Privaatrecht
BW bestaat uit 10 boeken:
1. Personen- en familierecht
2. Rechtspersonen
3. Vermogensrecht in het algemeen
4. Erfrecht
5. Zakelijke rechten (zoals eigendom)
6. Algemeen verbintenissenrecht
7. Bijzondere overeenkomsten (zoals koop, huur)
7A. Aanvullende bepalingen
8. Vervoer (wordt niet behandeld)
9. Intellectueel eigendom (nog niet in werking getreden)
10. Internationaal privaatrecht (wordt niet behandeld)
De meeste wetsartikelen bestaan uit twee delen
1. Voorwaarden: de situatie waarin de regel geldt (bv indien, als of wanneer)
2. Rechtsgevolg: wat er gebeurt als aan die voorwaarden is voldaan (bv dan is, moet of kan)
Voorbeeld: art. 3:84 lid 1 BW
Uitleg:
Voorwaarden: levering + geldige titel + beschikkingsbevoegdheid
Rechtsgevolg: als aan deze drie voorwaarden is voldaan is de overdracht geldig
Cumulatieve of alternatieve voorwaarden?
Cumulatieve: alles moet gelden -> signaalwoord en
Alternatieve: een is genoeg -> signaalwoord of
Belangrijke woorden:
Woord Betekenis Juridisch gevolg
Moet Verplichting Het is verplicht, geen keuze
Mag Bevoegdheid Je hebt toestemming, geen plicht
Kan Bevoegdheid Het is optioneel, afhankelijk van situatie
Juridische denktrap:
Feiten – Wat is er precies gebeurd?
Wie zijn de betrokken partijen?
Wat is er afgesproken of gebeurd?
Rechtsregel – Welke wettelijke regel hoort hierbij?
Zoek in het BW of in andere bronnen.
Toepassing – Wat betekent die regel in dit geval?
Pas de wet toe op de feiten.
Conclusie – Wat is het juridische gevolg?
Wie heeft gelijk? Wat moet er gebeuren
,A.1.1 … legt uit wat het begrip 'recht' inhoudt. (K)
De regels die we met elkaar hebben afgesproken zodat iedereen weet
wat wel en niet mag in het land. Het zorgt voor orde en veiligheid.
A.1.2 … legt uit welke functies het recht in de samenleving heeft. (B)
1. Het zorgt voor orde en duidelijkheid
2. Afdwingbaarheid van afspraken
3. Bescherming van zwakkeren
4. Oplossen van conflicten
A.2.1 … noemt de verschillende rechtsbronnen. (K)
1. De wet → regels in BW, Grondwet, bijzondere wetten.
2. Verdragen → afspraken tussen staten (EVRM, VWEU).
3. Jurisprudentie → uitspraken rechters, m.n. Hoge Raad.
4. Gewoonte → vaste gebruiken met rechtsgevoel.
5. Rechtswetenschap → literatuur en commentaren.
A.2.2 … beschrijft hoe wetten tot stand komen en toegepast worden. (B)
Een wet komt tot stand door regering + Staten-Generaal
Wetgevingstraject: voorstel → behandeling → stemming → bekrachtiging → publicatie in Staatsblad.
Wet geldt pas na publicatie
A.2.3 … noemt voorbeelden van belangrijke internationale verdragen (EVRM, VWEU). (K)
A.2.4 … legt uit wat de invloed van verdragen is op het nationale recht. (B)
Internationale afspraken tussen staten, bindend voor Nederland. Verdragen gaan voor nationale
wetgeving
EVRM: bescherming van mensenrechten.
VWEU: interne markt, vrij verkeer binnen EU
A.2.5 … beschrijft hoe uitspraken van rechters bijdragen aan de ontwikkeling van het recht. (B)
Jurisprudentie: zijn eerdere uitspraken van rechters die helpen bij het uitleggen en toepassen van de
wet. Deze uitspraken kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van het recht, omdat rechters ze vaak
meenemen bij nieuwe vergelijkbare zaken.
