Tentamenguide — Week 1: Algemene Inleiding
Universiteit van Tilburg | Master Rechtsgeleerdheid
1. De oceaan en de eilanden — het grote plaatje
Stel je voor dat de economie een enorme oceaan is. Op die oceaan mag iedereen vrij varen:
bedrijven mogen elkaars producten kopiëren, ideeën overnemen en op elkaar concurreren.
Dit heet de kopieervrijheid. De overheid komt hier in principe niet tussen.
Maar er zijn eilanden in die oceaan — uitzonderingen op die vrijheid. Er zijn precies twee
soorten eilanden:
De twee eilanden (= uitzonderingen op kopieervrijheid)
1. Intellectuele eigendomsrechten (IE-rechten) — wettelijk vastgelegd
2. Slaafse nabootsing / ongeoorloofde mededinging — ontwikkeld door de rechter
Buiten deze eilanden geldt: alles mag. Je mag een goedkopere versie van een product
maken, je mag technische oplossingen overnemen, je mag concurreren op prijs. Dat is het
uitgangspunt.
1.1 Slaafse nabootsing (het tweede eiland)
Dit eiland is GEEN wettelijke regel, maar rechtersrecht op basis van art. 6:162 BW
(onrechtmatige daad). Het verschil met IE-rechten is belangrijk:
IE-rechten vs. Slaafse nabootsing
IE-rechten: absoluut recht, werkt tegen iedereen, goede trouw doet er niet toe.
Slaafse nabootsing: er vindt altijd een billijkheidsafweging plaats, zijn dus niet absoluut.
Slaafse nabootsing: mag je ALLEEN toepassen als er geen IE-recht van toepassing is!
De slaafse nabootsingstheorie zegt: je mag een product nabootsen, MAAR niet als je daarbij
nodeloos verwarring wekt bij het publiek over een product met een eigen gezicht.
De drie vereisten voor slaafse nabootsing:
• 1. Product met een eigen gezicht: het nagebootste product onderscheidt zich in
uiterlijke verschijningsvorm van andere soortgelijke producten op de markt.
• 2. Nodeloos: de nabootser doet geen enkele moeite om verwarring te vermijden,
terwijl hij dat wel had kunnen doen zonder de deugdelijkheid/bruikbaarheid aan te
tasten. Technische onderdelen die nodig zijn voor de bruikbaarheid mag je wél
overnemen.
, • 3. Verwarringsgevaar: beoordeeld vanuit de gemiddelde consument, op basis van de
totaalindruk (niet detail voor detail).
Geheugensteun: Eigen gezicht + nodeloos + verwarring = slaafse nabootsing.
2. Jurisprudentie — de kernzaken
⚖️ HR Hyster Karry Krane (1953) — Slaafse nabootsing
FEITEN: Hyster maakt een speciale rijdende kraan, de 'Karry Krane'. Thole maakt een
bijna identieke kraan ('The Elephant') na op alle primaire punten (afmetingen,
hijsvermogen, draaicirkel). Ook het reclamemateriaal wordt vrijwel volledig gekopieerd.
RECHTSVRAAG: Is de nabootsing van een niet-geoctrooieerd industrieel product
onrechtmatig?
RECHTSREGEL: In het algemeen staat het iedereen vrij om zijn producten zo goed en
bruikbaar mogelijk te maken, ook als men daarbij gebruik maakt van wat een concurrent
al heeft bedacht. Nabootsing is alleen ongeoorloofd als men zonder afbreuk te doen aan
de deugdelijkheid een andere weg had kunnen inslaan, maar dat nalaat en zo verwarring
sticht.
BELANG VOOR HET VAK: Dit is het founding-arrest van de slaafse nabootsingsleer in
Nederland. De HR stelt het principe: kopiëren mag in beginsel, maar nodeloos
verwarring wekken mag niet. Let op: het reclame-nabootsen kan leiden tot een
reclameverbod, maar niet automatisch tot een verbod op het product zelf.
⚖️ Hof Philips t. Lidl (scheerapparaat) — Slaafse nabootsing &
auteursrecht
FEITEN: Philips verkoopt de ST3D scheerapparaat. Lidl brengt een goedkoper
scheerapparaat op de markt dat er visueel op lijkt. Philips stelt dat er sprake is van
auteursrechtinbreuk.
RECHTSVRAAG: Maakt Lidl inbreuk op het auteursrecht van Philips op het
scheerapparaat?
RECHTSREGEL: Het oordeel moet worden geveld vanuit de gemiddelde consument die
kijkt naar de totaalindruk, niet naar de details. De rechtbank en het hof wijzen de
vordering af: de ST3D is geen auteursrechtelijk beschermd werk. En zelfs als dat wel zo
zou zijn, valt de Lidl-variant buiten de beschermingsomvang wegens een te groot
verschil in totaalindruk.
