HOORCOLLEGE 2 – GASTCOLLEGE ONTWIKKELINGSPSYCHOLOGIE
Periode 1, college week 2
In de wet kom je op diverse plekken verwijzingen tegen, zoals: ‘in het belang van het kind’,
‘ernstige bedreiging van de ontwikkeling’, ‘in een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling’.
Dus je moet iets weten van wat het belang van het kind inhoudt en welke ontwikkeling
normaal is om te kunnen beoordelen of die ontwikkeling wordt bedreigd. Bijv. 3 IVRK, 1:255
BW, 77s Sr, etc.
Belang van het kind
o Artikel 3 IVRK
o Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden
genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk
welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende
lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging
Jeugdhulp
o Jeugdhulp dient zich te richten op 3 ontwikkelingstaken (art. 1.1 Jeugdwet):
o Gezond en veilig opgroeien
o Het groeien naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid
o Het maatschappelijk participeren
Preambule Jeugdwet: ,, Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
verantwoordelijkheid voor het voorkomen van, de ondersteuning, hulp en zorg bij opgroei-
en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, de uitvoering van de
kinderbeschermingsmaatregelen en de jeugdreclassering bij de gemeente te beleggen, om
te komen tot betere samenwerking van hulpverleners rond gezinnen, eerdere ondersteuning
bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, hulp op maat
en meer ruimte voor professionals en tot het demedicaliseren, ontzorgen en normaliseren
van de jeugdsector, waarbij het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond
en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf lig
Domeinen van welzijn en ontwikkeling
Welzijn en de ontwikkeling van de jeugdige worden bepaald door de interactie tussen drie
domeinen (de drie zijden van de driehoek):
1. de ontwikkelingsbehoeften van de jeugdige;
2. de capaciteiten van de ouders (opvoeders) om in die behoeften te voorzien;
3. gezins- en omgevingsfactoren
,Opgroeien/ontwikkeling
De ontwikkeling van baby tot volwassene is veelomvattend en ligt op diverse gebieden:
o lichamelijke ontwikkeling
o cognitieve ontwikkeling
o de ontwikkeling van het denken, redeneren en begrijpen
o 4 fasen/perioden:
sensomotorische fase, 0-24 maanden
preoperationele fase, 2-7 jaar
concreet operationele fase, 7-11 jaar
formeel operationele fase, vanaf 11 jaar
o sociaal en emotionele ontwikkeling
o ontwikkeling van een eigen persoonlijkheid, overeenkomstig met
verwachtingen en gedragingen uit de sociale context
o ontwikkelen van o.a. emotie en het zelfbeeld
o sociaal: begrip krijgen voor andere mensen, omgangsregels, ontwikkelen
positief gedrag ten opzichte van de medemens
o emotioneel: regulering van emoties, gevoelens van jezelf en anderen leren
begrijpen en daarmee omgaan
o spraak en taalontwikkeling
o eerste signalen van taalverwerving bij kinderen vanaf ongeveer één jaar.
vanaf dan gebruiken ze taal actief. Daarvoor oefenen ze al in het maken van
geluiden. Voor die tijd voorbereiding op taalontwikkeling (voortalige periode,
0-1 jaar)
o eerste talige periode, 1-2,5 jaar
o differentiatiefase, 2,5-5 jaar
o voltooiingsfase, 5-9/10 jaar
De ontwikkelingstaken die kinderen moeten volbrengen zijn afhankelijk van hun leeftijd,
sekse en lichamelijke en sociaal-emotionele ontwikkeling. Ook culturele eisen spelen hierbij
een rol. Enkele ontwikkelingstaken per leeftijdscategorie:
, o 0 tot 1 jaar: het zoeken van nabijheid bij een ouder en het gebruiken van de ouders
als veilig basis, eten, drinken, objecten vastpakken, kruipen, spelen
o 2 tot 5 jaar: gezinsnormen eigen maken, zindelijk worden, een boodschap
overbrengen, samen spelen met leeftijdsgenootjes
o 6 tot 11 jaar: vergroten zelfstandigheid t.o.v. ouders, schoolse vaardigheden (lezen,
schrijven, rekenen) eigen maken, leren omgaan met fysieke gevaren (vuur, verkeer,
elektriciteit)
o 12 tot 17 jaar: nog verder onafhankelijk worden t.o.v. ouders, kennis en
vaardigheden opdoen om later een beroep uit te kunnen oefenen, zorgen voor een
gezonde voeding en conditie, goed gebruik van social media en internet, ontdekken
van je seksualiteit
o 18 tot 23 jaar: zorgen voor voldoende financiële middelen, zoeken naar een eigen
woonomgeving, een baan vinden en omgaan met collega’s en meerdere, vrije tijd op
goede wijze besteden, zelfredzaam worden, ervaring opdoen met duurzame relaties
o 24 tot 35 (niet bespreken)
Problemen in de ontwikkeling
o Ontwikkelingsstoornissen
o Gedragsproblemen
o Kijkt naar functioneren kind. Naast groei, uiterlijk (verzorging)
o Risicofactoren
Een kind met ADHD hoeft niet per definitie problemen te hebben/krijgen. Als de omgeving
er goed mee om weet te gaan, school er goed op inspeelt etc.
