Anatomie & fysiologie van de hypofyse
De hypothalamus ligt boven het chiasma
opticum (NIII, zicht). De hypofyse ligt
achter de sinus sphenoidalis en in het sella
turcica.
De hypofyse is ontstaan uit 2 embryonale
structuren. De adenohypofyse (80%) is
afkomstig uit het orale ectoderm (zakje
van Rathke) en de neurohypofyse
(20%) is afkomstig uit het neurale
ectoderm (diencefalon). De achterkant van de hypofyse heeft dus een neurale
aansturing en de voorkant een hormonale. De hormonen uit de hypothalamus
komen via een afgetakte arterie van de a. carotis interna in de adenohypofyse,
waar zich een tweede plexus vormt. Doordat bloedvoorziening uit twee plexi
bestaat, is de adenohypofyse gevoeliger voor hypoxie of hypotensie. De
neurohypofyse laat opgeslagen OT en ADH vrij als het de juiste (neurologische)
signalen ontvangt vanuit de hypothalamus.
De adenohypofyse bestaat uit eosinofiele cellen (roze), basofiele cellen (blauw)
en chromofobe cellen (zwak kleurbaar). De hormoonproducerende cellen liggen
niet in groepjes bij elkaar, maar verspreid. Dit is zichtbaar bij immuun-
histochemische aankleuring van een biopt. De neurohypofyse bestaat uit
gemodificeerde gliacellen.
Hypopituitarisme
Hypopituitarisme is een tekort aan een of meer hypofysaire hormonen.
Mogelijke oorzaken zijn destructie (ischemie, ontsteking, metastase, bestraling),
genetische afwijkingen of ziekte aan de hypothalamus.
Vaak is de oorzaak een hypofyse tumor, dit is vaak goedaardig en wordt een
(niet-functioneel) adenoom genoemd. De klachten van zo’n tumor ontstaan pas
bij het optreden van ruimte-innemende processen, waarbij het chiasma opticum
verdrukt raakt. Ook kunnen de hersenzenuwen IV en VI aangedaan zijn, deze zijn
verantwoordelijk voor de oogbewegingen. Een hypofyse tumor kan vaak
makkelijk verwijderd worden via de sinus sphenoidalis. Bij een andere oorzaak
van hypopituitarisme kan de behandeling bestaan uit de substitutie van de
perifere hormonen.
Hyperpituitarisme
Hyperpituitarisme is een teveel aan een of meer hypofysaire hormonen.
Mogelijke oorzaken zijn adenomen, hyperplasie, maligniteiten elders of ziekten
aan de hypothalamus.
Een hypofyse adenoom kan ook functioneel zijn, waarbij het autonoom hormonen
produceert. Het adenoom reageert hierbij dus niet meer op signalen van buitenaf.
Op histologie zie je dan een monotoon beeld, waarbij de hormoonproducerende
cellen niet meer verspreid liggen.
, Hormonen algemeen (GH, PRL, gonaden)
Hormonen met een korte halfwaardetijd vervallen sneller en zijn beter geschikt
voor een snelle reactie. Voor een meer chronische reactie is een hormoon met
een lange halfwaardetijd meer geschikt.
De meeste hormonen zijn eiwitgebonden in het serum, ze zitten aan een
chaprone eiwit. De vrije fractie is in staat tot een biologische reactie.
Hormonen werken op receptoren. Deze receptoren kunnen op het celoppervlak
zitten of in de kern. Om de kernreceptoren te kunnen bereiken moet een hormoon
lipofiel zijn, zoals steroïden.
Bij torenhoge hormoonlevels, zonder klinische verschijnselen van dit hormoon,
moet er gedacht worden aan een ongevoeligheidssyndroom. Een voorbeeld
hiervan is het androgeen ongevoeligheidssyndroom (XY met vrouwelijk fenotype).
De receptoren reageren dan niet meer op het hormoon of de receptoren zijn
afwezig.
De hypothalamus ontvangt heel veel signalen over allerlei factoren in het
lichaam. Op basis daarvan stimuleert hij de hypofyse om bepaalde hormonen af
te geven. De hypofyse-hormonen stimuleren op hun beurt perifere klieren die de
perifere hormonen produceren. Deze hormonen geven negatieve terugkoppeling
aan de hypothalamus en de hypofyse. Ook somatostatines (hypothalamus)
hebben een remmende werking op de hypofyse.
Groeihormoon (GH)
Groeihormoon wordt pulsatiel afgegeven door de hypothalamus, dit is afhankelijk
van het moment, het geslacht en de leeftijd. De hypothalamus geeft GHRH af bij
slaap, inspanning, hypoglycemie, een lege maag (↑ ghreline) of veel aminozuren
(arginine). GHRH stimuleert de adenohypofyse om GH te produceren. GH kan in
de lever zorgen voor de productie van IGF-1. IGF-1 en GH werken beide op de
perifere weefsels door groei en metabolisme te stimuleren. De GH afgifte is laag
tijdens hyperglycemie, veel vrije vetzuren (FFA) of bij ↑ leptine (volle maag). Dan
wordt er somatostatine door de hypothalamus afgegeven.
Acromegalie = een overmaat van groeihormoon, 99% door een GH-producerend
hypofyse adenoom. Deze patiënten hebben een doctors delay van 3-17 jaar. Voor
de diagnostiek wordt er IGF-1 gemeten, als deze te hoog is, kan er mogelijk een
teveel aan GH zijn. Echter is dit niet uitsluitend, daarom wordt er een provocatie
test uitgevoerd: orale glucose tolerantie test (OGTT). Door het creëren van een
hyperglycemie zou de GH-concentratie moeten dalen, een adenoom zou daar
niet op reageren. Ook wordt er vaak een MRI-hersenen gedaan, om te kijken of
het veroorzaakt wordt door een adenoom. Symptomen van acromegalie zijn:
Karakteristieke uiterlijke veranderingen: vergroting van het strottenhoofd
(lage stem), vergroting van de tong = macroglossie -> vergroting van de
kaak = prognathie -> ontwikkeling van slaapapneu en vergrote
jukbeenderen, neus en handen.
Vermoeidheid en slaapstoornissen (apneu)
Overmatige transpiratie
Gewichtstoename
Hoofdpijn