artikelen + hoorcolleges
H4: Vraagstelling en hypothesevorming
Klinisch neuropsychologisch onderzoek steunt op drie pijlers:
Theorievorming over de cognitieve stoornissen/klachten en;
operationalisatie (vertalen naar meetbare concepten) en;
de meting hiervan.
Diagnosticus moet vraag van aanvrager/patiënt vertalen naar een of meer toetsbare vraagstellingen.
Twee protypische vraagstellingen:
1. Diagnostische vraagstellingen → vragen naar de differentiële diagnostiek, zoals die tussen
een dementie en depressie.
2. Beschrijvende vraagstellingen → vraagt naar een gedragsbeschrijving om te komen tot een
behandel- of begeleidingsplan.
Volgens Bijttebier et al. kunnen verwijsvragen herleid worden tot vijf basisvraagstellingen, die dan
betrekking hebben op onderkenning, verklaring, predictie, indicatie of evaluatie:
Wat zijn de problemen, wat lukt er nog en wat gaat mis?
o Vraagstellingstype: onderkenning
Waarom zijn er bepaalde problemen en/of wat houdt ze in stand?
o Vraagstellingstype: verklaring
Hoe zullen de problemen van de patiënt zich in de toekomst verder ontwikkelen?
o Vraagstellingstype: predictie
Hoe kunnen de problemen verholpen worden?
o Vraagstellingstype: indicatie
Zijn de problemen voldoende verholpen als gevolg van de interventie?
o Vraagstellingstype: evaluatie
Deze oorspronkelijke hulpvragen kunnen nog meer gedifferentieerd worden, met negen typen
vraagstellingen die ieder zouden moeten leiden tot andere onderzoekstypen.
Hypothesevorming
Vanaf eerste aanmelding van patiënt zal diagnosticus beginnen met het formuleren van hypotheses.
→ Hypotheses zullen gaan van:
meer algemeen (geheugenstoornis) naar;
specifiek (stoornis in zelfstandig opdiepen van informatie uit non-verbale geheugen).
Tijdens de (hetero)anamnese vormt psycholoog eventueel nog andere aanvullende hypothesen aan
de hand van nieuwe informatie en kan hij eerdere hypothesen soms al verwerpen → toetsen.
De aanvankelijke hypothese na lezing van aanvraag leidt dus tot een focus in de vragen die de
diagnosticus stelt tijdens de anamnese.
Hypotheses worden gevormd met behulp van specifieke kennis (theorieën/gedragsrelaties) waarover
de neuropsycholoog beschikt → klinische vragen koppelen aan stand van wetenschap → dus als
scientist-practitioner diagnostische vraagstellingen kunnen onderzoeken.
Tijdens de (hetero)anamnese vormt en toetst hij de hypothesen en op dit moment begint
ook het interpretatieproces.
Aan de hand van hypothesen selecteert men al vragen tijdens de anamnese, zodat deze
gefocust wordt op de problemen van de patiënt.
,De diagnostische cyclus
Samengevat:
De neuropsycholoog genereert aanvankelijke hypothese (bv. na lezing verwijsvraag en
achtergrondinformatie.
Al tijdens (hetero)anamnese kan begonnen worden met toetsen van hypothesen.
o Dit leidt tot verwerpen van enkele hypothesen en het genereren van nieuwe die
tijdens het testen verder getoetst worden.
Hypothesevorming is dus dynamisch proces en tijdens gehele diagnostische cyclus zullen er nieuwe
hypothesen gevormd worden en hypothesen bevestigd of verworpen worden.
In de diagnostiek doorloopt men vaak een cyclus die bestaat uit:
een klachtanalyse, een probleemanalyse, een diagnosestelling en een indicatiestelling.
De diagnostische cyclus beschrijft hoe deze sequentie van stappen doorlopen wordt en dat bij elke
stap de hypotheses van de diagnosticus aan de bevindingen worden getoetst.
De diagnostische cyclus is een referentiekader.
Niet elk diagnostisch onderzoek heeft de volledige structuur van de diagnostische cyclus.
Het belang van de cyclus ligt niet in het volledig doorlopen ervan, maar in de methode van de
hypothesevorming en -toetsing bij elke stap, die leidt tot een verantwoorde en transparante wijze
van diagnostische besluitvorming.
Afnemen van standaard testbatterijen past niet goed bij deze benadering → mogelijk
irrelevante gegevens verzameld en relevante gegevens niet.
Symptomen, syndromen en differentiaaldiagnose
Diagnosticus luistert zo onbevooroordeeld mogelijk naar klachten + ondertussen klachten en
symptomen ordenen en clusteren + syndromen en patronen stoornissen herkennen.
