vraag of de rechter een beroep door burgers op zeer onrechtvaardige wetten uit verleden
(zoals: wetten uit de naziperiode) moet honoreren.
- De rechtbank zegt in dit geval dat de wet waarop Puttfarken zich beroept niet als geldend kan
worden erkend, waardoor Puttfarken medeplichtig is aan moord op Göttig. Het oordeel van
de rechtbank impliceert dat de wet in geval van extreem ‘wettelijk onrecht’ buiten toepassing
moet blijven, want in dat geval dient het belang van rechtszekerheid (ofwel strikte toepassing
van de wet) te wijken voor het hogere belang van rechtvaardigheid.
Denkwijze 1 – Radbruch:
1.1 Algemene informatie
Radbruch was voor de Tweede Wereldoorlog al een invloedrijke rechtsfilosoof en hoogleraar, maar
zijn liberale gedachtegoed viel in ongenade bij de nazi’s. Hij publiceert na de Tweede Wereldoorlog en
de val van het naziregime in 1946 ‘Wettelijk onrecht en bovenwettelijk recht’.
- Voor 1945: Radbruch constateert dat ten tijde van het naziregime in Duitsland de stroming van
het wetspositivisme dominant was. De gelding van wetten hangt af van formele kenmerken
(bijvoorbeeld: uitgevaardigd door een bevoegde instantie, op juiste wijze bekendgemaakt,
etc.) en dergelijke formaliteiten zijn doorslaggevend voor de vraag of de wet geldend is. Als
een wet aan de formele kenmerken voldoet, dan is het een geldende wet, ongeacht de inhoud
of (im)moraliteit van de wet. De consequentie hiervan is dat ook onrechtvaardige/immorele
wetten geldend kunnen zijn, omdat dit de waarde van rechtszekerheid dient.
o Deze stroming/mentaliteit had Duitse juristen, advocaten, officieren en rechters weerloos
gemaakt ten opzichte van het naziregime en de bijbehorende naziwetten, want vanwege
de wetspositivistische benadering waren zij gewend wetten strikt toe te passen zonder de
moraliteit van de inhoud van die wetten zelfstandig te beoordelen.
- Na 1945: Radbruch verwerpt het wetspositivisme en hij bepleit een heel andere benadering
van het recht, namelijk een natuurrechtelijke benadering van het recht. De gelding van wetten
hangt niet af van formele kenmerken, maar het hangt af van fundamentele rechtsbeginselen
die samenhangen met de menselijke natuur zelf (bijvoorbeeld: het recht op zelfbehoud). De
consequentie hiervan is dat indien wetten in strijd komen met deze beginselen, dan is het
positieve recht niet verbindend en dient zij niet door de rechter te worden toegepast.
o Radbruch concludeerde na de Tweede Wereldoorlog, gezien de ervaring met nazirecht,
dat het wetspositivisme moest worden ingeruild voor een natuurrechtelijke benadering,
waarbij men de plicht heeft om na te gaan of een wet in lijn is met fundamentele
rechtsbeginselen alvorens de wet te verklaren tot geldende wet.
1.2 Formule van Radbruch
Volgens Radbruch liggen in het recht altijd drie beginselen besloten: doelmatigheid (het recht moet
bepaalde publieke belangen effectief dienen), rechtszekerheid (het recht moet voorspelbaar zijn) en
rechtvaardigheid (het recht dient gelijke gevallen gelijk te behandelen en ongelijke gevallen ongelijk
te behandelen). In het normale geval heeft rechtszekerheid (strikte toepassing van de wet) voorrang
boven doelmatigheid en rechtvaardigheid, want rechtszekerheid draagt bij aan die andere beginselen.
2
,Dit heeft tot gevolg dat een wet die maar een beetje rechtvaardig is wel moet worden toegepast.
