COLLEGE 1: INLEIDING
De centrale vraag van het eerste college is: hoe kunnen we menselijke ontwikkeling
begrijpen? Ontwikkelingspsychologie probeert systematische veranderingen én stabiliteit in
gedrag, denken en emoties over de levensloop te verklaren. Ontwikkeling begint al vóór de
geboorte en loopt door tot op hoge leeftijd. Daarmee volgt het vak een levensloopperspectief:
ontwikkeling stopt niet na de kindertijd maar blijft gedurende het hele leven doorgaan
(Feldman H1, college 1).
Binnen dit levensloopperspectief wordt ontwikkeling gezien als een complex proces. Volgens
Feldman is ontwikkeling multidimensioneel, omdat verschillende domeinen tegelijk
veranderen, zoals fysieke ontwikkeling, cognitieve ontwikkeling en sociale ontwikkeling. Het
is ook multidirectioneel: sommige vaardigheden nemen toe terwijl andere juist afnemen.
Daarnaast is ontwikkeling plastisch, wat betekent dat mensen zich kunnen aanpassen aan
nieuwe omstandigheden. Tegelijk zijn er grenzen aan die veranderbaarheid. Vroege
ervaringen kunnen bijvoorbeeld grote invloed hebben op latere ontwikkeling, maar mensen
kunnen ook later in hun leven nog veranderen.
Wanneer onderzoekers proberen ontwikkeling te begrijpen, stuiten zij op een aantal
fundamentele vragen. Een eerste vraag is of ontwikkeling geleidelijk verloopt of in
duidelijke stadia. Sommige theorieën gaan ervan uit dat veranderingen stap voor stap
plaatsvinden, terwijl andere theorieën stellen dat ontwikkeling sprongsgewijs verloopt,
bijvoorbeeld wanneer kinderen een nieuwe manier van denken bereiken. Een tweede vraag
gaat over nature en nurture: in hoeverre wordt ontwikkeling bepaald door biologische
aanleg en in hoeverre door de omgeving. In de moderne ontwikkelingspsychologie wordt dit
niet meer gezien als een keuze tussen twee opties. Ontwikkeling ontstaat juist uit
de interactie tussen biologische aanleg en omgevingsinvloeden. Een derde vraag gaat
over stabiliteit en verandering: blijven eigenschappen zoals temperament hetzelfde
gedurende het leven, of kunnen ze veranderen door ervaringen en omstandigheden (Feldman
H1).
Om deze vragen te beantwoorden gebruiken psychologen verschillende theoretische
perspectieven. In het eerste college worden deze perspectieven samengebracht in drie grote
paradigma’s, zoals beschreven door Green & Piel. Zij stellen dat theorieën functioneren als
een soort “raam” waardoor we naar ontwikkeling kijken. Afhankelijk van het raam dat je
gebruikt, zie je ontwikkeling op een andere manier.
Het eerste paradigma is het endogene paradigma. In dit perspectief wordt ontwikkeling
vooral verklaard vanuit processen binnen het individu. Biologische rijping en genetische
factoren spelen hier een belangrijke rol. Theorieën van Freud en Erikson passen in dit
perspectief. Zij beschrijven ontwikkeling als een reeks stadia die grotendeels bepaald worden
door biologische processen en interne psychologische krachten. In dit paradigma wordt
verandering dus vooral gezien als het resultaat van maturatie, een biologisch gestuurd
groeiproces (Green & Piel).
Het tweede paradigma is het exogene paradigma, waarin juist de omgeving centraal staat.
Gedrag wordt hier gezien als een reactie op prikkels uit de omgeving. Behavioristische
theorieën, zoals die van Skinner, leggen uit hoe gedrag kan worden gevormd door beloning en
straf. Bandura voegt hieraan toe dat mensen ook leren door observatie en imitatie van
anderen. Vanuit dit perspectief is ontwikkeling dus sterk afhankelijk van leerervaringen en
sociale invloeden (Green & Piel).
,Het derde paradigma is het constructivistische paradigma, dat vooral wordt geassocieerd
met Piaget en Kohlberg. In deze benadering wordt ontwikkeling niet gezien als iets dat alleen
van binnenuit of van buitenaf wordt bepaald. In plaats daarvan wordt kennis
actief geconstrueerd door het kind zelf. Kinderen bouwen hun begrip van de wereld op door
interactie met hun omgeving. Piaget beschreef dit proces als een voortdurende balans
tussen assimilatie (nieuwe informatie inpassen in bestaande schema’s)
en accommodatie (schema’s aanpassen aan nieuwe ervaringen). Ontwikkeling is hier dus een
actief leerproces waarin het kind zelf een belangrijke rol speelt (Green & Piel).