A.2.6 … noemt voorbeelden van gewoonten die als rechtsbron dienen. (K)
Gewoonterecht ontstaat wanneer een bepaalde gedraging gedurende lange tijd constant wordt
herhaald (usus) en de overtuiging bestaat dat dit gedrag juridisch verplicht is (opinio iuris)
Feitelijke toestand
Rechtsovertuiging
Rechter kan gewoonte toepassen als aanvulling op de wet
Voorbeeld: art. 6:248 lid 2 BW of art. 5:42 BW
A.2.7 … legt uit hoe gewoonten een rol spelen in de rechtspraak. (B)
Gewoonte wordt vooral toegepast wanneer
De wet geen oplossing bied
Partijen niets hebben afgesproken
Onduidelijk is hoe een afspraak moet worden uitgelegd
A.2.8 … beschrijft de rol van rechtswetenschap als rechtsbron. (K)
Rechtswetenschap (ook wel doctrine genoemd) zijn de publicaties en analyses van juridische experts
(hoogleraren, wetenschappers).
,Rol: Hoewel het geen officiële wet is waar een rechter zich aan moet houden, heeft het veel gezag.
Wetenschappers bekritiseren uitspraken, verduidelijken complexe wetgeving en stellen nieuwe
juridische kaders voor. Dit helpt rechters en de wetgever bij het vormen van hun oordeel of nieuwe
wetten
A.2.9 … legt uit hoe rechtswetenschappelijke inzichten het recht beïnvloeden. (B)
De wetenschap beïnvloedt het recht op twee manieren:
In de rechtspraak: Rechters verwijzen in hun vonnissen vaak naar toonaangevende boeken of
artikelen om hun beslissing te motiveren.
In de wetgeving: Bij het schrijven van nieuwe wetten (zoals het huidige Burgerlijk Wetboek) baseert
de wetgever zich op uitgebreid onderzoek en advies van rechtsgeleerden.
A.2.10 … benoemt de verschillende interpretatiemethoden grammaticaal, wetshistorisch,
systematisch, anticiperend en teleologisch op. (K)
A.2.11 … legt uit hoe interpretatiemethoden worden toegepast in de rechtspraak. (B)
Grammaticaal: Gewoon kijken naar wat er letterlijk staat (de betekenis van de woorden).
Wetshistorisch: Kijken naar wat de mensen die de wet vroeger maakten er precies mee bedoelden.
Systematisch: Kijken naar andere wetten die erbij horen om de logica te snappen.
Anticiperend: Alvast rekening houden met een nieuwe wet die er bijna aankomt.
Teleologisch: Kijken naar het doel van de regel. Wat wilden we ermee bereiken?
A.3.1 … definieert materieel en formeel recht. (K)
A.3.2 … legt uit wat het verschil is tussen materieel en formeel recht. (B)
Materieel recht
Bepaalt welke rechten en plichten burgers hebben.
Richt zich op wát mag, moet of verboden is.
Kort = de regels
Voorbeeld: art. 5:1 BW → eigendom: recht om een zaak te gebruiken en anderen uit te
sluiten.
Formeel recht
Regelt hóe materiële rechten in de praktijk afgedwongen/ gehandhaafd worden.
Richt zich op procedures, bewijs, bevoegdheden en termijnen.
Kort = hoe je de regels gebruikt
Voorbeeld: regels voor dagvaarding, hoger beroep en bewijs in Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering (Rv)
Beide zijn noodzakelijk: zonder materieel recht geen inhoud, zonder formeel recht geen afdwinging
A.3.3 … legt uit wat het verschil is tussen wet in materiële en formele zin. (B)
Het recht maakt een onderscheid tussen de manier waarop een regel tot stand komt en de manier
waarop hij functioneert.
Wet in formele zin: Elke beslissing die tot stand is gekomen door de samenwerking van de Regering
en de Staten-Generaal (de landelijke wetgever) volgens een specifieke procedure. Hierbij is de maker
van de wet doorslaggevend. Tip: kan je herkennen aan het woord ‘wet’ in de titel.
Wet in materiële zin: Een besluit van een overheidsorgaan dat algemeen verbindende voorschriften
(AVV) bevat. Dit zijn regels die voor iedereen (een onbepaalde groep burgers) gelden. Hierbij is de
inhoud van de regel doorslaggevend.
