De mens is een sociaal dier
We denken constant na over onszelf, anderen en hoe we moeten
reageren in sociale situaties. Het observeren en analyseren van
andermans gedrag is een fulltime activiteit.
Wat we denken, voelen of doen ontstaat door interactie met anderen
en de sociale context rondom ons. Sociale relaties en interacties zijn
buitengewoon belangrijk om gelukkig te zijn.
Van de sociale psychologie wordt verwacht dat de discipline
bijdraagt tot het begrijpen en oplossen van maatschappelijke
problemen.
Enkele dagelijkse sociaalpsychologische vraagstukken zijn: waarom
sommigen een partner prefereren die hen niet ophemelt, of we het
sterkst beïnvloed worden door de inhoud of de verpakking, en
waarom we gehoorzamen aan autoriteitsfiguren.
Sociale psychologie: definitie en verwante disciplines
Definitie: Sociale psychologie is de wetenschappelijke studie naar
de wijze waarop gedachten, gevoelens, motivaties en gedragingen
van mensen beïnvloed worden door de aanwezigheid van anderen,
en hoe wij zelf een invloed uitoefenen op hoe andere personen
denken, voelen en zich gedragen.
Aanwezigheid van anderen: Dit verwijst naar de sociale aard van
het individu, waarbij de sociale invloed van anderen inwerkt op het
individuele functioneren. Er zijn ook niet-sociale factoren
(bijvoorbeeld: hitte maakt mensen agressiever). We laten ons
continu beïnvloeden door onze sociale omgeving.
Toepasbaarheid: Sociale psychologie kan worden toegepast in real
life (zoals rechtszaken en verkiezingen) en bij het bestuderen van
vooroordelen.
o Voorbeeld presidentsdebat Mondale en Reagan: Als het
publiek reageert (lacht), heeft dat een beïnvloedend effect op
de kiezers. De kracht van de reactie van anderen bepaalt het
stemgedrag heel sterk. Bij het debat met Obama ('horses and
bayonets') was het publiek daarom verboden te reageren.
o Voorbeeld Stanford Prison Experiment: Dit was eigenlijk geen
echt experiment omdat er geen condities waren. De ontdekker
manipuleerde de boel en zette de bewakers aan tot bepaalde
, daden. Het toont aan dat als je mensen in een machtspositie
brengt, het slechte in de mens naar boven komt.
Relatie tot andere disciplines:
o Sociale psychologie: Bestudeert hoe het individu beïnvloed
wordt door een situatie.
o Sociologie: Bestudeert groepsfactoren (zoals SES, nationaliteit,
etnische achtergrond).
o Persoonlijkheidspsychologie: Bestudeert stabiele verschillen
tussen individuen over situaties heen (hoe mensen inherent
van elkaar verschillen).
o Let op: Sociale psychologie is niet gelijk aan mensenkennis,
want mensenkennis rust niet op empirische toetsing.
De geschiedenis van de sociale psychologie
De geschiedenis kent 4 opeenvolgende fases:
1. De beginjaren (1880-1935): Rond 1900 ontstaat de sociale
psychologie. Gustave Le Bon bestudeerde massageweld en hoe
groepen zich gedragen (psychologie des foules). Max Ringelmann
vergeleek groepsprestaties met individuele prestaties (touwtrekken)
en zag dat men in groep minder presteert dan alleen. De eerste
handboeken kwamen van McDougall, Ross en Allport. Er is geen
eensgezindheid over wie de titel 'grondlegger' verdient.
2. De jaren van bevestiging: Gekenmerkt door de betekenis van
WO2 en de Jodenvervolging voor de ontwikkeling van de discipline in
de USA. Mensen wilden verklaren hoe dit alles had kunnen
gebeuren. Kurt Lewin (de vader van de sociale psychologie) legde de
grondbeginselen vast: gedrag wordt bepaald door hoe we de wereld
waarnemen en interpreteren, en gedrag is een functie van de
interactie tussen persoon en omgeving. Hij stelde dat theorieën
toegepast moeten worden voor praktische sociale problemen ("Geen
onderzoek zonder actie, geen actie zonder onderzoek"). Dit omvatte
zowel fundamenteel als toegepast onderzoek.
3. Groei en debat:
Vertrouwen en uitbreiding: Sociale psychologie wordt op steeds
meer domeinen toegepast (zoals apathie van omstanders, agressie,
stress).
Crisis: Er kwam ethische kritiek op het experiment (Kelman), kritiek
op methodologische artefacten (Orne, Rosenthal) en
, cultureel/filosofisch relativisme (Gergen). Dit leidde tot meer
zelfreflectie.