Hoewel deze paradigma’s verschillende verklaringen geven, benadrukt het college dat geen
enkele theorie op zichzelf volledig is. Daarom wordt vaak een eclectische
benadering gebruikt, waarbij inzichten uit verschillende theorieën worden gecombineerd om
ontwikkeling beter te begrijpen.
Naast theorie is ook onderzoeksmethode essentieel in de ontwikkelingspsychologie. Om
veranderingen in ontwikkeling te meten gebruiken onderzoekers verschillende
onderzoeksdesigns. Bij longitudinaal onderzoek worden dezelfde personen over een langere
periode gevolgd. Dit maakt het mogelijk om echte veranderingen in ontwikkeling te
observeren, maar het kost veel tijd en deelnemers kunnen uitvallen.
Bij dwarsdoorsnedeonderzoek worden verschillende leeftijdsgroepen op één moment met
elkaar vergeleken. Dit is efficiënter, maar het kan moeilijk zijn om verschillen tussen groepen
te interpreteren, omdat deze ook kunnen worden veroorzaakt door cohort-effecten. Dat
betekent dat mensen uit verschillende generaties verschillende historische of sociale
ervaringen hebben gehad. Een derde methode, cross-sequentieel onderzoek, combineert
elementen van beide designs om zowel leeftijdsverschillen als cohort-effecten beter te
begrijpen (Feldman H2).
Onderzoek kan bovendien verschillende doelen hebben. In experimenteel
onderzoek manipuleert de onderzoeker een variabele om te testen of deze een causaal effect
heeft. Bij correlationeel onderzoek wordt alleen gekeken of variabelen samenhangen, zonder
dat er een directe oorzaak-gevolgrelatie kan worden vastgesteld. Dit onderscheid is belangrijk,
omdat correlaties vaak verkeerd worden geïnterpreteerd als oorzaken.
De betrouwbaarheid van onderzoek is ook afhankelijk van de gebruikte methoden.
Onderzoekers verzamelen gegevens bijvoorbeeld via observaties, vragenlijsten, interviews,
tests, etnografisch onderzoek of casestudies. Elke methode heeft eigen voordelen en
beperkingen. Observaties kunnen bijvoorbeeld gedrag in een natuurlijke situatie vastleggen,
maar deelnemers kunnen zich anders gedragen wanneer ze weten dat ze worden geobserveerd.
Een belangrijk onderdeel van het eerste college is het kritisch bekijken van onderzoek. Dit
wordt geïllustreerd met het bekende debat rond de theorie van Plooij over
ontwikkelingssprongen bij baby’s. Volgens deze theorie zouden baby’s op vaste momenten in
hun eerste levensjaar ontwikkelingssprongen doormaken, voorafgegaan door zogenaamde
regressieweken. Het artikel van Van der Maas en collega’s laat echter zien dat het
oorspronkelijke onderzoek methodologische problemen had, zoals een kleine steekproef en
onvoldoende controle in de dataverzameling. Wanneer het onderzoek onder strengere
voorwaarden werd herhaald, bleek er geen consistent patroon van sprongen te bestaan. Dit
voorbeeld laat zien hoe belangrijk replicatie en methodologische zorgvuldigheid zijn in
wetenschappelijk onderzoek.
,Tot slot wordt in het college benadrukt dat onderzoek met mensen aan strikte ethische
regels moet voldoen. Deelnemers moeten geïnformeerde toestemming geven, het recht
hebben om op elk moment te stoppen en beschermd worden tegen schade. Onderzoek moet
bovendien worden beoordeeld door ethische commissies.
Samenvattend laat het eerste college zien dat het begrijpen van menselijke ontwikkeling
vraagt om een combinatie van theorie, empirisch onderzoek en kritisch denken.
Verschillende theoretische perspectieven bieden verschillende verklaringen voor
ontwikkeling, maar geen enkel perspectief kan het volledige proces alleen verklaren. Daarom
is het belangrijk om meerdere benaderingen te combineren en onderzoek zorgvuldig te
evalueren.
