Inhoudsopgave
College 1: Hechtingsproblematiek...................................................................2
College 2: Broers en zussen............................................................................7
College 3: Kindermishandeling......................................................................11
College 4: Psychische problematiek bij ouder................................................18
College 5: Radicalisering..............................................................................26
College 6: Rouw en verlies in het gezin..........................................................32
College 7: Complexe scheidingen..................................................................37
College 8: Intergenerationele overdracht......................................................44
College 9: Uithuisplaatsing...........................................................................50
,College 1: Hechtingsproblematiek
Orthopedagogiek richt zich niet alleen op het kind zelf, maar ook op de opvoeders en
volwassenen die zich in een afhankelijkheidsrelatie bevinden.
Een essentieel uitgangspunt is dat de ontwikkeling van een kind altijd plaats in
voortdurende interactie met de omgeving.
Ecologisch perspectief = de orthopedagoog analyseert de invloed van verschillende
systemen, variërend van het directe gezin en de school tot de vriendengroep en de bredere
maatschappelijke context waarin iemand opgroeit.
Gezin als systeem
Individuen in een gezin worden gezien als factoren die voortdurend worden beïnvloed door
het netwerk van relaties waar zij deel van uitmaken.
binnen een gezin beïnvloeden leden elkaar wederzijds (acties van de een lokken reacties
uit bij de ander).
Hierbij kan er onderscheid worden gemaakt in subsystemen – zoals partnerrelatie of broer-
zusrelatie.
Cross-over effect = de toestand van het ene gezinslid heeft direct invloed op een ander lid
(bijvoorbeeld een gestreste ouder die spanning overbrengt op het kind).
Spill-over effect = emoties of conflicten stromen uit het ene subsysteem over naar een ander
subsysteem (een conflict in de partnerrelatie beïnvloedt de ouder-kind interactie negatief).
Hechting
Gehechtheid = een systeem met een genetische predispositie, waarbij het primaire doel is het
waarborgen van veiligheid en bescherming is.
De hechting tussen ouder en kind lopen in vaste fasen:
1. Tot 3 maanden – de zuigeling vertoont ongericht hechtingsgedrag; reageert op
signalen maar niet op een specifiek persoon.
2. 3-6 maanden – ontstaan duidelijke gerichtheid op bekende verzorgers
3. 6-36 maanden – fase van consolidatie van de relatie, waarbij separatieangst en angst
voor vreemden naar voren komen.
4. Vanaf 3 jaar – kind ontwikkelt intern werkmodel, een mentale representatie van
relaties die het gedrag en de verwachtingen in de toekomst stuurt.
Hechtingsstijlen
De kwaliteit van de hechting wordt bepaald door de sensitieve responsiviteit van de
ouder; het vermogen om signalen op te merken en correct te interpreteren (sensitiviteit) en
hier vervolgens vlot en passend op te reageren (responsiviteit).
1. Veilig gehecht – deze kinderen hebben een ouder die consequent sensitief en
responsief is.
a. Exploratief gedrag, bij scheiding duidelijke signalen van gemis/stress, bij
terugkeer van de ouder zoekt het actief nabijheid en laat het zich troosten.
, b. Resultaat kind ontwikkelt een positief zelfbeeld en vertrouwen in anderen.
2. Onveilig-vermijdend gehecht – deze kinderen hebben een ouder die emotioneel
onbeschikbaar zijn of de signalen van het kind afwijzen (‘niet huilen, stel je niet aan’).
a. Kind is heel zelfstandig en reageert nauwelijks op vertrek of terugkeer van de
ouder.
b. Kind negeert de ouder als overlevingsstrategie om afwijzing te voorkomen.
Deze kinderen ervaren echter evenveel stress als veilig gehechte kinderen;
laten het alleen niet zien.
c. Resultaat kind leert dat het alleen op zichzelf kan vertrouwen en houdt
anderen op afstand.
