1 - Prenatal development
WEIRD science
Wat is ontwikkeling
Celdeling: mitose en meiose
Vier ontwikkelingsprocessen
Bewegingen van een foetus (fetal movement)
Teratogenen
WEIRD science
WEIRD science - Onderzoeken die zijn gebaseerd op een populatie met de volgende kenmerken: westerse
(Western), goed onderwezen (Educated), veel rijkdom (Rich), een geïndustrialiseerde omgeving (Industrialized)
en democratisch (Democratic).
Bijna alle onderzoeken zijn WEIRD science. Hierdoor kunnen resultaten niet goed gegeneraliseerd worden
naar de gehele samenleving. Wat dus normaal lijkt uit WEIRD science, hoeft niet normaal te zijn voor andere
populaties.
Wat is ontwikkeling
Ontwikkeling (development) - Een specifieke vorm van verandering dat de volgende kenmerken heeft:
Kwalitatief: het gaat niet om de hoeveelheid cellen maar wat voor cellen.
Sequentieel: Sommige ontwikkelingen moeten plaatsvinden voor andere ontwikkelingen.
Cumulatief: De ene ontwikkeling kan opbouwen op andere ontwikkelingen.
Directioneel: Dingen kunnen opgebouwd worden, maar ook weer afgebouwd.
Multifactorieel: Er zijn altijd meerdere factoren betrokken bij ontwikkeling.
Individueel: Ontwikkeling is uniek voor elk mens. Iedereen bereikt mijlstonen op andere momenten, of slaan
ze zelfs helemaal over.
Celdeling: mitose en meiose
Mitose (mitosis) - De normale celdeling. Alle chromosomen worden gekopieerd zodat er dubbele chromosomen
ontstaan. Deze splitsen zichzelf vervolgens in twee cellen. Beide cellen bevatten een volledige set aan
chromosomen.
Meiose (meiosis) - De bijzondere celdeling waarbij geslachtscellen ontstaan. Het werkt deels hetzelfde als
mitose. De verschillen zijn dat er kruiswisselingen tussen de chromosomen plaatsvinden voordat de cel splitst
(zodat elke cel uniek wordt wat de basis is voor genetische variatie) en de cellen op het einde nog een keer
splitsen (zodat ze maar de helft van de volledige set aan chromosomen bevatten, want de andere helft komt van
de partner).
Vier ontwikkelingsprocessen
1. Mitose: Celdeling.
2. Celmigratie (cell migration): Alle cellen gaan naar de juiste plek
3. Celdiversiteit (dell diveration): Cellen worden totipotent. Dat betekent dat ze kunnen differentiëren in alle
celtypen van het lichaam. Een deel hiervan vormen cellen die later helpen om een nieuw organisme te kunnen
vormen (bv cellen voor een placenta), een ander deel wordt pluripotent. Dat betekent dat ze tot alle celtypen
1 - Prenatal development 1
, kunnen differentiëren, behalve cellen voor nieuwe organismen. Als cellen eenmaal gespecialiseerd zijn, heten
ze unipotent.
4. Apoptose (apoptosis): Geprogrammeerde celdood. Bepaalde cellen moeten sterven ten goede van de groei,
bijvoorbeeld bepaalde cellen in de handen van een embryo om vingers te vormen.
Bewegingen van een foetus (fetal movement)
Foetussen maken al bewegingen in de baarmoeder, bv slikken en bewegen met armen en benen. Dit heeft de
volgende functies:
Slikken: ontwikkeling keel, longen, spijsvertering.
Lichaamsbeweging: ontwikkeling spieren, botten, gewrichten, huid.
Teratogenen
Teratogenen (teratogens) - Invloeden die de ontwikkeling van een foetus kunnen verstoren.
Bv: Moeder die ziek is, veel stress heeft of drugs gebruikt. Alcohol zorgt dat de foetus minder gaat bewegen
en dat remt de ontwikkeling van bv spieren.
Elk deel van het lichaam heeft een andere periode waarin het sterk ontwikkelt en dus kwetsbaar is voor
teratogenen.
De omgeving heeft dus veel invloed op de vroege ontwikkeling in de buik.
Micro: Gedrag van de moeder (voedsel).
Meso: Relaties tussen moeder en mensen om haar heen.
Exo: Voorzieningen, werk (kan voor stress zorgen)
Macro: Beleid rondom bv drugs en alcohol.
