Hoorcollege 1
Wat is opvoeding?
Definities en geschiedenis
Artikelen op blackboard belangrijk voor de toets om te lezen
Pedagogiek= opvoedkunde
- de wetenschap die als onderwerp heeft het helpen en begeleiden van (jonge) kinderen en
adolescenten op weg naar volwassenheid
- Doel: de opvoedeling zich aan laten passen aan de eisen van de maatschappij en het zelf deel
van uitmaken. Komen tot zelfstandigheid
Belangrijke begrippen
- De opvoedingsplichtigen: de ouders/verzorgers
- Rechten van het kind: artikel 27 (opvoeding) en 29 (onderwijs)
- Asymmetrische relatie tussen opvoeder en opvoedeling. Na ongeveer 20 jaar vaag deze over
in een symmetrische relatie.
- Opvoeders zijn meerdere personen: ouders, verzorgers, grootouders, leerkrachten, sport
begeleiders etc.
Geschiedenis pedagogiek
- Voor de industriële revolutie (voor 1800):
— strakke regels en sociale controle (kerk en buurt)
— kinderen hadden economische en praktisch nut
- verandering door de industriële revolutie:
— trek naar de grote steden, wegvallen sociale controle
— kinderen kosten geld
- de 19e eeuw: meer persoonlijke vrijheid o.i.v. het liberalisme
- De 20e eeuw: autoritaire opvoeding, strenge regels, door grote invloed van kerk/
gemeenschap
- Reformpedagogen: reactie op onvrijheid in de 20e eeuw. Centraal staat de individualiteit of
uniciteit van kinderen
Mensvisie
- Mens visie (volgens Litt) beïnvloedt de kijk op de opvoeding
- führen: sturen, zonder te kijken naar de eigenheid van het kind. Gehoorzaamheid en volgen
staat centraal
- Wachsen lassen: minder sturende rol voor de opvoeders. Meer gericht op ontwikkeling van
de autonomie van het kind
- Mensvisie/ mensbeeld is niet vaststaand
- Pedagogen maken gebruik van biopsychologische kennis
nature/ nurture
- Genotype: aangeboren zonder beïnvloeding van de omgeving
- Fenotype: resultaat van de genetische aanleg en de invloed daarop van zijn omgeving
- Opvoeding is van essentieel belang. Bij mensen kan verschil tussen genotype en fenotype
groot zijn
, Drie opvoedingsmilieus
Primaire opvoedingsmilieu
- kerngezin
- Extended family
- Samengesteld gezin
- Gezin voorziet in behoeften
- Regels en structuur
- Opvoeding is niet waardevrij
Verschillende gezinstypen
- samenhang vs onsamenhang
- Structuur vs chaos
- Openheid vs geslotenheid
- Plaats in de kinderrij is ook bepalende factor in de opvoeding
— oudste, middelste, jongste
— enig kind
— meerling
Secundaire opvoedingsmilieu
- kinderdagverblijf
- School
— type
— principes reformscholen
- Sportvereniging
- School opvoeding is niet waardevrij
Tertiaire opvoedingsmilieu
- De omgeving
- De straat/buurt/wijk
- Leeftijdsgenoten
- Virtueel opvoedingsmilieu
- Pedagogische preventie
3 vormen:
- primair (problemen zijn er nog niet, maar willen ze eigenlijk voorkomen)
- Secundair (problemen zijn er al wel, willen dat de problemen niet uit de hand lopen, maar
het kind weerbaarder maken)
- Tertiair (na begeleiding, terug evaluatie)
Hoorcollege 2
Opvoedingsdoelen, middelen en uitkomsten
Opvoeden
- systemen werken op elkaar in. Als bv je broer problemen heeft, kan jij daar ook last van
hebben
- waardes krijg je mee vanuit huizen en die wil je als ouder overbrengen
Wat is opvoeding?
Definities en geschiedenis
Artikelen op blackboard belangrijk voor de toets om te lezen
Pedagogiek= opvoedkunde
- de wetenschap die als onderwerp heeft het helpen en begeleiden van (jonge) kinderen en
adolescenten op weg naar volwassenheid
- Doel: de opvoedeling zich aan laten passen aan de eisen van de maatschappij en het zelf deel
van uitmaken. Komen tot zelfstandigheid
Belangrijke begrippen
- De opvoedingsplichtigen: de ouders/verzorgers
- Rechten van het kind: artikel 27 (opvoeding) en 29 (onderwijs)
- Asymmetrische relatie tussen opvoeder en opvoedeling. Na ongeveer 20 jaar vaag deze over
in een symmetrische relatie.
- Opvoeders zijn meerdere personen: ouders, verzorgers, grootouders, leerkrachten, sport
begeleiders etc.
Geschiedenis pedagogiek
- Voor de industriële revolutie (voor 1800):
— strakke regels en sociale controle (kerk en buurt)
— kinderen hadden economische en praktisch nut
- verandering door de industriële revolutie:
— trek naar de grote steden, wegvallen sociale controle
— kinderen kosten geld
- de 19e eeuw: meer persoonlijke vrijheid o.i.v. het liberalisme
- De 20e eeuw: autoritaire opvoeding, strenge regels, door grote invloed van kerk/
gemeenschap
- Reformpedagogen: reactie op onvrijheid in de 20e eeuw. Centraal staat de individualiteit of
uniciteit van kinderen
Mensvisie
- Mens visie (volgens Litt) beïnvloedt de kijk op de opvoeding
- führen: sturen, zonder te kijken naar de eigenheid van het kind. Gehoorzaamheid en volgen
staat centraal
- Wachsen lassen: minder sturende rol voor de opvoeders. Meer gericht op ontwikkeling van
de autonomie van het kind
- Mensvisie/ mensbeeld is niet vaststaand
- Pedagogen maken gebruik van biopsychologische kennis
nature/ nurture
- Genotype: aangeboren zonder beïnvloeding van de omgeving
- Fenotype: resultaat van de genetische aanleg en de invloed daarop van zijn omgeving
- Opvoeding is van essentieel belang. Bij mensen kan verschil tussen genotype en fenotype
groot zijn
, Drie opvoedingsmilieus
Primaire opvoedingsmilieu
- kerngezin
- Extended family
- Samengesteld gezin
- Gezin voorziet in behoeften
- Regels en structuur
- Opvoeding is niet waardevrij
Verschillende gezinstypen
- samenhang vs onsamenhang
- Structuur vs chaos
- Openheid vs geslotenheid
- Plaats in de kinderrij is ook bepalende factor in de opvoeding
— oudste, middelste, jongste
— enig kind
— meerling
Secundaire opvoedingsmilieu
- kinderdagverblijf
- School
— type
— principes reformscholen
- Sportvereniging
- School opvoeding is niet waardevrij
Tertiaire opvoedingsmilieu
- De omgeving
- De straat/buurt/wijk
- Leeftijdsgenoten
- Virtueel opvoedingsmilieu
- Pedagogische preventie
3 vormen:
- primair (problemen zijn er nog niet, maar willen ze eigenlijk voorkomen)
- Secundair (problemen zijn er al wel, willen dat de problemen niet uit de hand lopen, maar
het kind weerbaarder maken)
- Tertiair (na begeleiding, terug evaluatie)
Hoorcollege 2
Opvoedingsdoelen, middelen en uitkomsten
Opvoeden
- systemen werken op elkaar in. Als bv je broer problemen heeft, kan jij daar ook last van
hebben
- waardes krijg je mee vanuit huizen en die wil je als ouder overbrengen