Opmerking: Een wet kan beide zijn (zoals het Wetboek van Strafrecht), maar ook alleen formeel
(zoals de begrotingswet) of alleen materieel (zoals een gemeentelijke verordening/APV)
A.3.4 … definieert objectief en subjectief recht. (K)
, Objectief recht: alle wetten en regels die in een land gelden. -> de regels
Subjectief recht: een recht dat een persoon op basis van die wetten heeft. -> de rechten die jij uit die
regels krijgt
Belangrijk: zonder objectief recht bestaan er geen subjectieve rechten
A.3.5 … legt uit hoe objectief en subjectief recht van invloed zijn op juridische beslissingen. (B)
Het objectieve recht vormt de noodzakelijke basis voor het subjectieve recht. Zonder een algemene
regel in de wet (objectief) kan een individu nooit een persoonlijke claim of recht (subjectief) opeisen.
Voorbeeld: Omdat de wet zegt dat een verkoper verplicht is het product te leveren (objectief recht),
krijgt een specifieke koper het persoonlijke recht om levering van zijn bestelde product te eisen
(subjectief recht)
A.3.6 … legt uit wat het verschil is tussen dwingend en aanvullend recht. (B)
Aanvullend recht: Regels die gelden als partijen niets anders afspreken. (boek 6)
Doel: flexibiliteit, contractsvrijheid
Dwingend recht: Regels waarvan je niet mag afwijken. (boek 1 tm 5)
Doel: bescherming van zwakkere partij, rechtszekerheid.
Semi-dwingend recht: Regels waarvan alleen in een bepaalde richting mag worden afgeweken (boek
7)
Afwijken meestal alleen in het voordeel van de zwakkere partij.
A.3.7 … beschrijft de verschillen tussen publiekrecht en privaatrecht. (B)
Privaatrecht
Regelt verhoudingen tussen burgers en bedrijven onderling.
Overheid kan ook privaatrechtelijk optreden (bv. koop of huur).
Voorbeelden: huurcontract, erfenis, arbeidsovereenkomst.
Publiekrecht
Regelt verhouding overheid en burger, tussen overheden onderling en organisatie van
overheid.
Overheid treedt op vanuit gezagspositie.
Voorbeelden: belastingheffing, strafrecht, bestuursrechtelijke vergunning.
A.3.8 … legt uit wat het verschil is tussen geschreven en ongeschreven recht. (B)
BW bestaat uit 10 boeken:
1. Personen- en familierecht
2. Rechtspersonen
3. Vermogensrecht in het algemeen
4. Erfrecht
5. Zakelijke rechten (zoals eigendom)
6. Algemeen verbintenissenrecht
7. Bijzondere overeenkomsten (zoals koop, huur)
7A. Aanvullende bepalingen
8. Vervoer (wordt niet behandeld)
9. Intellectueel eigendom (nog niet in werking getreden)
10. Internationaal privaatrecht (wordt niet behandeld)
De meeste wetsartikelen bestaan uit twee delen
1. Voorwaarden: de situatie waarin de regel geldt (bv indien, als of wanneer)
2. Rechtsgevolg: wat er gebeurt als aan die voorwaarden is voldaan (bv dan is, moet of kan)
Voorbeeld: art. 3:84 lid 1 BW
Uitleg:
Voorwaarden: levering + geldige titel + beschikkingsbevoegdheid
Rechtsgevolg: als aan deze drie voorwaarden is voldaan is de overdracht geldig
Cumulatieve of alternatieve voorwaarden?
Cumulatieve: alles moet gelden -> signaalwoord en
Alternatieve: een is genoeg -> signaalwoord of
Belangrijke woorden:
Woord Betekenis Juridisch gevolg
Moet Verplichting Het is verplicht, geen keuze
Mag Bevoegdheid Je hebt toestemming, geen plicht
Kan Bevoegdheid Het is optioneel, afhankelijk van situatie
Juridische denktrap:
Feiten – Wat is er precies gebeurd?
Wie zijn de betrokken partijen?
Wat is er afgesproken of gebeurd?
Rechtsregel – Welke wettelijke regel hoort hierbij?
Zoek in het BW of in andere bronnen.
Toepassing – Wat betekent die regel in dit geval?
Pas de wet toe op de feiten.
Conclusie – Wat is het juridische gevolg?
Wie heeft gelijk? Wat moet er gebeuren
,A.1.1 … legt uit wat het begrip 'recht' inhoudt. (K)
De regels die we met elkaar hebben afgesproken zodat iedereen weet
wat wel en niet mag in het land. Het zorgt voor orde en veiligheid.
