College 1
Spruit et al,.
Waar gaat het artikel over?
Spruit en collega’s (2016) hebben vier meta-analyses uitgevierd om te onderzoeken of fysieke
activiteit interventies (zoals sport en aerobe oefeningen) effectief zijn bij adolescenten met
vier psychosociale uitkomsten
1. Externaliserende problemen (agressie, delinquentie, gedragsproblemen)
2. Internaliserende problemen (angst, depressie, emotionele problemen)
3. Zelfbeeld (zelfconcept, eigenwaarde)
4. Schoolprestaties (cijfers, gestandaardiseerde toetsen)
In totaal werden 57 studies met 216 effectgroottes geïncludeerd.
Theoretische achtergrond
Er zijn vier verklaringen waarom fysieke activiteit zou helpen
- Fysiologisch: beweging zorgt onder andere voor verhoogde bloed- en zuurstoftoevoer
naar de hersenen, afgifte van endorfines en betere hersenplasticiteit, wat stress en
angst vermindert en concentratie verbetert
- Sociale vaardigheden en moraal: sport biedt leerkansen voor eerlijkheid, sportiviteit,
omgaan met regels, zelfbeheersing en samenwerking
- Sociale inclusie en identiteit: sporten geeft een gevoel van ergens bij horen en coaches
kunnen rolmodellen zijn. Maar er is ook een keerzijde: competitie kan juist ‘wij vs.
zij’ gevoelens versterken
- Succes ervaring: vaardigheden leren en wedstrijden winnen kan het zelfbeeld
versterken- maar verliezen of geen vooruitgang ervaren kan juist negatief uitpakken
Methode:
- Adolescenten tussen 11-18 jaar (range 10-21)
- Alleen (quasi) experimentele studies (interventiegroep vs. controlegroep)
- Wildernis-/ avontuurprogramma’s werden uitgesloten
- Een multilevel meta-analytische techniek werd gebruikt, zodat alle effectgroottes per
studie konden worden meegenomen
Belangrijkste resultaten:
Alle vier de meta-analyses lieten significante kleine tot middelgrote effecten zien
Er zijn geen aanwijzingen voor publicatiebias
Welke factoren beïnvloeden het effect (moderator-analyses)
Externaliserende problemen:
- Type controlegroep maakt verschil: het effect was sterker als de controlegroep ook een
(andere) interventie kreeg en er was geen effect als de controlegroep niks kreeg. De
auteurs suggereren dat de controlegroep mogelijk gefrustreerd raakte doordat ze niet
mee mochten doen aan de populaire sportactiviteit, waardoor hun gedrag
verslechterde.
Internaliserende problemen:
- Studieontwerp: Quasi-experimentele studies lieten sterkere effecten zien dan RCT’s
(waarschijnlijk door minder strenge methodologie)
- Geslacht: sterkte effecten in groepen met meer meisjes
- Klinische diagnose: sterkere effecten bij adolescenten met een klinische diagnose dan
bij gezonde adolescenten
,Zelfbeeld:
- Type fysieke activiteit (Aerobe) oefeningen hadden een groter effect dan
sportactiviteiten. De verklaring: oefenen richt zich op fysieke verbetering en
lichaamsbeleving (je goed voelen over jezelf), terwijl sport meer competitief is,
verliezen kan juist het zelfbeeld schaden
Schoolprestaties
- Type meting: sterkere effecten bij cijfers dan gestandaardiseerde toetsen. Mogelijke
verklaring: toetsen meten meer IQ (relatief stabiel) terwijl cijfers ook academisch
gedrag meten (beter beïnvloedbaar)
Wat betekent dit voor de praktijk
- Fysieke activiteit-interventies zijn over het algemeen effectief voor het verminderen
van psychosociale problemen en het verbeteren van zelfbeeld en schoolprestaties bij
adolescenten
- Maar: niet klakkeloos inzetten. Interventies moeten zorgvuldig worden afgestemd met
de doelgroep en het specifieke psychosociale doel.