Syndromen → cluster van symptomen die vaak (maar niet altijd) samen voorkomen en daardoor
eenzelfde onderliggende pathofysiologie hebben. Hierbij dient men uit te kijken voor het
zogenaamde halo-effect, dat wil zeggen dat men ten onrechte klachten of symptomen veronderstelt
die er in werkelijkheid niet zijn doordat hij zichzelf onbewust op verkeerde been zet.
Verwachting lage intelligentie o.b.v. kleding en verzorging van cliënt.
Cliënt klaagt over zijn aandacht, dus zou psycholoog kunnen aannemen dat er
geheugenklachten zijn, zonder dit vervolgend te verifiëren.
Inclusie (aanname) en exclusie (verwerpen) van stoornis van belang bij hypothesetoetsend proces.
Inclusie → symptomen of testresultaten gebruikt voor het aannemen van hypothese.
Exclusie → symptomen of testresulaten gebruikt voor het verwerpen van hypothese.
Men moet ook onderscheid maken tussen consistentie (hypothese kan passen bij bepaalde stoornis)
en differentiële waarde (bevinding die zal bijdragen tot differentiaaldiagnostiek) van bevinding.
Vb. consistentie: als Alzheimerdementie en vasculaire dementie de differentiaaldiagnostische
mogelijkheden zijn, dan zijn geheugenstoornissen consistent met beide diagnoses.
Vb. differentiële waarde: beginnende Alzheimerdementie en ernstige depressie zijn de
differentiaaldiagnostische mogelijkheden → vooral ernst van geheugenstoornissen pleiten
voor Alzheimer en passen niet bij depressie, terwijl lichte geheugenstoornissen voor kunnen
komen bij depressie maar Alzheimerdementie vrijwel uitsluiten.
Bij geen differentiële waarde en juist consistentie (kan bij beide diagnoses voorkomen) moet men
aanwijzingen vinden die wel differentieel relevant zijn voor diagnose.
Intelligentie consistent bij ADHD en leerstoornis → aandachtsproblemen = ADHD of
stoornissen in specifieke schoolse ervaringen = leerstoornis.
Waarschijnlijkheid en causaliteit
,Zowel in de diagnosestelling als in de indicatiestelling doet men uitspraken met een zekere
waarschijnlijkheid en bijna nooit met een volledige zekerheid.
Er is altijd een foutenmarge in de bevindingen door bijvoorbeeld de standaardmeetfout, of
omdat de predicitieve waardes van de test nooit 100% zijn, of doordat de normpopulatie van
een test niet geheel overeenkomt met de kenmerken van de patiënt (bv. bij gebruik van
buitenlandse normen).
Wil de clinicus valide uitspraken kunnen doen over een diagnose dan moet hij bovendien rekening
houden met de baserate, dat wil zeggen de a-priori kans van een bepaalde diagnose.
De conclusies van het neuropsychologisch onderzoek geven een weerslag van het hypothesetoetsend
proces dat de diagnosticus doorlopen heeft.
Ze zijn in feite hypotheses die bevestigd werden of niet verworpen werden omdat er geen
alternatieve hypotheses meer waren;
of die uiteindelijk niet verworpen konden worden omdat grens van vakgebied was bereikt
(bv. bij ontbreken van tests om specifieker te kunnen onderzoeken → andere medicus of
disciplines toetsen laatste overgebleven hypothese verder met beschikbare technieken).
Neuropsychologisch onderzoek kan geen uitspraken doen over de oorzaak van de cognitieve
disfuncties die gevonden zijn.
Het is aan de medicus om de medische diagnose te stellen, maar ook deze kan geen
uitsluitsel geven over de causale relatie tussen hersendisfunctie en cognitieve disfunctie.
Beide professionals moeten uitgaan van een waarschijnlijke samenhang.
o Vb. zuurstoftekort tijdens geboorte + epileptische insulten (4 jaar) → niet duidelijk
welke van 2 variabelen oorzaak was van geheugenstoornissen.
Dus → zelfs bij patiënten bij wie (medische) variabelen bekend zijn die mogelijk kunnen leiden tot
hersendisfunctie of bij wie hersenletsel is aangetoond, kan men niet altijd causale relatie
veronderstellen tussen die specifieke breinvariabele en cognitieve functies.
Tot besluit
Primaire gegevens zijn gebaseerd op empirisch geconstrueerde en gevalideerde tests.
Schijnbare inconsistenties tussen testresultaten en observaties moeten leiden tot nieuwe
hypotheses die vervolgens weer getoetst moeten worden.