A.1.2 … legt uit welke functies het recht in de samenleving heeft. (B)
1. Het zorgt voor orde en duidelijkheid
2. Afdwingbaarheid van afspraken
3. Bescherming van zwakkeren
4. Oplossen van conflicten
A.2.1 … noemt de verschillende rechtsbronnen. (K)
1. De wet → regels in BW, Grondwet, bijzondere wetten.
2. Verdragen → afspraken tussen staten (EVRM, VWEU).
3. Jurisprudentie → uitspraken rechters, m.n. Hoge Raad.
4. Gewoonte → vaste gebruiken met rechtsgevoel.
5. Rechtswetenschap → literatuur en commentaren.
A.2.2 … beschrijft hoe wetten tot stand komen en toegepast worden. (B)
Een wet komt tot stand door regering + Staten-Generaal
Wetgevingstraject: voorstel → behandeling → stemming → bekrachtiging → publicatie in Staatsblad.
Wet geldt pas na publicatie
A.2.3 … noemt voorbeelden van belangrijke internationale verdragen (EVRM, VWEU). (K)
A.2.4 … legt uit wat de invloed van verdragen is op het nationale recht. (B)
Internationale afspraken tussen staten, bindend voor Nederland. Verdragen gaan voor nationale
wetgeving
EVRM: bescherming van mensenrechten.
VWEU: interne markt, vrij verkeer binnen EU
A.2.5 … beschrijft hoe uitspraken van rechters bijdragen aan de ontwikkeling van het recht. (B)
Jurisprudentie: zijn eerdere uitspraken van rechters die helpen bij het uitleggen en toepassen van de
wet. Deze uitspraken kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van het recht, omdat rechters ze vaak
meenemen bij nieuwe vergelijkbare zaken.
A.2.6 … noemt voorbeelden van gewoonten die als rechtsbron dienen. (K)
Gewoonterecht ontstaat wanneer een bepaalde gedraging gedurende lange tijd constant wordt
herhaald (usus) en de overtuiging bestaat dat dit gedrag juridisch verplicht is (opinio iuris)
Feitelijke toestand
Rechtsovertuiging
Rechter kan gewoonte toepassen als aanvulling op de wet
Voorbeeld: art. 6:248 lid 2 BW of art. 5:42 BW
A.2.7 … legt uit hoe gewoonten een rol spelen in de rechtspraak. (B)
Gewoonte wordt vooral toegepast wanneer
De wet geen oplossing bied
Partijen niets hebben afgesproken
Onduidelijk is hoe een afspraak moet worden uitgelegd
A.2.8 … beschrijft de rol van rechtswetenschap als rechtsbron. (K)
Rechtswetenschap (ook wel doctrine genoemd) zijn de publicaties en analyses van juridische experts
(hoogleraren, wetenschappers).
,Rol: Hoewel het geen officiële wet is waar een rechter zich aan moet houden, heeft het veel gezag.
Wetenschappers bekritiseren uitspraken, verduidelijken complexe wetgeving en stellen nieuwe
juridische kaders voor. Dit helpt rechters en de wetgever bij het vormen van hun oordeel of nieuwe
wetten
A.2.9 … legt uit hoe rechtswetenschappelijke inzichten het recht beïnvloeden. (B)
De wetenschap beïnvloedt het recht op twee manieren:
In de rechtspraak: Rechters verwijzen in hun vonnissen vaak naar toonaangevende boeken of
artikelen om hun beslissing te motiveren.
In de wetgeving: Bij het schrijven van nieuwe wetten (zoals het huidige Burgerlijk Wetboek) baseert
de wetgever zich op uitgebreid onderzoek en advies van rechtsgeleerden.
A.2.10 … benoemt de verschillende interpretatiemethoden grammaticaal, wetshistorisch,
systematisch, anticiperend en teleologisch op. (K)
A.2.11 … legt uit hoe interpretatiemethoden worden toegepast in de rechtspraak. (B)
Grammaticaal: Gewoon kijken naar wat er letterlijk staat (de betekenis van de woorden).
Wetshistorisch: Kijken naar wat de mensen die de wet vroeger maakten er precies mee bedoelden.