BELANG VOOR HET VAK: Illustreert het verwarringscriterium: de gemiddelde
consument staat niet met beide apparaten in de hand. Het gaat om de totaalindruk bij
een normale aankoopbeslissing in de winkel.
,3. Intellectuele Eigendomsrechten — Algemene
Kenmerken
Elk IE-recht heeft een eigen voorwerp (waar gaat het over?) en een eigen ratio legis
(waarom bestaat het?). De ratio legis vertaalt zich in de beschermingsdrempel: niet alles
wordt beschermd, alleen wat het banale overschrijdt.
Twee voorbeelden van voorwerp + ratio legis
Octrooi: voorwerp = uitvinding | ratio = innovatie stimuleren
Auteursrecht: voorwerp = werk van letterkunde of kunst | ratio = culturele creatie
stimuleren
3.1 Corpus mysticum vs. corpus mechanicum
Een IE-recht heeft altijd een onlichamelijk (immaterieel) voorwerp. Dit noemen we het corpus
mysticum — de creatie van de menselijke geest zelf.
Maar die creatie manifesteert zich in de echte wereld via een fysieke drager: het corpus
mechanicum.
Voorbeeld: een roman
Corpus mysticum = de roman zelf (de tekst, de volgorde van woorden, het verhaal)
Corpus mechanicum = het gedrukte boek, het e-book, het audioboek
Onafhankelijkheidsbeginsel: als je het boek koopt, koop je NIET de auteursrechten. Het
eigendom van het corpus mechanicum staat los van het recht op het corpus mysticum.
Belangrijk: een idee of concept kan NOOIT worden beschermd. Alleen de concrete
uitwerking ervan.
Voorbeeld: het idee voor een detectives-spel kan niet worden beschermd, maar de
specifieke uitwerking (de naam, het ontwerp, de tekeningen) kan dat wel.
3.2 De vijf kenmerken van IE-rechten
1. Legaliteitsbeginsel — wettelijk vetorecht
Geen IE-recht zonder wettelijke grondslag. Dit is een subjectief absoluut recht, wat betekent
dat het werkt tegen iedereen (erga omnes). De goede trouw van de inbreukmaker doet er
niet toe — als jij iemands auteursrecht schendt zonder het te weten, ben je toch
aansprakelijk.
Verschil met slaafse nabootsing: Bij slaafse nabootsing (onrechtmatige daad) speelt
goede trouw wél een rol, bij IE-rechten niet.
, 2. Territorialiteitsbeginsel (art. 8.1 Rome II)
IE-rechten zijn gebonden aan het grondgebied waar ze zijn verleend. Je Nederlandse
auteursrecht werkt niet automatisch in Duitsland — daar heb je Duits auteursrecht nodig.
Uitzondering binnen de EU: voor merken en modellen zijn er EU-brede rechten (EU-merk,
Gemeenschapsmodel) die gelden in alle lidstaten tegelijk.
3. Beperkte duurtijd
Het systeem is een ruilhandel: jij krijgt tijdelijk een monopolie, in ruil voor het bijdragen aan
de samenleving. Na afloop van de beschermingstermijn wordt het werk publiek domein.
• Octrooi: maximaal 20 jaar
• Auteursrecht: 70 jaar na het overlijden van de auteur
Uitzondering: Merken en handelsnamen kunnen in theorie eeuwig bestaan (ze eindigen
niet automatisch).
4. Toekenning — van rechtswege of via registratie
• Van rechtswege (ex lege): auteursrecht ontstaat automatisch als je werk voldoet aan
de drempel. Je hoeft niets aan te vragen.
• Via registratie: octrooien, merken, modellen — hier moet je actief een aanvraag doen
bij een instantie (bijv. Benelux Bureau voor de Intellectuele Eigendom).
5. Cumuleerbaarheid
Eén product kan tegelijkertijd meerdere IE-rechten hebben.
Voorbeeld: een smartphone
- Het logo/merkteken van de fabrikant → merkenrecht
- Het uiterlijk/design van het toestel → tekeningen- en modellenrecht
- De computerchip → bescherming halfgeleiderproducten
- Bepaalde technische uitvindingen in het moederbord → octrooirecht
- De software, geluiden en afbeeldingen op het toestel → auteursrecht
4. Categorieën van Intellectuele Rechten
Er zijn twee grote groepen, met aan elke kant een essentieel verschil: de linkergroep heeft
altijd een einddatum; de rechtergroep kan in theorie oneindig duren.
Rechten die altijd eindigen Rechten die in theorie oneindig kunnen
duren
Auteursrecht (s.l.) Merken
- werken van letterkunde/kunst