3. Onveilig-ambivalent gehecht – onvoorspelbare opvoedstijl. De ouder reageert de ene
keer heel liefdevol en de andere keer afwijzend of claimend.
a. Kind is extreem gericht op de ouder en durft nauwelijks te exploreren. Bij
scheiding ontroostbaar en bij terugkeer ambivalent gedrag.
i. Ambivalent gedrag = zoekt nabijheid, maar duwt de ouder
tegelijkertijd boos weg.
b. Kind maximaliseert zijn hechtingsgedrag om de aandacht van de
onvoorspelbare ouder vast te houden.
c. Resultaat kind groeit op met veel onzekerheid en de angst om verlaten te
worden.
4. Gedesorganiseerd gedrag – meest zorgwekkende vorm en wordt vaak gezien als een
voorloper van pathologie. Ontstaat wanneer de ouder een bron van angst is (bijv.
door mishandeling) of wanneer de ouder zelf onverwerkte trauma heeft waardoor
hij/zij angstig reageert op het kind.
a. Onoplosbaar biologisch conflict; de persoon bij wie het veiligheid moet
zoeken, is ook de persoon voor wie het bang is.
b. Tegenstrijdig gedrag, zoals bevriezen/op de grond vallen/de rug keren.
c. Resultaat kind heeft geen eenduidige strategie om met stress om te gaan,
wat een grote risicofactor is voor latere dissociatieve stoornissen en ernstige
gedragsproblemen.
Kwaliteit van de hechting
De kwaliteit van de gehechtheid is niet voor elk kind gelijk en hangt sterk af van de ouderlijke
reacties.
- 60-70% van alle kinderen worden als veilig gehecht geclassificeerd.
De overige 30-40% vertoont een onveilige gehechtheid (waarvan ongeveer 15% een
gedesorganiseerde hechtingsstijl laat zien).
, Hechtingsstoornissen
Hechtingsstoornis = een klinische diagnose die wijst op een ernstige stoornis bij het aangaan
van sociale relaties in meerdere contexten.
Dit ontstaat vaak als reactie op een pathologische omgeving, zoals extreme verwaarlozing
of een groot verloop van verschillende verzorgers.
Hoewel de stoornis persistent kan zijn, is herstel mogelijk wanneer het kind in een stabiele,
ondersteunende omgeving wordt geplaatst.
2 klinische types
1. Reactieve gehechtheidsstoornis (RHS) – geremde type = deze kinderen zijn niet in
staat zich aan een individu te hechten en vertonen extreme geremdheid of
waakzaamheid in sociale relaties.
a. Vaak gepaard met ambivalente of tegenstrijdige reacties.
b. Vaak een complex beeld met meerdere stoornissen, waaronder depressie en
angst.
c. Vooral bij jongens
2. Ontremd-sociaalcontactstoornis (OSCS) – ontremde type = het kind maakt geen
onderscheid in het benaderen van bekenden of vreemden, wat kan leiden tot onveilige
situaties.
a. Hoge mate van comorbiditeit.
DSM-5 criteria voor de reactieve gehechtheidsstoornis
- Consistent patroon van geremd en emotioneel teruggetrokken gedrag naar de
verzorgers.
- Ten minste voldoen aan 2 van de volgende kenmerken; minimale sociale en
emotionele reacties op anderen, beperkte uitingen van positieve gevoelens, of
opvallende episodes van onverklaarbare prikkelbaarheid, verdriet of angst.
DSM-5 criteria voor de ontremd-sociaalcontactstoornis
- Patroon waarbij het kind actief en op een sociaal ongepaste wijze onbekende
volwassenen benadert.
- Ten minste voldoen aan 2 van de volgende kenmerken; gebrek aan terughoudendheid
bij vreemden, overmatig familiair gedrag, het niet in de gaten houden van de eigen
verzorger bij exploratie, of de bereidheid om zonder aarzelen met een onbekende mee
te gaan.
- Belangrijk is dat dit gedrag niet enkel voorkomt uit impulsiviteit, maar specifiek
gekenmerkt wordt als sociaal ontremd gedrag.
Verdere criteria spelt dat er sprake (zowel bij RHS als OSCS) moet zijn van een patroon
van extreme vormen van ontoereikende verzorging.
Dit kan blijken uit chronische sociale verwaarlozing waarbij emotionele basisbehoeften
zoals affectie en troost niet werden geboden door verzorgers. Ook het herhaaldelijk
wisselen van primaire verzorgers (zoals in de pleegzorg) of het opgroeien in