AANDOENINGEN
Hoorcollege 3: Loopstoornissen
Voorwaarden gaan (gage):
o Stabiliteit in stand
o Voetklaring; voeten van de grond kunnen tillen
o Voorbereiding op voetcontact
o Voldoende stapgrootte
o Behoud van energie
Een verstoring van het looppatroon kan duiden op problemen in het
centrale/perifere zenuwstelsel en/of het houdings- en bewegingsstelsel. Het is
belangrijk om je te realiseren dat ieder looppatroon uniek is. Je kunt ook veel
informatie halen uit het geluid van het lopen. In de speciele anamnese wordt er
specifiek gevraagd naar:
o Loopafstand
o Looptempo
o Hulpmiddelen
o Valneiging
o Klachten leidend tot verminderede aftand/ tempo
o Cosmetiek;
Na de anamnese moet er lichamelijk onderzoek uitgevoerd worden. Bij het
lichamelijk onderzoek wordt er goed gekeken naar het looppatroon (inspectie),
waarbij ook gelet wordt op de romp. Daarnaast wordt er ook orthopedisch en
neurologisch onderzoek uitgevoerd.
Terminologie lopen
Lopen Het verplaatsen van het lichaam van de
ene naar de andere plaats door
gecontroleerd te vallen.
Schrede De tijd tussen het 1e voetcontact en het
volgende voetcontact van hetzelfde
been.
Stap De tijd tussen het 1e voetcontact van het
ene been tot het 1e voetcontact van het
andere been.
Clearanc De hoogte van de voet tijdens de
e zwaaifase.
Lopen heeft een stands- en een zwaaifase. De standsfase begint bij de
haklanding en is altijd iets langer dan de zwaaifase. Bij het rennen heb je ook een
zweeffase, waardoor je meer snelheid kan maken. Bij de observatie beoordeel je
dus deze cyclus, maar ook naar de stand van het bekken en de romp.
Observatie punten
Voor-achter Opzij
o Symmetrie o Symmetrie
o Gangspoor o Staplengte (zwaaifase)
o Stand hoofd, schouders, romp o Stand hoofd, schouders, romp
o Specifiek been o Specifiek been
, - Heup (ab-/adductie; - Heup (extensie/flexie)
Trendelenburg) - Knie (extensie/flexie)
- Knie (varus/valgus) - Enkel (dorsaal/plantair
- Enkel (ab-/adductie; inversie) flexie)
- Voet (varus/valgus) - Voet (afwikkeling)
Elke spier(groep) heeft zijn eigen functie tijdens het lopen. In de tabel hieronder
wordt een overzicht gegeven:
Nive Spiergroep Functie Fase
au
Heup Abductoren Rompstabiliteit Standsfase
Adductoren Bekken- en rompstabiliteit Belastingname
Flexoren Been naar voren, clearance Prezwaai en initiele zwaai
Extensoren / Afremmen onderbeen, Late zwaai,
knieflexoren bekken- en rompstabiliteit belastingname
Knie Extensoren Schokabsorptie, been Belasting name, late
strekken zwaai
Enkel Dorsaalflexor Clearance, afremmen van Pre- tot late zwaai,
en de voetlanding belasting name
Plantairflexor Controle afwikkeling, snelle Excentrisch tot midstand,
en plantair flexie concentrisch prezwaai
Als er aanvullend onderzoek nodig is, wordt er een gangbeeldanalyse
uitgevoerd. Hiermee kan er gekeken worden naar de belasting en de contractie
per spier(groep). Ook kan er bij deze test beoordeeld worden hoe (goed) een
hulpmiddel werkt, wat is de impact ervan?
Hulpmiddelen kunnen het lichaam ondersteunen om weer goed te kunnen lopen.
Een prothese is een kunstmatige vervanging van een missend lichaamsdeel en
een orthese is een toevoeging om een lichaamsdeel te ondersteunen. Een
orthese kan bijvoorbeeld een patiënt na een CVA helpen met een betere
haklanding en een klapvoet voorkomen.
Hoorcollege 4: Perifeer vaatlijden, vasculaire chirurgie
Bij perifeer vaatlijden is er sprake van atherosclerose in de perifere vaten, vaak
in de benen. Patiënten kunnen dan klachten ervaren bij het lopen, die worden
ingedeeld volgens de fontaine classificatie. Bij lichamelijk onderzoek kan er
een kleurverschil, vertraagde cappillary refill en een niet palpabele pulsaties in
de bloedvaten worden waargenomen. Daarnaast wordt de Enkel-Arm-Index
(EAI) gemeten. Als deze lager is dan 0,9, wordt de diagnose perifeer vaatlijden
gesteld.
Om een behandeling op te kunnen stellen, wordt er een MRI met
contrastvloeistof gemaakt. Via MRI angiografie (MRA) is
precies te zien, welke vaten aangedaan zijn. Als behandeling kan
er gekozen worden voor endovasculaire dottering, waarbij er een
stent wordt geplaatst om zo het bloedvat open te houden. Als dit
niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat het aangedane traject te
lang is, moet er gekozen worden voor een bypass.
Een femero-popliteale bypass verloopt van de a. femoralis naar
de a. poplitia. Om de a. femoralis op te zoeken, wordt er gebruik