Echter, in geval van extreem wettelijk onrecht heeft rechtvaardigheid voorrang boven rechtszekerheid
en doelmatigheid, want die beginselen zijn betekenisloos zonder enige vorm van rechtvaardigheid.
- Radbruch stelt een formule op die juristen kan helpen bij de vraag of ze een beroep op wetten
– die onrechtvaardig zijn – moeten honoreren. Deze formule ten aanzien van de verhouding
tussen rechtszekerheid en rechtvaardigheid luidt: “Het conflict tussen rechtvaardigheid en
rechtszekerheid zou zo kunnen worden opgelost dat het positieve door wetgeving en macht
gegarandeerde recht ook dan voorrang heeft als zijn inhoud onrechtvaardig of ondoelmatig is,
tenzij het conflict tussen wet en rechtvaardigheid zo’n mate van onverdraaglijkheid bereikt,
dat de wet als ‘onjuist recht’ moet wijken voor de rechtvaardigheid” (p. 7).
o In het normale geval gaat rechtszekerheid voor op doelmatigheid en rechtvaardigheid, en
dat betekent dus dat in het normale geval ook onrechtvaardige wetten dienen te worden
toegepast, tenzij het conflict tussen de wet en de rechtvaardigheid onverdraaglijk groot is
geworden. In dat geval moet de wet (en het beginsel van rechtszekerheid) wijken voor het
hogere beginsel van rechtvaardigheid. Dus, er geldt wel een uitzondering in het geval er
sprake is van extreem wettelijk onrecht, want in dat concrete geval heeft rechtvaardigheid
voorrang boven doelmatigheid en rechtszekerheid.
• Hieruit volgt het criterium van ondraaglijkheid (het ‘ondraaglijkheidscriterium’): als
het conflict tussen de wet en rechtvaardigheid onverdraaglijk groot is geworden, dan
moet de rechter de wet buiten toepassing laten in het concrete geval en het geweten
van de rechter lijkt hierbij doorslaggevend. Immers, onverdraaglijkheid is een
subjectief criterium.
- Radbruch vult zijn formule aan met een specifieker criterium om de verhouding tussen
rechtszekerheid en rechtvaardigheid te bepalen. In sommige gevallen zijn positieve wetten
zelfs zo onrechtvaardig, dat ze ieder juridisch karakter ontberen en überhaupt niet als recht
kunnen worden aangemerkt: “Waar de rechtvaardigheid zelfs niet wordt nagestreefd, waar de
gelijkheid – die de kern uitmaakt van de rechtvaardigheid – bij de uitvaardiging van het
positieve recht bewust wordt ontkend, daar is de wet niet slechts ‘onjuist recht’, maar ontbeert
zij überhaupt een juridisch karakter” (p. 7).
o Als de wet bewust ingaat tegen rechtvaardigheid, dan is die wet überhaupt geen geldige
wet en dient de wet in alle gevallen buiten toepassing gelaten te worden. Dus, als de
wetgever bij de uitvaardiging van de wet gelijkheid als kern van rechtvaardigheid bewust
heeft willen ontkennen, dan is de wet überhaupt geen geldend recht en dient de wet in
alle gevallen buiten toepassing gelaten te worden.
• Hieruit volgt het criterium van ‘bewuste ontkenning van gelijkheid (als kern van
rechtvaardigheid)’.
- In het normale geval: wetten zijn geldend en dienen strikt te worden toegepast, ook als zij
onrechtvaardig zijn, TENZIJ…
o … er een onverdraaglijk conflict bestaat tussen de wet en rechtvaardigheid aangezien de
wet dan in het concrete geval buiten toepassing gelaten dient te worden.
OF
o … er sprake is van een bewuste ontkenning van gelijkheid aangezien de wet dan in alle
gevallen buiten toepassing gelaten dient te worden.
