H3 sparen en lenen
• Ruilen over tijd = het verplaatsen van het moment in de tijd waarop je je geld besteedt.
• Sparen = het niet uitgeven van een deel van het inkomen.
• Mediaan = dat 50% meer heeft en 50% dan het getal (de mediaan).
• Modus = meest voorkomende getal.
• Gemiddelde = alles bij elkaar opgeteld gedeeld door aantal personen/voorwerpen.
Rente
• Rente = een vergoeding voor het uitlenen van geld.
Redenen voor het krijgen van deze vergoedingen:
1. Je kan met het geld dat op de spaarrekening bij de bank staat nu niks kopen. Voor het
ongemak wil je graag een vergoeding hebben.
2. De bank kan jouw geld uitlenen aan mensen die nu juist wel iets willen kopen. Maar niet
genoeg geld daarvoor hebben. De bank vraagt aan deze mensen rente.
• De leners die rente betalen zijn de inkomstenbron van de bank.
De types spaarrekeningen:
1. Kinderspaarrekening – bieden vaak een hoger rentepercentage dan normale spaarrekeningen.
2. Vermogensspaarrekeningen – hierbij gaat het om een groot bedrag, daarom ontvang je een
hoger rentepercentage.
3. Depositorekening – spaarrekeningen waarbij je tussentijds geen geld kunt opnemen, of alleen
tegen betaling of een boete. Daarom krijg je een hoger rentepercentage.
• Inflatie = stijging van algemene prijspeil van goederen en diensten. Het CPI
(consumentprijsindexcijfer) geeft mate van inflatie weer.
• Koopkracht = de hoeveelheid goederen en diensten die je met je geld kunt kopen.
Rente berekenen:
Deel van het geheel
- Het deel/het geheel x 100% = …
Van deel naar geheel
- Deel/percentage x 100 =…
Procentuele veranderingen
Nieuw – oud / oud x 100% = …
Samengestelde intrest
• Bij samengestelde interest wordt de interest berekend over de hoofdsom plus de bijgeschreven interest uit eerdere
Jaren (rente over rente)
• Formule: eindwaarde na n perioden = beginwaarde x (1+i)^n