§1.1 Internationale handel tot 1945
Globalisering
Globalisering is het proces van internationale vervlechting van de levens
van mensen en de internationale uitwisseling van goederen en geld en van
informatie op het gebied van kennis en cultuur. Je kunt uit verschillende
dimensies naar globalisering kijken. Economische dimensie ->
economische globalisering, politieke dimensie -> politieke globalisering en
culturele dimensie -> culturele globalisering. De economische en politieke
globalisering zijn sterk met elkaar verweven.
Goederenstromen in het verleden
Economische globalisering betekent dat landen wereldwijd steeds sterker
economisch met elkaar verbonden raken door handel. Al voor de 15e eeuw
werd er over lange afstanden gehandeld, vooral vanuit machtige gebieden
in Azië, zoals China en India. Vanaf de 15e eeuw stichtten Europese landen
koloniën in Amerika en Afrika. Zij haalden daar landbouwproducten en
grondstoffen vandaan en bouwden wereldwijde handelsnetwerken op. In
1602 werd de VOC de eerste multinationale onderneming (mno) ter
wereld. Het ‘bedrijf’ handelde wereldwijd in producten. De waarde van de
VOC was omgerekend vergelijkbaar met het bruto nationaal product (bnp)
van Frankrijk en Duitsland nu.
Kolonialisme
Vanaf de 16e eeuw ontstond grootschalig kolonialisme: Europese landen
bezetten gebieden overzee om grondstoffen te winnen, handel te drijven
of zich er te vestigen. Deze koloniën werden politiek en economisch
verbonden met Europa, wat de welvaart van de koloniale mogendheden
vergrote. De meeste koloniën waren exploitatie koloniën, waar winst
maken centraal stond. Dit ging vaak gepaard met onderdrukking,
bezetting en geweld, zoals in Nederlands-Indië. Daarnaast waren er
vestigingskoloniën, vooral aan de oostkust van Noord-Amerika, waar
Europeanen zich permanent vestigden. Dertien van deze koloniën werden
in 1783 onafhankelijk en vormden samen de Verenigde Staten.
Slavernij
Een belangrijke schaduwzijde van het kolonialisme was de slavernij.
Europese landen voerden tot slaaf gemaakten uit Afrika naar Amerika en
het Caribisch gebied om op plantages en in mijnen te werken. De
omstandigheden waren zwaar en leidden regelmatig tot opstanden. De
handel in de tot slaaf gemaakten werd in 1814 verboden. De slavernij
werd in Nederland afgeschaft in 1860 (Nederlands-Indië) en 1863
(Suriname en Caribisch gebied). In Suriname moesten voormalige tot slaaf
, gemaakten echter nog tot 1873 op de plantages blijven werken onder
toezicht van de staat.
Industrialisatie
Vanaf de 18e eeuw begon de industrialisatie in Europa. Hierdoor ontstond
en internationale arbeidsverdeling, waarbij landen zich specialiseerden in
producten en grondstoffen die zij het beste konden produceren. Europese
landen importeerden steeds meer grondstoffen uit hun koloniën en
investeerden in wegen, spoorwegen en stoomschepen om handel
makkelijker te maken. Hierdoor groeiden de wereldhandel en de
uitwisselingen van goederen, mensen en geld sterk. De
geïndustrialiseerde landen produceerden veel goedkope goederen voor
export, terwijl koloniën grondstoffen leverden en belangrijke afzetmarkten
werden.
Geopolitiek en imperialisme
In de 19e eeuw gebruikten Europese landen hun politieke, economische en
militaire macht om hun invloed uit te breiden. Een land met een
dominante positie wordt een hegemoniale staat genoemd. Het vergroten
van invloed door middel van macht heet geopolitiek en het uitbreiden van
controle over andere gebieden het imperialisme. Tijdens het imperialisme
kregen handel en economie steeds meer kenmerken van het kapitalisme,
waarbij winst centraal staat. De wereldhandel groeide sterk en de export
nam toe als aandeel van het bruto binnenlands product (bbp), wat wijst op
toenemende economische globalisering. De winsten uit handel kwamen
vooral terecht bij de koloniale mogendheden. Zo verkocht Groot-Brittannië
goedkope textielproducten in India, waardoor veel lokale textielwerkers
hun werk verloren.
§1.2 Het wereldsysteem tot 1980
Wereldsysteem: centrum-periferiemodel
Geografen gebruiken vaak de systeembenadering om de wereld te
begrijpen. Een belangrijk wereldsysteem is het centrum-periferiemodel,
waarin landen worden ingedeeld op basis van economische en politieke
relaties. In dit model vormen rijke en machtige landen het centrum. Deze
centrumlanden beheersen de wereldhandel en wereldpolitiek en hebben
veel kennis, kapitaal, hightechindustrie en dienstverlening. Hier zitten
vaak hoofdkantoren van multinationals en vindt veel onderzoek en
ontwikkeling plaats. De semiperiferie bestaat uit landen waar naast
landbouw en mijnbouw ook de industrie zich sterk ontwikkelt. Deze landen
krijgen meer kennis en kapitaal en ontwerpen en verkopen steeds vaker
Globalisering
Globalisering is het proces van internationale vervlechting van de levens
van mensen en de internationale uitwisseling van goederen en geld en van
informatie op het gebied van kennis en cultuur. Je kunt uit verschillende
dimensies naar globalisering kijken. Economische dimensie ->
economische globalisering, politieke dimensie -> politieke globalisering en
culturele dimensie -> culturele globalisering. De economische en politieke
globalisering zijn sterk met elkaar verweven.
