Compacte samenvatting ontwikkelingsleer
Bachelor psychologie, jaar 1
Hoofdstuk 1; De mensen in het veld
Ontwikkelingsleer
= de wetenschappelijke studie van menselijke groei door het leven heen.
Cohort
= verwijst naar de mensen uit dezelfde generatie
Twee grote veranderingen in de 21e eeuw:
1. Ontstaan van de cyberwereld; contact gaat niet meer face-to-face
2. Economische crisis is 2008; grote financiële ongelijkheid
Sociaaleconomische status (SES)
= verwijst naar de educatie en het inkomen van mensen, wat van invloed is op de positie die men
inneemt op de maatschappelijke ladder.
Collectivistische cultuur
- Waarde wordt gehecht aan sociale harmonie
- Belang van de groep boven eigenbelang
Individualistische cultuur
- Waarde wordt gehecht aan persoonlijk succes en onafhankelijkheid
- Belang van individu boven groepsbelang
Theorieën
Nature VS nurture
- Behaviorisme (nurture)
o Operante conditionering (Skinner)
Reacties die beloond of bekrachtigd worden, worden geleerd
Reacties die niet bekrachtigd worden, zullen verdwijnen
o Cognitief behaviorisme (sociaal leren theorie) (Bandura)
Modeling
= het leren door het zien en imiteren van wat anderen doen
o Self-efficacy (Bandura)
Het geloof in de eigen bevoegdheid in het uitvoeren van een bepaalde taak
- Psychoanalytische theorie (Freud)
= focus op de vroege kindertijd en onbewuste motivaties
o Het gedrag dat men vertoont, wordt veroorzaakt door onbewuste gevoelens.
o Emotionele problemen zouden komen door onderdrukte gevoelens uit de vroege
kindertijd.
o Persoonlijkheid bestaat uit:
Id; instincten, behoeften en gevoelens
Dominant bij slechte opvoeding
Ego; het bewuste en rationele deel
, Dominant bij goede opvoeding
Superego; morele kant die weerstand biedt tegen id
o Baby’s zijn seksuele mensen erogene zones:
Mond orale fase
Zindelijkheid anale fase
Genitaliën fallische fase
Seksualiteit latente fase
Oedipus complex; de ouder van het andere geslacht wordt als
seksueel gezien en de ouder van hetzelfde geslacht als rivaal
- Hechtingtheorie (Bowlby)
= ervaringen die men op vroege leeftijd opdoet met verzorgers, vormt het vermogen om lief
te hebben.
o Baby’s moeten fysiek dichtbij hun verzorger zijn in de periode dat zij beginnen te
lopen
o Verstoren van deze hechting kan voor problemen zorgen
o Focus op nature, nurture en liefde
- Evolutionaire psychologie (nature)
= verklaren van gedrag door te kijken naar natuurlijke, aangeboren en biologische krachten
die zijn ontstaan om te overleven.
o Tegenhangers van behavioristen
- Gedragsgenetica
= onderzoeksstrategie waarbij onderzocht wordt wat de genetische bijdrage is van de
verschillen die we zien tussen mensen.
o Tweelingstudies; eeneiige en twee-eiige tweelingen vergelijken
o Adoptiestudies; geadopteerde kinderen die bij verschillende families zijn opgegroeid
vergelijken
o Is een kenmerk genetisch beïnvloed, dan hebben beide kinderen het kenmerk
Nature + nurture
Basisprincipe #1
= nature vormt nurture op twee manieren:
- Evocatieve krachten
= de krachten die aangeboren kenmerken hebben om bepaalde reacties van de wereld uit te
lokken.
o Bidirectionaliteit; men reageert op anderen door de manier waarop de ander zich
gedraagt
- Actieve krachten
= verwijzen naar het actief selecteren van de eigen omgevingen gebaseerd op de genetische
neigingen die men heeft
Basisprincipe #2
= men heeft de juiste nurture (levenservaringen) nodig om nature (genetische talenten) te kunnen
ervaren.
- Persoon-omgeving fit is belangrijk
- Epigenetica; studie over hoe de omgeving veranderingen aanbrengt aan de buitenste lagen
van het DNA, wat zorgt voor blijvende effecten.