Nature-nurture
o Nature: alle eigenschappen van het individu zijn
bepaald door aanleg, bijv. het genetisch
materiaal
o Denk aan:
Intelligentie blijkt naar
schatting voor 80% te worden
bepaald door erfelijke aanleg
Afwijkingen DNA, bijv.
Downsyndroom
Ziekten (bijv. stofwisselingsziekte)
Stoornissen (ADHD, Autisme, e.d.)
Autisme
o Zeer hoge erfelijke component 90%. Komt 3x zo vaak
voor bij jongens dan bij meisjes.
o Autisme is een informatieverwerkingsstoornis. Dat wil
zeggen dat alle informatie die binnenkomt, dus wat je
hoort, ruikt, maar ook proeft en voelt, niet goed
verwerkt wordt. Alle informatie komt even hard binnen
en wordt niet gefilterd. Kinderen met autisme geven
vaak aan dat ze een ‘vol hoofd’ hebben en dat is dus
helemaal niet zo gek verwoord.
, Tekorten in sociale communicatie en interactie
Beperkte interesse en activiteiten, herhaalde
gedragspatronen
ADHD
o Is een externaliserende stoornis:
aandachtstekortstoornis met
hyperactiviteit/impulsiviteit
o Wordt gekenmerkt door drie probleemclusters die al
dan niet samen voorkomen: onoplettendheid,
hyperactiviteit en impulsiviteit
o De genetische bijdrage is groot: 65-90%
o Kinderen hebben moeite zich te concentreren en hun
impulsen te beheersen: geen reflectie voor het
handelen
o Meer kans op het ontwikkelen van gedragsstoornissen:
ongeveer de helft van de kinderen met ADHD
ontwikkelt een antisociale gedragsstoornis
o Mensen met ADHD hebben last van
concentratieproblemen, hyperactiviteit en impulsiviteit.
Hiervan ondervinden zij veel hinder in hun dagelijks
leven. Het komt ook vaak voor dat mensen wel ernstige
concentratieproblemen hebben, maar geen
hyperactiviteit of impulsiviteit. Dan noem je het ADD.
Mensen met ADHD of ADD hebben ook vaak last van
stemmingswisselingen en/of slaapritmeproblemen.
Daarnaast hebben ze moeite met plannen, organiseren,
overzicht houden over de hoeveelheid tijd en het
schakelen van de aandacht.
Dyslexie
o Is een leesstoornis
o Wordt gekenmerkt door een hardnekkig probleem met
het aanleren en/of vlot toepassen van het lezen en/of
het spellen op woordniveau
Verschillende stoornissen gaan vaker samen (co-morbiditeit).
Denk bijv. aan angststoornis en depressie
ODD/CD
o ODD = oppositioneel opstandige gedragsstoornis
Veel conflicten met volwassenen en regels
overtreden
o CD = antisociale gedragsstoornis
Er komen vier groepen symptomen voor:
Agressief gedrag (vechten en pesten)
Vernielen van eigendommen
(brandstichting)
Bedrog of diefstal (inbreken)
Ernstige overtredingen van regels zoals
weglopen van huis of spijpelen