- In sommige situaties kunnen interventies zelfs schadelijk zijn (bijv. zelfbeeld bij
steeds verliezen)
Hoofstuk 1: handboek
Inleiding
Onderzoek naar peer relations (omgang met leeftijdsgenoten) bij kinderen en adolescenten
bestaat al ruim 120 jaar, beginnend met Will S. Monroe’s artikel uit 1898 over ‘social
consciousness’. Het veld voldoet aan twee kenmerken die ontwikkelingstheoreticus Heinz
Werner (1957) voor ‘echte ontwikkeling’ benoemde: differentiatie (verfijning van constructen
en metingen) en articulatie. Peer relations hangen samen met veel domeinen: emotionele
competentie, emotieregulatie, psychofysiologie, cognitieve ontwikkeling, agressie, prosociaal
gedrag, psychopathologie, het ‘zelf’ en moreel gedrag.
De ‘Great Roe’ metafoor
De auteurs vergelijken het onderzoeksveld met Woody Alleens mythologische beest ‘the great
roe’: een dier met het lichaam va neen leeuw en het hoofd va neen leeuw, maar niet van
dezelfde leeuw. Sinds eind jaren ‘70/ begin jaren ’80 wordt peer-onderzoek gedragen door een
alliantie tussen twee groepen
- Sociaal-ontwikkelingspsychologen: geïnteresseerd in normale sociale ontwikkeling
- Klinisch georiënteerde kinderpsychologen: geïnteresseerd in hoe peer-ervaringen
psychopathologie veroorzaken
Beide groepen hebben elkaar verrijkt, mede door invloed van ethologen en het opkomende
veld van development psychopathology
Hoofdthema’s
Onderzoek naar peer relations valt grofweg uiteen in drie samenhangende thema’s:
- Features: way peers met elkaar doen
- Effects: associaties tussen verschillende features
- Processes: onderliggende mechanismen die deze effecten verklaren
Peer-relaties zijn uniek omdat ze (anders dan familierelaties) vrijwillig en horizontaal zijn,
beide partijen delen macht en kunnen de relatie op elk moment beëindigen.
,Features (kenmerken)
Monroe’s pionier studie (1898) vroeg meer dan 2.000 kinderen (7-16 jaar) wat zij
waardeerden in een beste vriend. Opvallend was de grote variabiliteit in antwoorden: niet-
ruziezoekend gedrag, morele/ prosociale eigenschappen, mentale competentie en relationele
kenmerken zoals gelijkenis in leeftijd en gender.
Features kunnen volgens drie systemen geordend worden:
- Persoonlijke oriëntatie (drie richtingen)
o Moving toward others: sociabiliteit, altruïsme, groepscohesie
o Moving against others: agressie, conflict, victimisatie
o Moving away grom others: terugtrekking, vermijding
Onderzoek richt zich vooral op de eerst twee, omdat deze relevant zijn voor zowel
basisonderzoek als klinische interventies en bovendien aantrekkelijk zijn voor financiering.
- Structurele eigenschappen:
Positieve en negatieve links tussen individuen, gestart met Moreno & Jennings Who shall
survive (1934). Voorbeeld; hoeveel kinderen vinden een specifiek kind aardig (acceptatie) of
niet aardig (afwijzing)
- Sociale complexiteit
Een drie-niveau-model (individu, dyade, groep) van Rubin, Bukowski& Bowker (2015),
passend binnen het uitgebreidere zes-niveau-model van Hinde & Stevenson-Hinde:
1. Biologische/ psychologische processen
2. Kenmerken van het individu
3. Interpersoonlijke interacties
4. Relaties
5. Sociale groepen
6. Maatschappij/ cultuur
Voorbeeld: peer-acceptatie wordt toegeschreven aan een individueel kind, maar wordt
berekend op groepsniveau (bv. Hoe vaak een kind als ‘leuk’ gekozen wordt door klasgenoten).
Hetzelfde geldt voor afwijzing, populariteit en victimisatie.
Cultuur (niveau 6) functioneert als een betekenis gevend systeem dat waarde toekent aan
gedrag op lagere niveaus. Bijvoorbeeld: de mate waarin agressie getolereerd wordt, hangt af
van de mate van individualisme in een cultuur.
