1.3 DE GRIEKSE DEMOCRATIE
Wat zijn verklaringen voor het ontstaan van een directe democratie in de polis
Athene; Griekse stadstaten (poleis) vormden geen éénheid. Er waren
afzonderlijke staatjes, met een overzichtelijk aantal inwoners. In Athene ontstaat
een systeem van inspraak, omdat “gewone” mannen, nodig waren als
voedsoldaat en als roeier op de vloot. Hierdoor eisten zij inspraak.
Directe democratie: mannelijke inwoners van Athene mogen rechtstreeks mee beslissen. Er
is geen parlement of volksvertegenwoordiging.
Polis: stadstaat (een stad + het omringende platteland) die zichzelf bestuurt.
Wat zijn een aantal voorbeelden van wetenschappelijk denken van Griekse
filosofen; Natuurfilosofie (hoe zitten de natuur en het heelal in elkaar) ethiek (wat is goed
gedrag en hoe kan een mens dat leren) politiek (hoe moet een polis bestuurd worden).
Leg uit dat Griekse denkers verschillend oordeelden over de Atheense
democratie & over andere staatsvormen; veel hadden kritiek. Ze vonden dat in
ieder kwaad zat, dus dat het ook de slechte kant op kon gaan. Een leerling van
Plato, had het liefst een mengvorm van de monarchieën, aristocratieën en
democratieën ontstaan van een goed en stabiel bestuur voor iedereen. Apart
konden ze op hun eigen manier gevaarlijk worden.
Aristocratie: vorm van bestuur waarbij de macht beperkt blijft tot een aantal families (adel).
1.4 HET ROMEINSE RIJK
Waarom groeit het Romeinse Rijk;
Veroveringen zorgden voor nieuwe inkomsten: landbouwgronden &
krijgsgevangenen (werden in gezet voor slaven arbeid)
Strategische bondgenoten: wisselende Aliansisch zorgden ervoor dat het
R.R. altijd over sterke bondgenoten kon schikken. Ook overwonnen volken
konden bondgenoot worden.
Sterk beroepsleger
De Pax Romana: een stabiele periode, op het gebied van binnen- en
buitenlands politiek
Met welke verschillende periodes werd het R.R bestuurd; tot 509 V.C. was Rome
een koninkrijk. Van 509 tot 31 V.C. is Rome een republiek. Vanaf 31 V.C. –
476 N.C. was Rome ene keizerrijk.
Geef voorbeelden van aspecten van de Grieks-Romeinse cultuur, met de
specifieke vormentaal; Romeinen namen veel over van de Griekse architectuur:
beeldenkunst, de literatuur & de filosofie. Door veroveringen verspreiden ze het
over alle gebieden.
Hoe verliep het contact tussen de Grieks-Romeinse cultuur en de Germaanse
cultuur in N-W-Europa; sommige Germaanse mannen en vrouwen namen
elementen over: schrift, namen, godsdienst, kleding en het Latijn. omdat veel
Germaanse mannen in dienst gingen bij het Romeinse leger.
, Om welke 4 redenen ging het W-Romeinse Rijk rond 500 ten onder & het O-R.R
pas veel later;
1. Het rijk was te groot om te besturen. Lokale generaals trekken de macht
naar zich toe.
2. In 285 word het opgesplitst, oost: Constantinopel. West: Rome.
3. Er komt steeds meer druk op de buiten grenzen, door de Hunnen. Ook
trokken steeds meer Germanen het rijk binnen volksverhuizing.
4. In 476 komt er een opstand van de Germaanse generaal: Odoaker en hij
zet de laatste Romeinse keizer Romulus Augustulus af.
Paragraaf 2.1 – hofstelsel en feodaal stelsel
Wat zijn oorzaken van het ontstaan van een agrarische samenleving en
hofstelsel: 1 door de val van het R.R. (476), het werd als een breekpunt gezien.
Edelen trekken macht naar zich toe, dit leidde tot oorlogen en grote onveiligheid.
Hierdoor werd reizen & handelen erg moeilijk. 2 steden werden kleiner of
verdwenen zelfs. Hierdoor verdwenen ambacht (smit, timmer) en nijverheid (alles
samen) ook. GEVOLG: Autarkie (voor eigen gebruik). Boeren zoeken veiligheid
en trekken naar het domein van de heer. En bestuurlijke verandering,
leenstelsel/feodaal stelsel (manier van besturen waarbij leenheren gebieden
uitlenen aan leenmannen)
Waarom hadden niet alle middeleeuwse boeren dezelfde sociaal-economische
positie: ze waren niet allemaal even rijk, dus konden ze sommige dingen niet
afkopen. 1 Vrije boeren 2 horige 3 lijfeigenen.
Noem de middeleeuwse standen: 1&2 Adel en geestelijkheid 3 boeren.
Beschrijf de taken en plichten van de leenheren en leenmannen: zij mochten de
inkomsten van het gebied zelf houden en betaalde belasting. Ingeval van oorlog
leverde zij militaire bijstand. Ze mochten ook rechtspreken over zijn
(koning/leenheer) gebied en stelde ook zelf leenmannen aan.
Hoe kwam het feodale stelsel voort uit een agrarische samenleving:
- Karel Martel (690-741), hij liet zijn ruiters een eed afleggen van trouw en
zo werden zij: Vazal (leenman).
- Paarden & uitrusting zijn duur en de vazal kan niet leven van de
veroveringen. Hierdoor gaat de koning, boerderijen met land uitlenen aan
de vazallen.
- Karel de Grote (768-814), benoemde ook bestuurders als leenmannen.
Thema 2 economie (1.1 & 2.3)
Paragraaf 1 de agrarische revolutie
Noem een 4 kenmerken van de levenswijze van jagers & verzamelaars; ze
woonden in grotten/hutten/tenten gemaakt van dierenhuiden. Ze leefden in
groepen van 20 tot 30 personen. Bijna geen sociale verschillen. Onderling handel
& ruilden producten (vuursteen, ivoor & schelp)
Agrarische revolutie: overgang van een samenleving, van jagers en
verzamelaars. Naar een landbouwsamenleving. (ook wel Neolithische revolutie)