Psychodynamische perspectief: Sigmund Freud
Het richt zich op het onbewuste, die verklaringen doen over het gedrag. Freud stelde dat
persoonlijkheid bestaat uit drie componenten:
- Id: het aangeboren, onbewuste deel van de persoonlijkheid dat gericht is op directe
bevrediging van driften
- Ego: het rationele en realistische deel dat bemiddelt tussen de eisen van het id en de
werkelijkheid
- Superego: het morele deel van de persoonlijkheid, wat normen en waarden bevat
Daarnaast beschreef Freud vijf fasen van psychoseksuele ontwikkeling
- Orale fase (0-18 maanden): interesse in orale bevrediging door zuigen, eten, bewegen
van de lippen en bijten
- Anale fase (18 maanden – 3 jaar): bevrediging ontstaat door het ophouden en laten
gaan van ontlasting, waarbij het kind leert omgaan met lichaamscontrole en met de
maatschappelijke verwachtingen rond zindelijkheid
- Fallische fase (3-4 jaar): in deze fase ontstaat interesse in de geslachtsdelen en speelt
het oedipuscomplex een centrale rol. Het kind ervaart een emotionele en erotische
verbinding met de ouder van het andere geslacht en ziet de ouder met hetzelfde
geslacht als concurrent. Het succes vol oplossen van dit conflict leidt tot identificatie
met de ouder van hetzelfde geslacht.
- Latente fase (5-6 jaar): seksualiteit ligt grotendeels op de achtergrond
- Genitale fase (adolescentie): opnieuw ontdekken van seksuele interesses en het
aangaan van seksuele relaties.
Volgens Freud kan een fixatie ontstaan wanneer de behoeften van het kind in bepaalde fase
niet of onvoldoende wordt bevredigd, dit kan gevolgen hebben voor de latere
persoonlijkheidsontwikkeling.
Erik Erikson bouwde voort op de ideeën van Freud, maar legde de nadruk op sociale
invloeden in plaats van seksuele driften. Erikson ontwikkelde de psychosociale ontwikkeling,
die bestaat uit acht levensfasen, waarin elke keer een psychosociale crisis moet worden
opgelost
- Zintuigelijke fase (0-18 maanden): Vertrouwen versus wantrouwen. Grote
afhankelijkheid van ouders. Onveilige, onbetrouwbare opvoedingssituaties kan leiden
tot wantrouwen
- Peuterleeftijd (18 maanden- 3 jaar) autonomie versus schaamte en twijfel. Kind leert
steeds meer dingen zelf te doen, grenzen op zoeken hoort bij deze fase. Te veeleisende
of overbeschermde opvoeding kan leiden tot schaamte of twijfel
, - Kleutertijd (3-5 jaar): initiatief versus schuldgevoel. Ontdekken van manieren om
handelingen in gang te zetten, maar schuldgevoel over daden en gedachten horen hier
ook bij
- Basisschoolleeftijd (6- 12 jaar) ijver versus minderwaardigheid. Groeiend besef van
competenties, maar gevoelens van minderwaardigheid en geen vertrouwen in eigen
kunnen zijn mogelijk aanwezig.
- Adolescentie (12-18 jaar): identiteit versus identiteitsverwarring. Bewustzijn van eigen
uniekheid, weten welke rol te vervullen. Ook onvermogen om passende rollen in het
leven te herkennen.
- Vroege volwassenheid (18-35 jaar): intimiteit versus isolement. Ontwikkeling van
liefdevolle seksuele relaties en hechte vriendschappen, maar ook angst voor relaties
met anderen
- Middelbare volwassenheid (35-55/65 jaar) generativiteit versus stagnatie. Gevoel bij
te dragen aan de continuïteit van het leven, maar ook bagatelliseren van eigen
activiteiten
- Late volwassenheid (55/65 jaar – dood) Ego-integriteit versus wanhoop. Gevoel van
eenheid in wat men in het leven heeft bereikt, maar ook spijt van gemiste kansen
COLLEGE 2: GEDRAGSGENETICA & CULTUUR EN EVOLUTIE
De ontwikkeling van kinderen wordt altijd bepaald door een samenspel van nature en
nurture. Met nature wordt de genetische aanleg bedoeld die een kind van zijn ouders
erft. Nurture verwijst naar alle invloeden uit de omgeving, zoals opvoeding, cultuur,
onderwijs en sociale ervaringen. De kenmerken die we uiteindelijk bij een persoon kunnen
waarnemen – zoals gedrag, uiterlijk of cognitieve vaardigheden – worden
het fenotype genoemd. Dit fenotype ontstaat dus niet alleen door genen of alleen door
omgeving, maar door de interactie tussen beide.