, Psychosociale taken (Erikson)
1. Kindertijd (0-1); vertrouwen VS wantrouwen
2. Peutertijd (1-2); autonomie VS schaamte en twijfel
3. Jonge kindertijd (3-6); initiatief VS schuldgevoel
4. Midden kindertijd (6-puberteit); Vlijt VS minderwaardigheid
5. Adolescentie (tiener-begin 20); identiteit VS rolverwarring
6. Jongvolwassenheid (20-40); intimiteit VS isolement
7. Middenvolwassenheid (40-60); generativiteit VS stagnatie
8. Late volwassenheid (60-later); integriteit VS wanhoop
Cognitieve ontwikkelingstheorie (Piaget)
1. Sensomotorische fase (0-2); manipuleert objecten om de basis van de fysieke realiteit beter
te begrijpen.
2. Pre-operationele fase (2-7); de waarnemingen worden vastgelegd door de directe
observaties
3. Concreet operationele fase (8-12); realistisch begrip van de wereld. Er wordt conceptueel
geredeneerd over concrete objecten
4. Midden kindertijd (12-ouder); kunnen abstract denken op een wetenschappelijke manier.
Redenatie is op het hoogtepunt, zoals bij volwassenen.
Assimilatie
= het opnemen van nieuwe stukken uit de buitenwereld in de capaciteiten of bestaande cognitieve
structuren die het individu al bezit.
Accommodatie
= de gedachtegang wordt passend gemaakt aan de buitenwereld.
Ontwikkelingssysteembenadering (Bronfenbrenner)
- Microsystemen; de directe omgeving van het kind
- Mesosystemen; interactie tussen microsystemen
- Exosystemen; familie, schoolsysteem, gemeente en media
- Macrosystemen; cultuur, politiek en religie
Onderzoek
- Correlationele studie
= onderzoek naar de relatie tussen variabelen in hun natuurlijke staat
o Meten van variabelen;
Naturalistische observatie; gedrag in natuurlijke situatie
Zelfrapportage; vragenlijsten afnemen
Observer rapportage; bekenden van de persoon een vragenlijst laten
invullen
- Experimentele studie
= de variabele wordt geïsoleerd door de conditie te manipuleren en worden proefpersonen
random ingedeeld.
- Cross-sectionele studie
Bachelor psychologie, jaar 1
Hoofdstuk 1; De mensen in het veld
Ontwikkelingsleer
= de wetenschappelijke studie van menselijke groei door het leven heen.
Cohort
= verwijst naar de mensen uit dezelfde generatie
Twee grote veranderingen in de 21e eeuw:
1. Ontstaan van de cyberwereld; contact gaat niet meer face-to-face
2. Economische crisis is 2008; grote financiële ongelijkheid
Sociaaleconomische status (SES)
= verwijst naar de educatie en het inkomen van mensen, wat van invloed is op de positie die men
inneemt op de maatschappelijke ladder.
Collectivistische cultuur
- Waarde wordt gehecht aan sociale harmonie
- Belang van de groep boven eigenbelang
Individualistische cultuur
- Waarde wordt gehecht aan persoonlijk succes en onafhankelijkheid
- Belang van individu boven groepsbelang
Theorieën
Nature VS nurture
- Behaviorisme (nurture)
o Operante conditionering (Skinner)
Reacties die beloond of bekrachtigd worden, worden geleerd
Reacties die niet bekrachtigd worden, zullen verdwijnen
o Cognitief behaviorisme (sociaal leren theorie) (Bandura)
Modeling
= het leren door het zien en imiteren van wat anderen doen
o Self-efficacy (Bandura)
Het geloof in de eigen bevoegdheid in het uitvoeren van een bepaalde taak
- Psychoanalytische theorie (Freud)
= focus op de vroege kindertijd en onbewuste motivaties
o Het gedrag dat men vertoont, wordt veroorzaakt door onbewuste gevoelens.
o Emotionele problemen zouden komen door onderdrukte gevoelens uit de vroege
kindertijd.
o Persoonlijkheid bestaat uit:
Id; instincten, behoeften en gevoelens
Dominant bij slechte opvoeding
Ego; het bewuste en rationele deel
, Dominant bij goede opvoeding
Superego; morele kant die weerstand biedt tegen id
o Baby’s zijn seksuele mensen erogene zones:
Mond orale fase
Zindelijkheid anale fase
Genitaliën fallische fase
Seksualiteit latente fase
Oedipus complex; de ouder van het andere geslacht wordt als
seksueel gezien en de ouder van hetzelfde geslacht als rivaal
- Hechtingtheorie (Bowlby)
= ervaringen die men op vroege leeftijd opdoet met verzorgers, vormt het vermogen om lief
te hebben.