Effects (effecten)
Onderzoekers willen weten wat peer-ervaringen voorafgaat (antecedenten) en wat eruit
voorkomt (consequenties). Er zijn twee benaderingen
- Individuele verschillen (de dominante aanpak): kinderen worden op meerdere
momenten gemeten om causale verbanden tussen variabelen te identificeren.
Longitudinaal onderzoek is hier de standaardmethode geworden.
- Leeftijd gerelateerde veranderingen (minder populair tegenwoordig). De auteurs
noemen drie reden voor de afname:
o Het is vooral relevant voor een deel van de leeuw (de sociaal-
ontwikkelingspsychologen)
o Subsidietrekkers zien weinig direct nut in
o Onderzoekers erkennen steeds vaker dat individuele verschillen belangrijker
zijn dan universele patronen
Effects vormen de bouwsteen van vooruitgang, maar krijgen pas betekenis binnen een
conceptueel kader (theorie en proces)
, Processes (processen)
Theorievorming over peer relations is pluralistisch. Drie klassieke hoofdstromingen
- Behavior-oriented models: peers belonen en straffen elkaar. Vrienden worden gezien
als bronnen van wederzijde beloning en peers fungeren als rolmodellen die elkaar
imiteren. Via beloning, straf en imitatie vormen peers elkaar gedrag
- Constructivistische/ organismische modellen
o Piaget: benadrukte de gelijkwaardigheid tussen peers. In tegenstelling tot
verticale interacties met ouders/ leerkrachten zijn peer-interacties horizontaal,
wat ruimte biedt voor onderhandeling. Conflictoplossing en co-constructie van
ideeën
o Vygotsky: beschreef peers als bron van co-constructie binnen de zone van
naaste ontwikkeling: vrienden met iets meer competentie kunnen ontwikkeling
stimuleren.
- Ethologische modellen: peer gedrag komt voort uit ons evolutionair erfgoed. Centrale
concepten: security, resource control, dominance, cooperation. Agressie kan
bijvoorbeeld gezien worden als een vorm van resource control
Buiten de psychologie
- Symbolisch interactionisten en psychiater Harry Stack Sullivan: kinderen zien zichzelf
zoals zij denken dat anderen hen zien. Sullivan benadrukte het belang van een chum
(close vriendschap) in de vroege adolescentie als bron van validatie en welzijn.
Geïsoleerde adolescenten ontwikkelen volgens hem gevoelens en inferioriteit
- Mead: uitwisseling tussen peers (samenwerking, competitie, conflict, vriendelijke
discussie) leert kinderen over zichzelf en anderen.
Teruggang van grand theorieën: drie reden waarom grote theorieën uit de mode raakte:
1. Hun concepten waren te absurd voor goed te toetsen hypothese
2. Conceptueel werk pas niet goed bij survey-methodes
3. De wetenschap verschoof van null hypothesis testing naar het verklaren van variantie
in uitkomstmaten
Onderzoekers werken nu vaker met mini-theorieën. De auteurs waarschuwen wel: zonder
grote theorieën dreigt het veld op parallel play te lijken in plaats vaan op echte co-
constructieve samenwerking.
Vijf richtingen voor de toekomst
1. Verhoog de complexiteit van analyses: gebruik multilevel modellen die individu,
dyade en groep integreren
2. Onderzoek contextuele variatie meer direct: niet alleen culturen vergelijken, maar de
specifieke kenmerken van contexten zelf meten
3. Heronderzoek de relaties tussen relaties: twee werelden van de kindertijd (gezin en
peers) bijvoorbeeld bij vluchtelingkinderen
4. Benadruk peers in psychofysiologie en neurowetenschap: kijk verder dan correlaties
met biologische processen en onderzoek of peer-ervaringen deze systemen
daadwerkelijk vormen
5. Beoordeel systematischer wat echt belangrijk is: bij constructen als acceptatie,
vriendschap, afwijzing, exclusie en victimisatie: welk construct is het belangrijkst
voor welke uitkomst, in welke context en cultuur.
Spruit et al,.
Waar gaat het artikel over?
Spruit en collega’s (2016) hebben vier meta-analyses uitgevierd om te onderzoeken of fysieke
activiteit interventies (zoals sport en aerobe oefeningen) effectief zijn bij adolescenten met
vier psychosociale uitkomsten
1. Externaliserende problemen (agressie, delinquentie, gedragsproblemen)
2. Internaliserende problemen (angst, depressie, emotionele problemen)
3. Zelfbeeld (zelfconcept, eigenwaarde)
4. Schoolprestaties (cijfers, gestandaardiseerde toetsen)
In totaal werden 57 studies met 216 effectgroottes geïncludeerd.
Theoretische achtergrond
Er zijn vier verklaringen waarom fysieke activiteit zou helpen
- Fysiologisch: beweging zorgt onder andere voor verhoogde bloed- en zuurstoftoevoer
naar de hersenen, afgifte van endorfines en betere hersenplasticiteit, wat stress en
angst vermindert en concentratie verbetert
- Sociale vaardigheden en moraal: sport biedt leerkansen voor eerlijkheid, sportiviteit,
omgaan met regels, zelfbeheersing en samenwerking
- Sociale inclusie en identiteit: sporten geeft een gevoel van ergens bij horen en coaches
kunnen rolmodellen zijn. Maar er is ook een keerzijde: competitie kan juist ‘wij vs.
zij’ gevoelens versterken
- Succes ervaring: vaardigheden leren en wedstrijden winnen kan het zelfbeeld
versterken- maar verliezen of geen vooruitgang ervaren kan juist negatief uitpakken
Methode:
- Adolescenten tussen 11-18 jaar (range 10-21)
- Alleen (quasi) experimentele studies (interventiegroep vs. controlegroep)
- Wildernis-/ avontuurprogramma’s werden uitgesloten
- Een multilevel meta-analytische techniek werd gebruikt, zodat alle effectgroottes per
studie konden worden meegenomen
Belangrijkste resultaten:
Alle vier de meta-analyses lieten significante kleine tot middelgrote effecten zien
Er zijn geen aanwijzingen voor publicatiebias
Welke factoren beïnvloeden het effect (moderator-analyses)
Externaliserende problemen:
- Type controlegroep maakt verschil: het effect was sterker als de controlegroep ook een
(andere) interventie kreeg en er was geen effect als de controlegroep niks kreeg. De
auteurs suggereren dat de controlegroep mogelijk gefrustreerd raakte doordat ze niet
mee mochten doen aan de populaire sportactiviteit, waardoor hun gedrag
verslechterde.
Internaliserende problemen:
- Studieontwerp: Quasi-experimentele studies lieten sterkere effecten zien dan RCT’s
(waarschijnlijk door minder strenge methodologie)
- Geslacht: sterkte effecten in groepen met meer meisjes
- Klinische diagnose: sterkere effecten bij adolescenten met een klinische diagnose dan
bij gezonde adolescenten
,Zelfbeeld:
- Type fysieke activiteit (Aerobe) oefeningen hadden een groter effect dan
sportactiviteiten. De verklaring: oefenen richt zich op fysieke verbetering en
lichaamsbeleving (je goed voelen over jezelf), terwijl sport meer competitief is,
verliezen kan juist het zelfbeeld schaden
Schoolprestaties
- Type meting: sterkere effecten bij cijfers dan gestandaardiseerde toetsen. Mogelijke
verklaring: toetsen meten meer IQ (relatief stabiel) terwijl cijfers ook academisch
gedrag meten (beter beïnvloedbaar)
Wat betekent dit voor de praktijk
- Fysieke activiteit-interventies zijn over het algemeen effectief voor het verminderen
van psychosociale problemen en het verbeteren van zelfbeeld en schoolprestaties bij
adolescenten
- Maar: niet klakkeloos inzetten. Interventies moeten zorgvuldig worden afgestemd met
de doelgroep en het specifieke psychosociale doel.