Om te begrijpen hoe genen invloed hebben op gedrag is het belangrijk te beseffen dat genen
gedrag niet rechtstreeks veroorzaken. Genen bevatten informatie voor de productie
van eiwitten, en deze eiwitten spelen een rol bij de ontwikkeling van cellen en
hersenstructuren. Via deze biologische processen kunnen genen uiteindelijk invloed hebben
op gedrag. Er bestaat daarom niet zoiets als één enkel “gen voor gedrag”. De meeste
psychologische eigenschappen zijn polygeen, wat betekent dat ze door veel verschillende
genen tegelijk worden beïnvloed. Bovendien werken genen altijd samen met
omgevingsinvloeden.
De wetenschappelijke discipline die onderzoekt hoe genetische en omgevingsfactoren
bijdragen aan verschillen tussen mensen wordt gedragsgenetica genoemd. Gedragsgenetica
richt zich niet op individuele personen, maar op variatie tussen mensen in een populatie.
Onderzoekers proberen te bepalen hoeveel van die variatie wordt veroorzaakt door genetische
factoren en hoeveel door omgevingsinvloeden.
In gedragsgenetica onderzoek wordt de variatie in een eigenschap vaak verdeeld in drie
onderdelen. Het eerste deel is de genetische invloed, ook wel aangeduid met A of G. Dit
wordt uitgedrukt in de erfelijkheidscoëfficiënt (heritability, h²). Deze waarde geeft aan welk
deel van de verschillen tussen mensen genetisch verklaard kan worden. Het tweede deel is
de gedeelde omgeving (C). Dit zijn omgevingsinvloeden die kinderen binnen een gezin met
elkaar delen, zoals opvoedstijl, sociaal-economische status of woonomgeving. Het derde deel
is de niet-gedeelde omgeving (E). Dit zijn ervaringen die kinderen juist niet delen, zoals
De centrale vraag van het eerste college is: hoe kunnen we menselijke ontwikkeling
begrijpen? Ontwikkelingspsychologie probeert systematische veranderingen én stabiliteit in
gedrag, denken en emoties over de levensloop te verklaren. Ontwikkeling begint al vóór de
geboorte en loopt door tot op hoge leeftijd. Daarmee volgt het vak een levensloopperspectief:
ontwikkeling stopt niet na de kindertijd maar blijft gedurende het hele leven doorgaan
(Feldman H1, college 1).
Binnen dit levensloopperspectief wordt ontwikkeling gezien als een complex proces. Volgens
Feldman is ontwikkeling multidimensioneel, omdat verschillende domeinen tegelijk
veranderen, zoals fysieke ontwikkeling, cognitieve ontwikkeling en sociale ontwikkeling. Het
is ook multidirectioneel: sommige vaardigheden nemen toe terwijl andere juist afnemen.
Daarnaast is ontwikkeling plastisch, wat betekent dat mensen zich kunnen aanpassen aan
nieuwe omstandigheden. Tegelijk zijn er grenzen aan die veranderbaarheid. Vroege
ervaringen kunnen bijvoorbeeld grote invloed hebben op latere ontwikkeling, maar mensen
kunnen ook later in hun leven nog veranderen.
Wanneer onderzoekers proberen ontwikkeling te begrijpen, stuiten zij op een aantal
fundamentele vragen. Een eerste vraag is of ontwikkeling geleidelijk verloopt of in
duidelijke stadia. Sommige theorieën gaan ervan uit dat veranderingen stap voor stap
plaatsvinden, terwijl andere theorieën stellen dat ontwikkeling sprongsgewijs verloopt,
bijvoorbeeld wanneer kinderen een nieuwe manier van denken bereiken. Een tweede vraag
gaat over nature en nurture: in hoeverre wordt ontwikkeling bepaald door biologische
aanleg en in hoeverre door de omgeving. In de moderne ontwikkelingspsychologie wordt dit
niet meer gezien als een keuze tussen twee opties. Ontwikkeling ontstaat juist uit
de interactie tussen biologische aanleg en omgevingsinvloeden. Een derde vraag gaat
over stabiliteit en verandering: blijven eigenschappen zoals temperament hetzelfde
gedurende het leven, of kunnen ze veranderen door ervaringen en omstandigheden (Feldman
H1).
Om deze vragen te beantwoorden gebruiken psychologen verschillende theoretische
perspectieven. In het eerste college worden deze perspectieven samengebracht in drie grote
paradigma’s, zoals beschreven door Green & Piel. Zij stellen dat theorieën functioneren als
een soort “raam” waardoor we naar ontwikkeling kijken. Afhankelijk van het raam dat je
gebruikt, zie je ontwikkeling op een andere manier.
Het eerste paradigma is het endogene paradigma. In dit perspectief wordt ontwikkeling
vooral verklaard vanuit processen binnen het individu. Biologische rijping en genetische
factoren spelen hier een belangrijke rol. Theorieën van Freud en Erikson passen in dit
perspectief. Zij beschrijven ontwikkeling als een reeks stadia die grotendeels bepaald worden
door biologische processen en interne psychologische krachten. In dit paradigma wordt
verandering dus vooral gezien als het resultaat van maturatie, een biologisch gestuurd
groeiproces (Green & Piel).
Het tweede paradigma is het exogene paradigma, waarin juist de omgeving centraal staat.
Gedrag wordt hier gezien als een reactie op prikkels uit de omgeving. Behavioristische
theorieën, zoals die van Skinner, leggen uit hoe gedrag kan worden gevormd door beloning en
straf. Bandura voegt hieraan toe dat mensen ook leren door observatie en imitatie van
anderen. Vanuit dit perspectief is ontwikkeling dus sterk afhankelijk van leerervaringen en
sociale invloeden (Green & Piel).
,Het derde paradigma is het constructivistische paradigma, dat vooral wordt geassocieerd
met Piaget en Kohlberg. In deze benadering wordt ontwikkeling niet gezien als iets dat alleen
van binnenuit of van buitenaf wordt bepaald. In plaats daarvan wordt kennis
actief geconstrueerd door het kind zelf. Kinderen bouwen hun begrip van de wereld op door
interactie met hun omgeving. Piaget beschreef dit proces als een voortdurende balans
tussen assimilatie (nieuwe informatie inpassen in bestaande schema’s)
en accommodatie (schema’s aanpassen aan nieuwe ervaringen). Ontwikkeling is hier dus een
actief leerproces waarin het kind zelf een belangrijke rol speelt (Green & Piel).
Hoewel deze paradigma’s verschillende verklaringen geven, benadrukt het college dat geen
enkele theorie op zichzelf volledig is. Daarom wordt vaak een eclectische
benadering gebruikt, waarbij inzichten uit verschillende theorieën worden gecombineerd om
ontwikkeling beter te begrijpen.
Naast theorie is ook onderzoeksmethode essentieel in de ontwikkelingspsychologie. Om
veranderingen in ontwikkeling te meten gebruiken onderzoekers verschillende
onderzoeksdesigns. Bij longitudinaal onderzoek worden dezelfde personen over een langere
periode gevolgd. Dit maakt het mogelijk om echte veranderingen in ontwikkeling te
observeren, maar het kost veel tijd en deelnemers kunnen uitvallen.
Bij dwarsdoorsnedeonderzoek worden verschillende leeftijdsgroepen op één moment met
elkaar vergeleken. Dit is efficiënter, maar het kan moeilijk zijn om verschillen tussen groepen
te interpreteren, omdat deze ook kunnen worden veroorzaakt door cohort-effecten. Dat
betekent dat mensen uit verschillende generaties verschillende historische of sociale
ervaringen hebben gehad. Een derde methode, cross-sequentieel onderzoek, combineert
elementen van beide designs om zowel leeftijdsverschillen als cohort-effecten beter te
begrijpen (Feldman H2).
Onderzoek kan bovendien verschillende doelen hebben. In experimenteel
onderzoek manipuleert de onderzoeker een variabele om te testen of deze een causaal effect
heeft. Bij correlationeel onderzoek wordt alleen gekeken of variabelen samenhangen, zonder
dat er een directe oorzaak-gevolgrelatie kan worden vastgesteld. Dit onderscheid is belangrijk,
omdat correlaties vaak verkeerd worden geïnterpreteerd als oorzaken.