Goederenstromen in het verleden
Economische globalisering betekent dat landen wereldwijd steeds sterker
economisch met elkaar verbonden raken door handel. Al voor de 15e eeuw
werd er over lange afstanden gehandeld, vooral vanuit machtige gebieden
in Azië, zoals China en India. Vanaf de 15e eeuw stichtten Europese landen
koloniën in Amerika en Afrika. Zij haalden daar landbouwproducten en
grondstoffen vandaan en bouwden wereldwijde handelsnetwerken op. In
1602 werd de VOC de eerste multinationale onderneming (mno) ter
wereld. Het ‘bedrijf’ handelde wereldwijd in producten. De waarde van de
VOC was omgerekend vergelijkbaar met het bruto nationaal product (bnp)
van Frankrijk en Duitsland nu.
Kolonialisme
Vanaf de 16e eeuw ontstond grootschalig kolonialisme: Europese landen
bezetten gebieden overzee om grondstoffen te winnen, handel te drijven
of zich er te vestigen. Deze koloniën werden politiek en economisch
verbonden met Europa, wat de welvaart van de koloniale mogendheden
vergrote. De meeste koloniën waren exploitatie koloniën, waar winst
maken centraal stond. Dit ging vaak gepaard met onderdrukking,
bezetting en geweld, zoals in Nederlands-Indië. Daarnaast waren er
vestigingskoloniën, vooral aan de oostkust van Noord-Amerika, waar
Europeanen zich permanent vestigden. Dertien van deze koloniën werden
in 1783 onafhankelijk en vormden samen de Verenigde Staten.
Slavernij
Een belangrijke schaduwzijde van het kolonialisme was de slavernij.
Europese landen voerden tot slaaf gemaakten uit Afrika naar Amerika en
het Caribisch gebied om op plantages en in mijnen te werken. De
omstandigheden waren zwaar en leidden regelmatig tot opstanden. De
handel in de tot slaaf gemaakten werd in 1814 verboden. De slavernij
werd in Nederland afgeschaft in 1860 (Nederlands-Indië) en 1863
(Suriname en Caribisch gebied). In Suriname moesten voormalige tot slaaf
, gemaakten echter nog tot 1873 op de plantages blijven werken onder
toezicht van de staat.
Industrialisatie
Vanaf de 18e eeuw begon de industrialisatie in Europa. Hierdoor ontstond
en internationale arbeidsverdeling, waarbij landen zich specialiseerden in
producten en grondstoffen die zij het beste konden produceren. Europese
landen importeerden steeds meer grondstoffen uit hun koloniën en
investeerden in wegen, spoorwegen en stoomschepen om handel
makkelijker te maken. Hierdoor groeiden de wereldhandel en de
uitwisselingen van goederen, mensen en geld sterk. De
geïndustrialiseerde landen produceerden veel goedkope goederen voor
export, terwijl koloniën grondstoffen leverden en belangrijke afzetmarkten
werden.
Geopolitiek en imperialisme
In de 19e eeuw gebruikten Europese landen hun politieke, economische en
militaire macht om hun invloed uit te breiden. Een land met een
dominante positie wordt een hegemoniale staat genoemd. Het vergroten
van invloed door middel van macht heet geopolitiek en het uitbreiden van
controle over andere gebieden het imperialisme. Tijdens het imperialisme
kregen handel en economie steeds meer kenmerken van het kapitalisme,
waarbij winst centraal staat. De wereldhandel groeide sterk en de export
nam toe als aandeel van het bruto binnenlands product (bbp), wat wijst op
toenemende economische globalisering. De winsten uit handel kwamen
vooral terecht bij de koloniale mogendheden. Zo verkocht Groot-Brittannië
goedkope textielproducten in India, waardoor veel lokale textielwerkers
hun werk verloren.
§1.2 Het wereldsysteem tot 1980
Wereldsysteem: centrum-periferiemodel
Geografen gebruiken vaak de systeembenadering om de wereld te
begrijpen. Een belangrijk wereldsysteem is het centrum-periferiemodel,
waarin landen worden ingedeeld op basis van economische en politieke
relaties. In dit model vormen rijke en machtige landen het centrum. Deze
centrumlanden beheersen de wereldhandel en wereldpolitiek en hebben
veel kennis, kapitaal, hightechindustrie en dienstverlening. Hier zitten
vaak hoofdkantoren van multinationals en vindt veel onderzoek en
ontwikkeling plaats. De semiperiferie bestaat uit landen waar naast
landbouw en mijnbouw ook de industrie zich sterk ontwikkelt. Deze landen
krijgen meer kennis en kapitaal en ontwerpen en verkopen steeds vaker