Door hypothesetoetsend karakter, de psychometrische, systematische en repliceerbare manier van
werken lijkt neuropsychologisch onderzoek op een experiment met één patiënt (single case study).
Rol neuropsycholoog → scientist-practitioner die wetenschappelijke kennis en methode inzet
in klinische diagnostiek.
H5: Testselectie en afname
Anamnese + heldere vraagstelling → toetsen diagnostische hypothese.
Operationalisatie → procedures waarmee we deze hypothesen kunnen onderzoeken.
In klinisch-neuropsychologische praktijk zal bij operationalisatie veelal gebruik worden gemaakt van:
Meerdere informatiebronnen → anamnese en gedragsobservaties.
Bestaande onderzoeksmiddelen → neuropsychologische functietests en psychologische
vragenlijsten.
Omdat de meeste neuropsychologische tests ontwikkeld zijn om een bepaalde cognitieve deelfunctie
te meten, zal een enkele test vaak niet volstaan om de onderzoekshypothese goed te kunnen toetsen.
De keuze van de tests
Welke tests men kiest voor het uitvoeren van een neuropsychologisch onderzoek hangt af van het
doel van het onderzoek (de vraagstelling) en de kenmerken van de patiënt.
, Bij CVA visuoconstructieve vaardigheden meten door tekentaak, maar als CVA ook zorgt voor
parese in voorkeurshand zal dit validiteit van tekentaak beïnvloeden.
Bovendien kiest men bij tests die kwalitatief goed zijn (betrouwbaar + valide) en antwoord kunnen
geven op de onderzoeksvraag.
De prestatie op een test kan nooit in isolatie worden geïnterpreteerd, aangezien de prestatie op één
taak door een veelheid van factoren bepaald kan worden.
Daarom van belang om voldoende tests af te nemen voor toetsen hypothesen.
Anderzijds dient er ook een afweging gemaakt te worden of het afnemen van extra tests voor deze
specifieke patiënt zinvolle informatie oplevert, of dat de patiënt hier enkel mee vermoeid wordt.
Kwaliteitscriteria
Een vereiste van een test is dat deze van voldoende kwaliteit is om de (deel)vraagstelling te kunnen
beantwoorden → test moet werkelijk hetgeen meten waarvoor die ontwikkeld is: constructvaliditeit.
Wanneer een test op verschillende momenten in de tijd afgenomen moet worden dient rekening te
worden gehouden met de (on)betrouwbaarheid van de test.
Een goede test heeft een kleine meetfout en een hoge test-hertestbetrouwbaarheid.
De normen van een test moeten gebaseerd zijn op een normgroep die uit voldoende proefpersonen
bestaat en die een goede vergelijking met de patiënt mogelijk maakt.
Algemene Standaard Testgebruik (AST) van NIP geeft twee hoofdcriteria aan waaraan een
psychodynamisch instrument moet voldoen:
1. Validiteit, betrouwbaarheid en normering moeten voldoende zijn.
2. Instrument moet relevant zijn → instrument moet gedragskenmerken meten die van belang
zijn voor het beantwoorden van de vraagstelling.
COTAN-beoordeling
COTAN-beoordeling → beoordeelt van elke test de uitgangspunten bij de constructie, de kwaliteit van
het testmateriaal, de kwaliteit van de handleiding, de normen, de betrouwbaarheid, de
begripsvaliditeit en de criteriumvaliditeit.
Wanneer een test nog niet aan de COTAN is voorgelegd of wanneer de COTAN een test op
belangrijke punten als onvoldoende heeft beoordeeld, schrijft de AST voor dat men het
gebruik van deze tests afdoende moet kunnen beargumenteren.
Meeste neuropsychologische tests niet door COTAN beoordeeld → a.d.h.v. testhandleidingen + o.b.v.
handboeken + professionele literatuur zelf kwaliteit inschatten.
Neuropsychologische tests die de COTAN wel beoordeeld heeft, hebben nogal eens een onvoldoende
gekregen → dit is te wijten aan de algemene aard van de criteria die de COTAN hanteert.
Die criteria zijn zodanig algemeen geformuleerd dat ze weliswaar goed toepasbaar zijn in de
meeste psychologische subdisciplines, maar dat ze slecht uitpakken bij de praktijk van de
neuropsychologie.
Voorbeelden COTAN-beoordeling:
Ten aanzien van de beoordeling van normen vindt de COTAN het belangrijk dat deze landelijk
representatief zijn en op een voldoende grote groep (minstens 400 mensen) gebaseerd zijn.
o Normen van convenience sample (makkelijk beschikbare deelnemers) worden
beschouwd als mindere kwaliteit.
Test moet betrouwbaarheid van 0.90+ hebben → 0.80- is onvoldoende.