De betrouwbaarheid van onderzoek is ook afhankelijk van de gebruikte methoden.
Onderzoekers verzamelen gegevens bijvoorbeeld via observaties, vragenlijsten, interviews,
tests, etnografisch onderzoek of casestudies. Elke methode heeft eigen voordelen en
beperkingen. Observaties kunnen bijvoorbeeld gedrag in een natuurlijke situatie vastleggen,
maar deelnemers kunnen zich anders gedragen wanneer ze weten dat ze worden geobserveerd.
Een belangrijk onderdeel van het eerste college is het kritisch bekijken van onderzoek. Dit
wordt geïllustreerd met het bekende debat rond de theorie van Plooij over
ontwikkelingssprongen bij baby’s. Volgens deze theorie zouden baby’s op vaste momenten in
hun eerste levensjaar ontwikkelingssprongen doormaken, voorafgegaan door zogenaamde
regressieweken. Het artikel van Van der Maas en collega’s laat echter zien dat het
oorspronkelijke onderzoek methodologische problemen had, zoals een kleine steekproef en
onvoldoende controle in de dataverzameling. Wanneer het onderzoek onder strengere
voorwaarden werd herhaald, bleek er geen consistent patroon van sprongen te bestaan. Dit
voorbeeld laat zien hoe belangrijk replicatie en methodologische zorgvuldigheid zijn in
wetenschappelijk onderzoek.
,Tot slot wordt in het college benadrukt dat onderzoek met mensen aan strikte ethische
regels moet voldoen. Deelnemers moeten geïnformeerde toestemming geven, het recht
hebben om op elk moment te stoppen en beschermd worden tegen schade. Onderzoek moet
bovendien worden beoordeeld door ethische commissies.
Samenvattend laat het eerste college zien dat het begrijpen van menselijke ontwikkeling
vraagt om een combinatie van theorie, empirisch onderzoek en kritisch denken.
Verschillende theoretische perspectieven bieden verschillende verklaringen voor
ontwikkeling, maar geen enkel perspectief kan het volledige proces alleen verklaren. Daarom
is het belangrijk om meerdere benaderingen te combineren en onderzoek zorgvuldig te
evalueren.
Psychodynamische perspectief: Sigmund Freud
Het richt zich op het onbewuste, die verklaringen doen over het gedrag. Freud stelde dat
persoonlijkheid bestaat uit drie componenten:
- Id: het aangeboren, onbewuste deel van de persoonlijkheid dat gericht is op directe
bevrediging van driften
- Ego: het rationele en realistische deel dat bemiddelt tussen de eisen van het id en de
werkelijkheid
- Superego: het morele deel van de persoonlijkheid, wat normen en waarden bevat
Daarnaast beschreef Freud vijf fasen van psychoseksuele ontwikkeling
- Orale fase (0-18 maanden): interesse in orale bevrediging door zuigen, eten, bewegen
van de lippen en bijten
- Anale fase (18 maanden – 3 jaar): bevrediging ontstaat door het ophouden en laten
gaan van ontlasting, waarbij het kind leert omgaan met lichaamscontrole en met de
maatschappelijke verwachtingen rond zindelijkheid
- Fallische fase (3-4 jaar): in deze fase ontstaat interesse in de geslachtsdelen en speelt
het oedipuscomplex een centrale rol. Het kind ervaart een emotionele en erotische
verbinding met de ouder van het andere geslacht en ziet de ouder met hetzelfde
geslacht als concurrent. Het succes vol oplossen van dit conflict leidt tot identificatie
met de ouder van hetzelfde geslacht.
- Latente fase (5-6 jaar): seksualiteit ligt grotendeels op de achtergrond
- Genitale fase (adolescentie): opnieuw ontdekken van seksuele interesses en het
aangaan van seksuele relaties.
Volgens Freud kan een fixatie ontstaan wanneer de behoeften van het kind in bepaalde fase
niet of onvoldoende wordt bevredigd, dit kan gevolgen hebben voor de latere
persoonlijkheidsontwikkeling.
Erik Erikson bouwde voort op de ideeën van Freud, maar legde de nadruk op sociale
invloeden in plaats van seksuele driften. Erikson ontwikkelde de psychosociale ontwikkeling,
die bestaat uit acht levensfasen, waarin elke keer een psychosociale crisis moet worden
opgelost
- Zintuigelijke fase (0-18 maanden): Vertrouwen versus wantrouwen. Grote
afhankelijkheid van ouders. Onveilige, onbetrouwbare opvoedingssituaties kan leiden
tot wantrouwen
- Peuterleeftijd (18 maanden- 3 jaar) autonomie versus schaamte en twijfel. Kind leert
steeds meer dingen zelf te doen, grenzen op zoeken hoort bij deze fase. Te veeleisende
of overbeschermde opvoeding kan leiden tot schaamte of twijfel
, - Kleutertijd (3-5 jaar): initiatief versus schuldgevoel. Ontdekken van manieren om
handelingen in gang te zetten, maar schuldgevoel over daden en gedachten horen hier
ook bij
- Basisschoolleeftijd (6- 12 jaar) ijver versus minderwaardigheid. Groeiend besef van
competenties, maar gevoelens van minderwaardigheid en geen vertrouwen in eigen
kunnen zijn mogelijk aanwezig.
- Adolescentie (12-18 jaar): identiteit versus identiteitsverwarring. Bewustzijn van eigen
uniekheid, weten welke rol te vervullen. Ook onvermogen om passende rollen in het
leven te herkennen.
- Vroege volwassenheid (18-35 jaar): intimiteit versus isolement. Ontwikkeling van
liefdevolle seksuele relaties en hechte vriendschappen, maar ook angst voor relaties
met anderen
- Middelbare volwassenheid (35-55/65 jaar) generativiteit versus stagnatie. Gevoel bij
te dragen aan de continuïteit van het leven, maar ook bagatelliseren van eigen
activiteiten
- Late volwassenheid (55/65 jaar – dood) Ego-integriteit versus wanhoop. Gevoel van
eenheid in wat men in het leven heeft bereikt, maar ook spijt van gemiste kansen
COLLEGE 2: GEDRAGSGENETICA & CULTUUR EN EVOLUTIE
De ontwikkeling van kinderen wordt altijd bepaald door een samenspel van nature en
nurture. Met nature wordt de genetische aanleg bedoeld die een kind van zijn ouders
erft. Nurture verwijst naar alle invloeden uit de omgeving, zoals opvoeding, cultuur,
onderwijs en sociale ervaringen. De kenmerken die we uiteindelijk bij een persoon kunnen
waarnemen – zoals gedrag, uiterlijk of cognitieve vaardigheden – worden
het fenotype genoemd. Dit fenotype ontstaat dus niet alleen door genen of alleen door
omgeving, maar door de interactie tussen beide.
Om te begrijpen hoe genen invloed hebben op gedrag is het belangrijk te beseffen dat genen
gedrag niet rechtstreeks veroorzaken. Genen bevatten informatie voor de productie
van eiwitten, en deze eiwitten spelen een rol bij de ontwikkeling van cellen en
hersenstructuren. Via deze biologische processen kunnen genen uiteindelijk invloed hebben
op gedrag. Er bestaat daarom niet zoiets als één enkel “gen voor gedrag”. De meeste
psychologische eigenschappen zijn polygeen, wat betekent dat ze door veel verschillende
genen tegelijk worden beïnvloed. Bovendien werken genen altijd samen met
omgevingsinvloeden.
De wetenschappelijke discipline die onderzoekt hoe genetische en omgevingsfactoren
bijdragen aan verschillen tussen mensen wordt gedragsgenetica genoemd. Gedragsgenetica
richt zich niet op individuele personen, maar op variatie tussen mensen in een populatie.
Onderzoekers proberen te bepalen hoeveel van die variatie wordt veroorzaakt door genetische
factoren en hoeveel door omgevingsinvloeden.
In gedragsgenetica onderzoek wordt de variatie in een eigenschap vaak verdeeld in drie
onderdelen. Het eerste deel is de genetische invloed, ook wel aangeduid met A of G. Dit
wordt uitgedrukt in de erfelijkheidscoëfficiënt (heritability, h²). Deze waarde geeft aan welk
deel van de verschillen tussen mensen genetisch verklaard kan worden. Het tweede deel is
de gedeelde omgeving (C). Dit zijn omgevingsinvloeden die kinderen binnen een gezin met
elkaar delen, zoals opvoedstijl, sociaal-economische status of woonomgeving. Het derde deel
is de niet-gedeelde omgeving (E). Dit zijn ervaringen die kinderen juist niet delen, zoals