- In sommige situaties kunnen interventies zelfs schadelijk zijn (bijv. zelfbeeld bij
steeds verliezen)
Hoofstuk 1: handboek
Inleiding
Onderzoek naar peer relations (omgang met leeftijdsgenoten) bij kinderen en adolescenten
bestaat al ruim 120 jaar, beginnend met Will S. Monroe’s artikel uit 1898 over ‘social
consciousness’. Het veld voldoet aan twee kenmerken die ontwikkelingstheoreticus Heinz
Werner (1957) voor ‘echte ontwikkeling’ benoemde: differentiatie (verfijning van constructen
en metingen) en articulatie. Peer relations hangen samen met veel domeinen: emotionele
competentie, emotieregulatie, psychofysiologie, cognitieve ontwikkeling, agressie, prosociaal
gedrag, psychopathologie, het ‘zelf’ en moreel gedrag.
De ‘Great Roe’ metafoor
De auteurs vergelijken het onderzoeksveld met Woody Alleens mythologische beest ‘the great
roe’: een dier met het lichaam va neen leeuw en het hoofd va neen leeuw, maar niet van
dezelfde leeuw. Sinds eind jaren ‘70/ begin jaren ’80 wordt peer-onderzoek gedragen door een
alliantie tussen twee groepen
- Sociaal-ontwikkelingspsychologen: geïnteresseerd in normale sociale ontwikkeling
- Klinisch georiënteerde kinderpsychologen: geïnteresseerd in hoe peer-ervaringen
psychopathologie veroorzaken
Beide groepen hebben elkaar verrijkt, mede door invloed van ethologen en het opkomende
veld van development psychopathology
Hoofdthema’s
Onderzoek naar peer relations valt grofweg uiteen in drie samenhangende thema’s:
- Features: way peers met elkaar doen
- Effects: associaties tussen verschillende features
- Processes: onderliggende mechanismen die deze effecten verklaren
Peer-relaties zijn uniek omdat ze (anders dan familierelaties) vrijwillig en horizontaal zijn,
beide partijen delen macht en kunnen de relatie op elk moment beëindigen.
,Features (kenmerken)
Monroe’s pionier studie (1898) vroeg meer dan 2.000 kinderen (7-16 jaar) wat zij
waardeerden in een beste vriend. Opvallend was de grote variabiliteit in antwoorden: niet-
ruziezoekend gedrag, morele/ prosociale eigenschappen, mentale competentie en relationele
kenmerken zoals gelijkenis in leeftijd en gender.
Features kunnen volgens drie systemen geordend worden:
- Persoonlijke oriëntatie (drie richtingen)
o Moving toward others: sociabiliteit, altruïsme, groepscohesie
o Moving against others: agressie, conflict, victimisatie
o Moving away grom others: terugtrekking, vermijding
Onderzoek richt zich vooral op de eerst twee, omdat deze relevant zijn voor zowel
basisonderzoek als klinische interventies en bovendien aantrekkelijk zijn voor financiering.
- Structurele eigenschappen:
Positieve en negatieve links tussen individuen, gestart met Moreno & Jennings Who shall
survive (1934). Voorbeeld; hoeveel kinderen vinden een specifiek kind aardig (acceptatie) of
niet aardig (afwijzing)
- Sociale complexiteit
Een drie-niveau-model (individu, dyade, groep) van Rubin, Bukowski& Bowker (2015),
passend binnen het uitgebreidere zes-niveau-model van Hinde & Stevenson-Hinde:
1. Biologische/ psychologische processen
2. Kenmerken van het individu
3. Interpersoonlijke interacties
4. Relaties
5. Sociale groepen
6. Maatschappij/ cultuur
Voorbeeld: peer-acceptatie wordt toegeschreven aan een individueel kind, maar wordt
berekend op groepsniveau (bv. Hoe vaak een kind als ‘leuk’ gekozen wordt door klasgenoten).
Hetzelfde geldt voor afwijzing, populariteit en victimisatie.
Cultuur (niveau 6) functioneert als een betekenis gevend systeem dat waarde toekent aan
gedrag op lagere niveaus. Bijvoorbeeld: de mate waarin agressie getolereerd wordt, hangt af
van de mate van individualisme in een cultuur.