4. Methodologisch en inhoudelijk pluralisme (1970-):
Pluralisme: Zowel methodologisch als multimethodisch.
Inhoudelijk: 'Hete' perspectieven (emotie en motivatie) versus
'koele' perspectieven (cognitie of sociale cognitie). Dit leidde tot de
opkomst van de sociale cognitie.
Internationale perspectieven: Opkomst van sociale psychologie in
Europa en Azië, en de bloei van internationaal en multicultureel
onderzoek.
Technologische vooruitgang: Aanleiding tot de sociale
neurowetenschap.
Sociale psychologie in de 21ste eeuw
Hersenonderzoek: Gebruik van nieuwe beeldvormingstechnieken
van de hersenen.
Het internet: Zorgt voor een sterke evolutie in
informatieverwerving en communicatie. Onze digitale voetafdruk
wordt groter, waardoor er steeds meer gegevens beschikbaar zijn.
Sociaal-culturele perspectieven: Crosscultureel onderzoek
(verschillen tussen culturen) en multicultureel onderzoek (verschillen
binnen een cultuur).
Extreme zelfevaluatie (open science): De laatste jaren deelt
men al het materiaal met de hele wereld. Er is sprake van vooraf
geregistreerd onderzoek (vooraf vastleggen wat, hoe en hoeveel
mensen je bevraagt), registered replication reports en aandacht
voor 'ideologische diversiteit' (de sociale psychologie kent een
zekere linkse bias in haar maatschappelijke thema's). Sociale
psychologie geldt hierin als voortrekker.
H4: SOCIALE PERCEPTIE
Definitie: Sociale perceptie is een algemene term voor de processen die
de basis vormen van hoe we tot oordelen over anderen komen.
Het ruwe materiaal van de eerste indruk
De waarnemer: Werkt niet zoals een fototoestel; iedereen ziet
zijn/haar eigen realiteit. Eerdere ervaringen hebben een grote
impact via een schema (= een georganiseerde verzameling van
, kennis over een stimulus of categorie van stimuli). Niet iedereen
heeft dezelfde schema's.
Het uiterlijk: Historisch bekeken door Pythagoras (ogen) en J.B. da
Porta in de middeleeuwen (vergelijking met dieren). Er is een
automatische perceptie van 'primaire kenmerken' (geslacht,
huidskleur, leeftijd) gekoppeld aan sociale categorieën. Andere
uiterlijke kenmerken (lengte, gewicht, haar, bril) activeren
stereotypische opvattingen (zoals "wat mooi is, is goed"). Het gelaat
is de belangrijkste informatiebron.
o Gelaatskenmerken (Babyfaces): Grote ronde ogen, ronde kin,
bolle wangen, hoge wenkbrauwen, hoog voorhoofd, gladde
huid. Ze worden gepercipieerd als hartelijk, vriendelijk, naïef,
zwak, eerlijk en onderdanig. Dit heeft impact op sociale
oordelen in rechtszaken en verzorgende beroepen.
Situaties: Gestuurd door een script (= een vooropgezette
opvatting over hoe een reeks gebeurtenissen zich zal voordoen in
een specifieke situatie, zoals les volgen, restaurantbezoek, examen).
Situaties beïnvloeden persoonsperceptie op 2 manieren:
1. We zien wat we verwachten te zien (kennis van de situatie
stuurt de interpretatie van een gelaatsuitdrukking, bv. de lotto
winnen vs. belaagd worden door een hond).
2. Gedrag conform het script is weinig informatief; gedrag dat
niet conform het script is, heeft diagnostische waarde.
Gedrag: De eerste indruk wordt gevormd door: verbaal gedrag
(7%), non-verbaal gedrag (55%) en paraverbaal gedrag (toon en
ritme).
o Non-verbaal gedrag: Signaleert gevoelens zonder woorden via
gelaatsuitdrukkingen, lichaamstaal en vocale expressie.
Darwin stelde dat gelaatsuitdrukkingen universeel zijn. Ekman
ontwierp het FACS-coderingssysteem voor discrete emoties.
De expressie van basisemoties (blijheid, angst, verdriet,
woede, verrassing, afkeer) is aangeboren en crosscultureel
herkenbaar. De manifestatieregels (display rules: wanneer we
emoties tonen) zijn wel cultureel bepaald. Lichaamstaal en
gebaren (zoals Napolitaanse gebaren voor stilte, negatief,
honger, domheid) verschillen juist sterk tussen en binnen
culturen.
o Waarheid van leugen onderscheiden: Drie non-verbale kanalen
verschaffen info: