Leefstijl en inspanningsfysiologie
Een gezond gewicht heeft een BMI tussen de 18,5 en 25. In Nederland heeft 50%
van de volwassenen een BMI van > 25 en 15% ernstig overgewicht met een BMI
van > 30.
Voor de inspanning is er energie uit de mitochondriën nodig, die ATP uit glucose
en zuurstof maken. Ook zijn de longen nodig voor ventilatie en het hart om
bloed rond te pompen. Als een van deze schakels beperkingen heeft, zal de
inspanning minder goed verlopen. Door capilarisatie (ontwikkelen van kleine
bloedvaten) kan er bloed bij de spieren komen, waardoor er meer zuurstof bij de
mitochondriën kan komen.
Tijdens de inspanning neemt de cardiac output toe. Dit wordt bereikt
door het vergroten van het slagvolume meer dan verhogen van de
hartfrequentie. De maximale hartslag is ongeveer 208 – 0,7 * leeftijd.
Echter is de verspreiding in de praktijk groter. Daarom moet de hartslag >
85% van de voorspelde hartslag zijn bij maximale inspanning.
De longen hebben een grote restcapacitiet. De FEV1 is de maximale
ventialtie. Tijdens inspanning wordt als eerst het teugvolume vergroot,
daarna pas de ademfrequentie.
De maximale zuurstofopname (VO2max) wordt berekend met de
vergelijking van Fick:
VO2max = CO * (Cao – Cvo)
De energie die voor inspanning nodig is, wordt uit de vetten, koolhydraten of
eiwitten gehaald. Deze voedingsstoffen kunnen middels 3 energiesystemen
worden omgezet naar energie:
Creatinefosfaat systeem = levert de eerste
explosieve kracht, kan de hoogste intensiteit aan.
Anaerobe (glycolytisch) systeem = levert
kortdurende energie, komt redelijk snel vrij, kan
hoge intensiteit verdragen.
Aerobe systeem = levert langdurig energie,
verbrandt met name vetweefsel met zuurstof
(oneindige pool), staat met name bij lage intensiteit
aan.
Je lichaam gebruikt nooit 100% een energiesysteem.
De meeste energie ontstaat door de oxidatieve fosforylering van koolhydraten
en vetten. Vetweefsel levert het meeste ATP op per gram, maar de verbranding
daarvan kost ook meer zuurstof en tijd. Glucose (koolhydraten) zit opgeslagen in
glycogeen in de lever en de spieren. Je glycogeenvoorraad is beperkt tot ~60
minuten, maar deze kan je verhogen door op meerdere momenten per dag een
koolhydraat rijke maaltijd te eten.
Tijdens de inspanning kunnen de koolhydraten aangevuld worden door
voedsel/drank met een hoge glycemische index (snelst opgenomen). Het
beste is om een isotone drank te kiezen, omdat deze het makkelijkst
worden opgenomen, want dit heeft dezelfde concentratie als het bloed.
, Drink deze drank ook in een keer, dan is de maag voller en wordt het
sneller opgenomen.
Water is belangrijk voor de warmteregulatie, vervoer van
afvalstoffen/nutriënten, spijsverteringsprocessen en lichaamssappen. Het
vochtverlies tijdens inspanning verschilt per individu en per training. De
omgeving is daarbij ook een belangrijke vector. Bij ~1/2% vochtverlies, treedt er
al prestatievermindering op.
Na inspanning is het doel om het herstel zo snel mogelijk te laten verlopen, zodat
supercompensatie bereikt wordt. Dit doe je met de drie R’s: Refuel
(koolhydraten), Rebuild (eiwitten) en Rehydrate (water + zout). De eiwitbalans
schommelt op een dag. Door op meerdere momenten per dag eiwitten binnen te
krijgen, krijg je een meer positieve balans. Het normale herstel is zo’n 3 dagen
(72 uur).
Type sport
Aandacht bij voeding
Krachtsp Kortdurende belasting + hoge intensiteit = anaeroob.
ort Creatinefosfaat en koolhydraten zijn de belangrijkste substraten.
Verhoogde eiwitbehoefte (1,5-2 g/kg).
Duurspor Aerobesysteem. Glycogeen en vetzuren zijn de belangrijkste
t substraten. Koolhydraten aanvullen tijdens inspanning > 90
minuten, door beperkte voorraad.
Teamspor Aeroob en anaeroob. Koolhydraten is hierbij het belangrijkste
t substraat. Licht verhoogde eiwitbehoefte (1,2-1,5 g/kg).
De bewegingsrichtlijn is een bewegingsadvies om de fitheid (en mortaliteit)
van de Nederlandse bevolking te verbeteren. Slechts 50% van de Nederlandse
bevolking voldoet hieraan:
150 minuten per week matig-intensief (= hartslag en ademhaling
moeten versneld zijn, maar wel volzinnen kunnen praten) bewegen
Minimaal 2x per week spier- en botversterkende activiteiten
Zo min mogelijk zitten (elk uur minimaal 2-3 minuten staan)
Sanitair gedrag is elke wakkere activiteit die minder dan 1,5 MET verbruikt.
Voorbeelden zijn bijvoorbeeld zitten of op de bank luieren. Je gebruikt geen grote
spiergroepen met deze activiteiten.
Bij het ouder worden neemt de spiermassa af, dit is sarcopenie. Kinderen met
mobiliteitsstoornissen en mensen die bedrust gehad hebben, hebben ook veel
minder spiermassa. BMI geeft dan minder informatie dan het vetpercentage.
In het ziekenhuis kan een inspanningstest op een fiets of loopband worden
uitgevoerd. De voorkeur is daarbij voor de fiets, omdat ECG metingen minder
gestoord kunnen worden. Tijdens de inspanningstesten kan er gezocht worden
naar pathologie en advies voor training, sport en revalidatie gegeven kan
worden. De test wordt gestopt bij de maximale inspanning, ECG afwijkingen of
klachten (pijn op de borst, duizeligheid, andere klachten).
Indicatie: klachten bij inspanning, conditieverlies, trainingszones,
preventie, revalidatiesetting, onbegrepen klachten.
Contra indicaties: veranderingen op het ECG, recent myocardinfarct,
instabiele AP, koorts, onbehandelde ritmestoornissen, symptomatische