AP; B2; onderzoeksmethoden
Kennen: slides + pagina’s 23-33
1.3. Stappen van de wetenschappelijke methode
1.3.1. Empirische cyclus
Intelligent -> goede hypothese, kun je meten Knapper -> geen goede hypothese, is een mening
1.3.1.2. Theorie
= toetsbare verklaring voor een verzameling feiten/waarnemingen
o Gebeurt in 4 methodische stappen
o Eigenschappen: kan feiten verklaren, kan worden getest
1.3.1.3. Hypothese
= falsifieerbare voorspelling v.d. uitkomst v. wetenschappelijk onderzoek, bewering over de relatie
tussen variabelen.
o Bv; suiker maakt kinderen meer actief
Twee hypothesen:
o H0: geen verband tussen variabelen
Brunettes/blondines zijn even intelligent
o H1: wel een verband
Brunettes zijn intelligenter dan blondines
1
,1.3.1.4. Dataverzameling
o Psychologie = wetenschap = gebaseerd op feiten = uitspraken over werkelijkheid = vaak
‘meten’
o Erg belangrijk in (psychologische) wetenschap: juiste meetmethode/dataverzameling op de
correcte manier hanteren
Lengte vs. IQ: verschil in complexiteit
o Lengte: 100 dubbel van 50 maar bij IQ is 100 niet dubbel zo verstandig als 50
1.3.1.4.1. Observatie
Observeerder:
o Professionele onbekenden (objectief, soms artificieel)
o Bekenden (subjectief)
Natuurlijke omgeving
Multiple sociale personae
Voordelen:
o Onbekend gebied
o Geen taal
Nadelen:
o Geen controle over omgeving
o Niet alles is waarneembaar (bv; attitudes, hoe je denkt, hoe je voelt)
o Observatie beïnvloedt wat je wil observeren
o Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid
o Correctheid v.d. menselijke observatie niet altijd feilloos
Experiment Loftus & Palmer (1974):
Auto-ongeluk werd getoond aan studenten -> daarna vragen
Zoals: “About how fast were the cars going when they ... each other?”
Cruciale vraag na een paar dagen: ‘Did u see any broken glass?’ (Was niet te zien in het filmpje)
Elke groep: 50 studenten -> G1: Smashed 16/50 G2: Hit 7/50 G3: Contacted 0/50
Conclusie; ze menen dingen te zien, denken echt dat ze gebroken glas hebben gezien (observatie niet
perfect!)
2
,1.3.1.4.2. Interview
Voordelen:
o Flexibel (doorvragen, verduidelijking)
o Geschikt voor exploratief onderzoek
Nadelen:
o Invloed van de ondervrager/situatie
o Geringe betrouwbaarheid
Drie vormen:
o Gestructureerd
o Semigestructureerd
o Vrij (ongestructureerd)
1.3.1.4.3. Gevalstudie
= diepgaand onderzoek naar individuen met zeldzame stoornissen of ongewone talenten
o Subjectief, niet eenvoudig te generaliseren
o Ted Bundy, Einstein
1.3.1.4.4. Vragenlijstonderzoek
Indirecte observatie (respondent observeert zichzelf)
Voordelen:
o Eenvoudig, groot bereik
o Niet observeerbaar gedrag te bevragen (attitudes, emoties)
o Gemakkelijke statistische verwerking
Nadelen
o Steekproeffouten
o Wil en kan de ondervraagde zichzelf beoordelen? Eerlijk en objectief?
o Taal als mogelijk vertekenende factor
o Invloed van de manier van vraagstelling
3
, AP; B3; Onderzoeksmethoden
1. Betrouwbaarheid
= mate waarin een test het “echte” level van een bepaalde trait kan meten.
Bv; IQ = 115 (meting 1= 115, meting 2 = 112-118, meting 3 = 100-130)
1.1. Test-hertest betrouwbaarheid
= mate waarin een test dezelfde resultaten geeft op verschillende tijdstippen.
Repeated measurement (= herhaalde meting):
o Tijdstip 1 = 115 Tijdstip 2 = 115 Tijdstip 3 = 115
1.2. Interne consistentie betrouwbaarheid
= mate waarin de verschillende items van een test hetzelfde meten
o 1 tijdstip
o Interne herhaalde meting
Bv; schaal Paranoia (Ik ben ervan overtuigd dat mensen steeds negatieve bijbedoelingen hebben)
1.3. Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid
= mate waarin de verschillende beoordelaars hetzelfde resultaat observeren •
o Enkel toepasbaar op observatiegegevens
___
Response sets (antwoordneigingen) → noncontent antwoorden
o Acquiescence (ja antwoorden)
o Extreem antwoorden
o Altijd midden kiezen
o Sociaal wenselijk antwoorden
Sociaal wenselijk antwoorden:
Error (bias) → elimineren of minimaliseren
o 3 oplossingen:
Corrigeren dmv schalen
Items: geen correlatie met sociale wenselijkheid
Gedwongen keuze (forced choice; equivalent in sociale wenselijkheid)
o Trait → meten
Invloed op vragenlijst?
4
Kennen: slides + pagina’s 23-33
1.3. Stappen van de wetenschappelijke methode
1.3.1. Empirische cyclus
Intelligent -> goede hypothese, kun je meten Knapper -> geen goede hypothese, is een mening
1.3.1.2. Theorie
= toetsbare verklaring voor een verzameling feiten/waarnemingen
o Gebeurt in 4 methodische stappen
o Eigenschappen: kan feiten verklaren, kan worden getest
1.3.1.3. Hypothese
= falsifieerbare voorspelling v.d. uitkomst v. wetenschappelijk onderzoek, bewering over de relatie
tussen variabelen.
o Bv; suiker maakt kinderen meer actief
Twee hypothesen:
o H0: geen verband tussen variabelen
Brunettes/blondines zijn even intelligent
o H1: wel een verband
Brunettes zijn intelligenter dan blondines
1
,1.3.1.4. Dataverzameling
o Psychologie = wetenschap = gebaseerd op feiten = uitspraken over werkelijkheid = vaak
‘meten’
o Erg belangrijk in (psychologische) wetenschap: juiste meetmethode/dataverzameling op de
correcte manier hanteren
Lengte vs. IQ: verschil in complexiteit
o Lengte: 100 dubbel van 50 maar bij IQ is 100 niet dubbel zo verstandig als 50
1.3.1.4.1. Observatie
Observeerder:
o Professionele onbekenden (objectief, soms artificieel)
o Bekenden (subjectief)
Natuurlijke omgeving
Multiple sociale personae
Voordelen:
o Onbekend gebied
o Geen taal
Nadelen:
o Geen controle over omgeving
o Niet alles is waarneembaar (bv; attitudes, hoe je denkt, hoe je voelt)
o Observatie beïnvloedt wat je wil observeren
o Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid
o Correctheid v.d. menselijke observatie niet altijd feilloos
Experiment Loftus & Palmer (1974):
Auto-ongeluk werd getoond aan studenten -> daarna vragen
Zoals: “About how fast were the cars going when they ... each other?”
Cruciale vraag na een paar dagen: ‘Did u see any broken glass?’ (Was niet te zien in het filmpje)
Elke groep: 50 studenten -> G1: Smashed 16/50 G2: Hit 7/50 G3: Contacted 0/50
Conclusie; ze menen dingen te zien, denken echt dat ze gebroken glas hebben gezien (observatie niet
perfect!)
2
,1.3.1.4.2. Interview
Voordelen:
o Flexibel (doorvragen, verduidelijking)
o Geschikt voor exploratief onderzoek
Nadelen:
o Invloed van de ondervrager/situatie
o Geringe betrouwbaarheid
Drie vormen:
o Gestructureerd
o Semigestructureerd
o Vrij (ongestructureerd)
1.3.1.4.3. Gevalstudie
= diepgaand onderzoek naar individuen met zeldzame stoornissen of ongewone talenten
o Subjectief, niet eenvoudig te generaliseren
o Ted Bundy, Einstein
1.3.1.4.4. Vragenlijstonderzoek
Indirecte observatie (respondent observeert zichzelf)
Voordelen:
o Eenvoudig, groot bereik
o Niet observeerbaar gedrag te bevragen (attitudes, emoties)
o Gemakkelijke statistische verwerking
Nadelen
o Steekproeffouten
o Wil en kan de ondervraagde zichzelf beoordelen? Eerlijk en objectief?
o Taal als mogelijk vertekenende factor
o Invloed van de manier van vraagstelling
3
, AP; B3; Onderzoeksmethoden
1. Betrouwbaarheid
= mate waarin een test het “echte” level van een bepaalde trait kan meten.
Bv; IQ = 115 (meting 1= 115, meting 2 = 112-118, meting 3 = 100-130)
1.1. Test-hertest betrouwbaarheid
= mate waarin een test dezelfde resultaten geeft op verschillende tijdstippen.
Repeated measurement (= herhaalde meting):
o Tijdstip 1 = 115 Tijdstip 2 = 115 Tijdstip 3 = 115
1.2. Interne consistentie betrouwbaarheid
= mate waarin de verschillende items van een test hetzelfde meten
o 1 tijdstip
o Interne herhaalde meting
Bv; schaal Paranoia (Ik ben ervan overtuigd dat mensen steeds negatieve bijbedoelingen hebben)
1.3. Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid
= mate waarin de verschillende beoordelaars hetzelfde resultaat observeren •
o Enkel toepasbaar op observatiegegevens
___
Response sets (antwoordneigingen) → noncontent antwoorden
o Acquiescence (ja antwoorden)
o Extreem antwoorden
o Altijd midden kiezen
o Sociaal wenselijk antwoorden
Sociaal wenselijk antwoorden:
Error (bias) → elimineren of minimaliseren
o 3 oplossingen:
Corrigeren dmv schalen
Items: geen correlatie met sociale wenselijkheid
Gedwongen keuze (forced choice; equivalent in sociale wenselijkheid)
o Trait → meten
Invloed op vragenlijst?
4