o Baby’s moeten fysiek dichtbij hun verzorger zijn in de periode dat zij beginnen te
lopen
o Verstoren van deze hechting kan voor problemen zorgen
o Focus op nature, nurture en liefde
- Evolutionaire psychologie (nature)
= verklaren van gedrag door te kijken naar natuurlijke, aangeboren en biologische krachten
die zijn ontstaan om te overleven.
o Tegenhangers van behavioristen
- Gedragsgenetica
= onderzoeksstrategie waarbij onderzocht wordt wat de genetische bijdrage is van de
verschillen die we zien tussen mensen.
o Tweelingstudies; eeneiige en twee-eiige tweelingen vergelijken
o Adoptiestudies; geadopteerde kinderen die bij verschillende families zijn opgegroeid
vergelijken
o Is een kenmerk genetisch beïnvloed, dan hebben beide kinderen het kenmerk
Nature + nurture
Basisprincipe #1
= nature vormt nurture op twee manieren:
- Evocatieve krachten
= de krachten die aangeboren kenmerken hebben om bepaalde reacties van de wereld uit te
lokken.
o Bidirectionaliteit; men reageert op anderen door de manier waarop de ander zich
gedraagt
- Actieve krachten
= verwijzen naar het actief selecteren van de eigen omgevingen gebaseerd op de genetische
neigingen die men heeft
Basisprincipe #2
= men heeft de juiste nurture (levenservaringen) nodig om nature (genetische talenten) te kunnen
ervaren.
- Persoon-omgeving fit is belangrijk
- Epigenetica; studie over hoe de omgeving veranderingen aanbrengt aan de buitenste lagen
van het DNA, wat zorgt voor blijvende effecten.
, Psychosociale taken (Erikson)
1. Kindertijd (0-1); vertrouwen VS wantrouwen
2. Peutertijd (1-2); autonomie VS schaamte en twijfel
3. Jonge kindertijd (3-6); initiatief VS schuldgevoel
4. Midden kindertijd (6-puberteit); Vlijt VS minderwaardigheid
5. Adolescentie (tiener-begin 20); identiteit VS rolverwarring
6. Jongvolwassenheid (20-40); intimiteit VS isolement
7. Middenvolwassenheid (40-60); generativiteit VS stagnatie
8. Late volwassenheid (60-later); integriteit VS wanhoop
Cognitieve ontwikkelingstheorie (Piaget)
1. Sensomotorische fase (0-2); manipuleert objecten om de basis van de fysieke realiteit beter
te begrijpen.
2. Pre-operationele fase (2-7); de waarnemingen worden vastgelegd door de directe
observaties
3. Concreet operationele fase (8-12); realistisch begrip van de wereld. Er wordt conceptueel
geredeneerd over concrete objecten
4. Midden kindertijd (12-ouder); kunnen abstract denken op een wetenschappelijke manier.
Redenatie is op het hoogtepunt, zoals bij volwassenen.
Assimilatie
= het opnemen van nieuwe stukken uit de buitenwereld in de capaciteiten of bestaande cognitieve
structuren die het individu al bezit.
Accommodatie
= de gedachtegang wordt passend gemaakt aan de buitenwereld.
Ontwikkelingssysteembenadering (Bronfenbrenner)
- Microsystemen; de directe omgeving van het kind
- Mesosystemen; interactie tussen microsystemen
- Exosystemen; familie, schoolsysteem, gemeente en media
- Macrosystemen; cultuur, politiek en religie
Onderzoek
- Correlationele studie
= onderzoek naar de relatie tussen variabelen in hun natuurlijke staat
o Meten van variabelen;
Naturalistische observatie; gedrag in natuurlijke situatie
Zelfrapportage; vragenlijsten afnemen
Observer rapportage; bekenden van de persoon een vragenlijst laten
invullen
- Experimentele studie
= de variabele wordt geïsoleerd door de conditie te manipuleren en worden proefpersonen
random ingedeeld.
- Cross-sectionele studie