3
, 1.3 Conclusie met betrekking tot nazirecht
Radbruch komt tot de conclusie dat een groot deel van de wetten van de nazi’s niet als wetten/recht
zijn te kenmerken, want zij ontberen een juridisch karakter, omdat zij bewust zijn gericht tegen
gelijkheid. “Van meet af aan was de bewuste doelstelling van het nationaalsocialistische recht om zich
te bevrijden van een essentiële voorwaarde van rechtvaardigheid, namelijk de gelijke behandeling van
gelijken. Het ontbeert daarom ten enenmale een juridisch karakter: het is niet slechts mislukt recht,
maar helemaal geen recht” (p. 8).
- Radbruch noemt de volgende drie voorbeelden van categorieën wetten die ingaan tegen
gelijkheid als kern van rechtvaardigheid en daarom een juridisch karakter ontberen, namelijk:
(1) wetten die bepaalde groepen menselijke waardigheid en/of gelijke rechten ontzeggen, (2)
wetten die de suprematie van de NSDAP claimen en (3) wetten die dezelfde zware straf
voorschrijven voor uiteenlopende delicten qua ernst, waardoor het gelijkheidsbeginsel wordt
geschonden.
→ TOELICHTING: op basis van deze redenen kan Puttfarken zich niet beroepen op de
desbetreffende naziwet, volgens Radbruch.
Denkwijze 2 – Hart:
1.1 Algemene informatie
Hart verdedigt een positie die lijnrecht tegenover de positie van Radbruch staat, want laatstgenoemde
verdedigt een natuurrechtelijke positie (namelijk: als de wet in strijd is met een hogere norm van
rechtvaardigheid verliest het zijn gelding) en Hart hangt het rechtspositivisme aan (namelijk: er moet
een onderscheid gemaakt worden tussen recht en moraliteit). Hart levert in The Concept of Law kritiek
op de denkwijze van Radbruch.
- Hart wijst erop dat de juridische gelding van het nazirecht losstaat van een moreel oordeel
over de inhoud van de wetten: de naziwetten waren moreel verwerpelijk, maar wel geldend
recht. Hij maakt onderscheid tussen recht en moraliteit in het kader van het rechtspositivisme.
Hij stelt namelijk dat de wetten van de nazi’s weliswaar verwerpelijk waren, maar toch gelding
hadden aangezien ze voldoen aan rechtspositivistische kenmerken.
- De centrale claim van Hart is dat er geen noodzakelijk verband is tussen recht en moraliteit.
Hij beweert echter niet dat er geen enkel verband is tussen recht en moraliteit, want dit kan
wel bestaan maar het verband is niet noodzakelijk en dat betekent dat het recht wel geldend
kan zijn als er geen morele waarden tot uitdrukking worden gebracht. Hierdoor kunnen ook
onrechtvaardige wetten geldend zijn.
- Hart bekritiseert ook het normatieve natuurrecht (o.a. uit de denkwijze van Radbruch), want
hij is van mening dat uit een ‘zijn’ (menselijke natuur) geen ‘behoren’ (rechtsregels die behoren
te gelden) kan worden afgeleid. In plaats daarvan probeert hij een ander type van natuurrecht
te ontwikkelen, namelijk het minimale natuurrecht dat geen enkele normatieve pretentie
meer heeft en slechts een verklarende/beschrijvende waarde heeft (bijvoorbeeld: het feit dat
in de meeste rechtsordes een geweldverbod bestaat, kan verklaard worden vanuit het feit dat
mensen kwetsbare wezens zijn. Dit maakt echter niet dat het geweldsverbod noodzakelijk is
en moet behoren te gelden jegens eenieder).
o De inhoud van het natuurrecht is niet noodzakelijk: de menselijke natuur is contingent (het
had anders kunnen zijn) en daarom is de inhoud van het natuurrecht dit ook. Hij sluit dan
ook niet uit dat bepaalde waarden overbodig worden als de mens evolueert. Het bestaan
van het natuurrecht impliceert niet dat dit recht jegens iedereen in acht wordt genomen.
4