Globalisering -> uitschuiven -> productieproces
Laag betaald/ laag ongeschoold = semi-periferie.
Dimensies:
- Sociaal-cultureel
- Economisch
- Politiek
- Fysisch
Stollingsgesteente – basalt, graniet
Sedimentgesteente- fossielen
Metamorf gesteente- ontstaat onder hoge druk; marmer
Favela = zelfbouwwijk
Gated community
Segregatie
Itcz- intertropischeconvergentiezone
Schaalniveaus:
Lokaal- gemeente
Regionaal- regio/ streek
Nationaal- land
Continentaal- continent
Globaal
Fluviaal- waterwegen/ rivieren
Samenvatting
,H1 havo 4
Grootste rivieren zijn de maas en de Rijn, die hebben ook weer kleinere
zijrivieren. Dit samen heet het stroomstelsel van een rivier. Dit voert ook
al het regenwater af dat in een bepaald gebied valt, samen met het
grondwater. Dit heet het stroomgebied van een rivier.
De grens tussen 2 stroomgebieden heet een waterscheiding, dit is altijd
het hoger gelegen deel van het landschap zoals een gebergte.
Het stroomstelsel kun je opdelen in 3 onderdelen, die samen het
lengteprofiel van een rivier vormen.
1. De bovenloop; boven in de bergen, waar de rivier ontspringt. Hier
is het smal en stroomt het water snel door hoogteverschil. Vindt
hierdoor veel erosie plaats.
2. De middenloop; lager gelegen in vaak een heuvelachtig gebied.
Water stroomt langzamer. Hierdoor krijgt de rivier meer ruimte en
wordt dus breder. Ontstaan dus brede dalen in het landschap.
3. De benedenloop; laatste deel van de rivier voordat die uitmondt in
de zee. Door lage stroomsnelheid vindt er veel sedimentatie plaats.
Hoogteverschil tussen 2 plekken = verval.
Hoogteverschil delen door aantal km tussen de plekken = verhang,
hoogteverschil per km.
Soorten rivier:
- Gletsjerrivier = smeltwater van gletsjers.
- Regenrivier= regenwater dat via het grondwater en rijrivieren in de
hoofdrivier komt -> maas.
- Gemengde rivier= smeltwater dat wordt aangevuld met regenwater
-> lange rivieren zoals de rijn.
De verschillen in waterafvoer gedurende het jaar -> regiem.
De hoeveelheid water die een rivier afvoert op een bepaalde plek per
seconden -> debiet. In Nederland is dat in de wintermaanden. Winter valt
meer neerslag, in zomer verdampt meer en heeft de vegetatie meer water
nodig.
Door klimaatverandering:
, - Plotselinge hoge afvoer van een rivier= piekafvoer. Kan zorgen
voor wateroverlast.
- Door temperatuurstijging smelten gletsjers sneller en dus meer
kans op overstromingen.
- Zeespiegelstijging waardoor rivieren moeilijker kunnen afwateren in
de zee.
Erosie is het proces waarbij grond of gesteente wordt weggesleten
en afgevoerd door water, wind, ijs of zwaartekracht.
een rivier die langzaam haar oevers uitslijt.
Sedimentatie is het proces waarbij meegevoerd materiaal (zoals
zand, klei of grind) wordt afgezet.
zand dat zich ophoopt in een rivierdelta.
Verwering is het proces waarbij gesteente afbrokkelt of oplost onder
invloed van weer en temperatuur, zonder dat het wordt verplaatst.
scheuren in stenen door vorst.
Kribben = kleine stenen dammetjes die vanaf de oever de rivier in
steken, ze zorgen voor dat het water in het midden van de rivier het
snelste blijft stromen waardoor de vaargeul diep genoeg blijft.
Door ontbossing verdwijnt een deel van de natuurlijke begroeiing
waardoor meer water sneller in de rivier terecht komt.