Systematisch: Kijken naar andere wetten die erbij horen om de logica te snappen.
Anticiperend: Alvast rekening houden met een nieuwe wet die er bijna aankomt.
Teleologisch: Kijken naar het doel van de regel. Wat wilden we ermee bereiken?
A.3.1 … definieert materieel en formeel recht. (K)
A.3.2 … legt uit wat het verschil is tussen materieel en formeel recht. (B)
Materieel recht
Bepaalt welke rechten en plichten burgers hebben.
Richt zich op wát mag, moet of verboden is.
Kort = de regels
Voorbeeld: art. 5:1 BW → eigendom: recht om een zaak te gebruiken en anderen uit te
sluiten.
Formeel recht
Regelt hóe materiële rechten in de praktijk afgedwongen/ gehandhaafd worden.
Richt zich op procedures, bewijs, bevoegdheden en termijnen.
Kort = hoe je de regels gebruikt
Voorbeeld: regels voor dagvaarding, hoger beroep en bewijs in Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering (Rv)
Beide zijn noodzakelijk: zonder materieel recht geen inhoud, zonder formeel recht geen afdwinging
A.3.3 … legt uit wat het verschil is tussen wet in materiële en formele zin. (B)
Het recht maakt een onderscheid tussen de manier waarop een regel tot stand komt en de manier
waarop hij functioneert.
Wet in formele zin: Elke beslissing die tot stand is gekomen door de samenwerking van de Regering
en de Staten-Generaal (de landelijke wetgever) volgens een specifieke procedure. Hierbij is de maker
van de wet doorslaggevend. Tip: kan je herkennen aan het woord ‘wet’ in de titel.
Wet in materiële zin: Een besluit van een overheidsorgaan dat algemeen verbindende voorschriften
(AVV) bevat. Dit zijn regels die voor iedereen (een onbepaalde groep burgers) gelden. Hierbij is de
inhoud van de regel doorslaggevend.
Opmerking: Een wet kan beide zijn (zoals het Wetboek van Strafrecht), maar ook alleen formeel
(zoals de begrotingswet) of alleen materieel (zoals een gemeentelijke verordening/APV)
A.3.4 … definieert objectief en subjectief recht. (K)
, Objectief recht: alle wetten en regels die in een land gelden. -> de regels
Subjectief recht: een recht dat een persoon op basis van die wetten heeft. -> de rechten die jij uit die
regels krijgt
Belangrijk: zonder objectief recht bestaan er geen subjectieve rechten
A.3.5 … legt uit hoe objectief en subjectief recht van invloed zijn op juridische beslissingen. (B)
Het objectieve recht vormt de noodzakelijke basis voor het subjectieve recht. Zonder een algemene
regel in de wet (objectief) kan een individu nooit een persoonlijke claim of recht (subjectief) opeisen.
Voorbeeld: Omdat de wet zegt dat een verkoper verplicht is het product te leveren (objectief recht),
krijgt een specifieke koper het persoonlijke recht om levering van zijn bestelde product te eisen
(subjectief recht)
A.3.6 … legt uit wat het verschil is tussen dwingend en aanvullend recht. (B)
Aanvullend recht: Regels die gelden als partijen niets anders afspreken. (boek 6)
Doel: flexibiliteit, contractsvrijheid
Dwingend recht: Regels waarvan je niet mag afwijken. (boek 1 tm 5)
Doel: bescherming van zwakkere partij, rechtszekerheid.
Semi-dwingend recht: Regels waarvan alleen in een bepaalde richting mag worden afgeweken (boek
7)
Afwijken meestal alleen in het voordeel van de zwakkere partij.
A.3.7 … beschrijft de verschillen tussen publiekrecht en privaatrecht. (B)
Privaatrecht
Regelt verhoudingen tussen burgers en bedrijven onderling.
Overheid kan ook privaatrechtelijk optreden (bv. koop of huur).
Voorbeelden: huurcontract, erfenis, arbeidsovereenkomst.
Publiekrecht
Regelt verhouding overheid en burger, tussen overheden onderling en organisatie van
overheid.
Overheid treedt op vanuit gezagspositie.
Voorbeelden: belastingheffing, strafrecht, bestuursrechtelijke vergunning.
A.3.8 … legt uit wat het verschil is tussen geschreven en ongeschreven recht. (B)