Effects (effecten)
Onderzoekers willen weten wat peer-ervaringen voorafgaat (antecedenten) en wat eruit
voorkomt (consequenties). Er zijn twee benaderingen
- Individuele verschillen (de dominante aanpak): kinderen worden op meerdere
momenten gemeten om causale verbanden tussen variabelen te identificeren.
Longitudinaal onderzoek is hier de standaardmethode geworden.
- Leeftijd gerelateerde veranderingen (minder populair tegenwoordig). De auteurs
noemen drie reden voor de afname:
o Het is vooral relevant voor een deel van de leeuw (de sociaal-
ontwikkelingspsychologen)
o Subsidietrekkers zien weinig direct nut in
o Onderzoekers erkennen steeds vaker dat individuele verschillen belangrijker
zijn dan universele patronen
Effects vormen de bouwsteen van vooruitgang, maar krijgen pas betekenis binnen een
conceptueel kader (theorie en proces)
, Processes (processen)
Theorievorming over peer relations is pluralistisch. Drie klassieke hoofdstromingen
- Behavior-oriented models: peers belonen en straffen elkaar. Vrienden worden gezien
als bronnen van wederzijde beloning en peers fungeren als rolmodellen die elkaar
imiteren. Via beloning, straf en imitatie vormen peers elkaar gedrag
- Constructivistische/ organismische modellen
o Piaget: benadrukte de gelijkwaardigheid tussen peers. In tegenstelling tot
verticale interacties met ouders/ leerkrachten zijn peer-interacties horizontaal,
wat ruimte biedt voor onderhandeling. Conflictoplossing en co-constructie van
ideeën
o Vygotsky: beschreef peers als bron van co-constructie binnen de zone van
naaste ontwikkeling: vrienden met iets meer competentie kunnen ontwikkeling
stimuleren.
- Ethologische modellen: peer gedrag komt voort uit ons evolutionair erfgoed. Centrale
concepten: security, resource control, dominance, cooperation. Agressie kan
bijvoorbeeld gezien worden als een vorm van resource control
Buiten de psychologie
- Symbolisch interactionisten en psychiater Harry Stack Sullivan: kinderen zien zichzelf
zoals zij denken dat anderen hen zien. Sullivan benadrukte het belang van een chum
(close vriendschap) in de vroege adolescentie als bron van validatie en welzijn.
Geïsoleerde adolescenten ontwikkelen volgens hem gevoelens en inferioriteit
- Mead: uitwisseling tussen peers (samenwerking, competitie, conflict, vriendelijke
discussie) leert kinderen over zichzelf en anderen.
Teruggang van grand theorieën: drie reden waarom grote theorieën uit de mode raakte:
1. Hun concepten waren te absurd voor goed te toetsen hypothese
2. Conceptueel werk pas niet goed bij survey-methodes
3. De wetenschap verschoof van null hypothesis testing naar het verklaren van variantie
in uitkomstmaten
Onderzoekers werken nu vaker met mini-theorieën. De auteurs waarschuwen wel: zonder
grote theorieën dreigt het veld op parallel play te lijken in plaats vaan op echte co-
constructieve samenwerking.
Vijf richtingen voor de toekomst
1. Verhoog de complexiteit van analyses: gebruik multilevel modellen die individu,
dyade en groep integreren
2. Onderzoek contextuele variatie meer direct: niet alleen culturen vergelijken, maar de
specifieke kenmerken van contexten zelf meten
3. Heronderzoek de relaties tussen relaties: twee werelden van de kindertijd (gezin en
peers) bijvoorbeeld bij vluchtelingkinderen
4. Benadruk peers in psychofysiologie en neurowetenschap: kijk verder dan correlaties
met biologische processen en onderzoek of peer-ervaringen deze systemen
daadwerkelijk vormen
5. Beoordeel systematischer wat echt belangrijk is: bij constructen als acceptatie,
vriendschap, afwijzing, exclusie en victimisatie: welk construct is het belangrijkst
voor welke uitkomst, in welke context en cultuur.