1 - Prenatal development 2
, ✏️
2 - Brain development
Neuronen
Basisbouwstenen zenuwstelsel
Onderdelen neuron
Actiepotentiaal
Myelination
Hersenen
Hersenonderzoek
Belangrijke structuren in de hersenen
Lobben
Ontwikkeling van de hersenen
Brain development and environment
Neuronen
Basisbouwstenen zenuwstelsel
Zenuwstelsel - Complex netwerk van zenuwen dat het communicatiesysteem van het lichaam vormt.
De hersenen zijn onderdeel van het zenuwstelsel.
Drie basisbouwstenen van het zenuwstelsel:
Neurons (neuronen, zenuwcellen) - De cellen die informatie overbrengen en coördineren.
Synaptic cavities (synapsen) - Ruimtes tussen de neuronen waarin chemische berichten worden
overgedragen.
Binnen één neuron verloopt de signaaloverdracht elektrisch en tussen neuronen (waar de synapsen
zijn) chemisch.
Een neuron kan verbindingen hebben met duizenden andere neuronen.
Glial cells (gliacellen) - Cellen die neuronen ondersteunen en structuur bieden.
10% van de hersencellen zijn neuronen, de rest zijn gliacellen.
Kunnen veel verschillende functies hebben: bv bloedtoevoer reguleren, infecties bestrijden, afval
opruimen, myeline vormen, bijdragen aan leren en geheugen.
Onderdelen neuron
2 - Brain development 1
, Cellichaam (cell body/soma) - Bevat genetisch materiaal, produceert energie en eiwitten, en verwerkt
binnengekomen signalen van andere neuronen.
Celkern (nucleus) - Onderdeel van het cellichaam dat genetisch materiaal bevat.
Dendrieten (dendrites) - Vertakkingen die berichten ontvangen van andere neuronen.
Als dendrieten worden gestimuleerd, ontstaan elektrische ladingen.
Drempel van excitatie (threshold of excitation) - Het punt waarop de elektrische lading voldoende is om
een impuls door het axon te sturen.
Axon - Lange structuur die signalen doorgeeft naar andere neuronen. Een axon is verbonden met meerdere
dendrieten.
Terminal buttons - Kleine vertakkingen helemaal aan het einde van het axon. Wanneer een impuls hier
aankomt, laten ze chemische stoffen vrij (neurotransmitters).
Neurotransmitters - Chemische stoffen die vanaf het uiteinde van de axon de synaps oversteken en
aanliggende neuronen bij hun dendrieten stimuleren. Ze dienen hierdoor als signaaloverdragers.
Bv: Dopamine (beloningen, motivatie, focus), epinephrine (alertheid, energie), peptides.
Twee soorten:
Excitatory transmitters - Neurotransmitters die de elektrische activiteit verhogen (excitatie).
Inhibitory transmitters - Neurotransmitters die de elektrische activiteit verlagen (inhibitie).
Neurotransmitters die zich niet binden met de receptoren van de terminal buttons worden weer
opgenomen door de axon of worden chemisch afgebroken (metabolisation).
Zenuwcellen zien er allemaal anders uit, maar dit zijn kenmerken die ze gemeenschappelijk hebben.
Leren gebeurt door veranderingen in connecties tussen neuronen of in de hoeveelheid geproduceerde
neurotransmitters.
Neurotransmissie beïnvloeden:
Synthese van transmitters: Door middel van dieet.
Presynaptische receptoren blokkeren: Hierdoor kunnen transmitters in de synaps niet meer worden
heropgenomen. Zo is er meer is beschikbaar om neuronen actief te maken.
Postsynpatische receptoren blokkeren of boosten: Blokkeren kan met stofjes die lijken op de transmitters en
daardoor kunnen binden met de postsynaptische receptoren, maar geen signaal kunnen doorgeven. Boosten
kan bijvoorbeeld met alcohol die een bepaalde inhibitory transmitter gebruikt waardoor neuronen minder
actief worden.
Actiepotentiaal
Hersenen bestaan uit neuronen die elektrische signalen door kunnen geven met een actiepotentiaal. Dit verloopt
in meerdere stappen.
Actiepotentiaal - De elektrische verandering in een zenuwcel wanneer
die een signaal doorgeeft.
1. Rusttoestand (resting state, rustpotentiaal) - De cel is niet actief
maar wel klaar om een signaal te ontvangen.
2. Stimulus: Kleine prikkels veroorzaken kleine veranderingen in de
spanning.
3. Drempelwaarde (threshold) - De stimuli zijn samen sterk genoeg
waardoor ze ervoor zorgen dat de cel de drempelwaarde heeft
bereikt om een actiepotentiaal te starten.
2 - Brain development 2