van Dieren
Hoorcolleges Fysiologie, Anatomie
Deeltentamen 1
ADEMHALING FYSIOLOGIE..........................................................3
Structuur en functie.......................................................................................3
Ademmechanica.............................................................................................4
Spirometrie...................................................................................................4
Gastransport..................................................................................................5
Ademregulatie............................................................................................... 5
HART EN CIRCULATIE FYSIOLOGIE...............................................7
Waarom is circulatie nodig?............................................................................7
Circulatoire systemen.....................................................................................7
Humane circulatie..........................................................................................7
Het humane hart: structuur............................................................................8
Het humane hart: elektrische activiteit...........................................................9
Het humane hart: mechanische activiteit.......................................................10
HET CARDIOVASCULAIRE SYSTEEM ANATOMIE...........................11
GASUITWISSELING SYSTEMEN ANATOMIE..................................13
SPIJSVERTERING FYSIOLOGIE....................................................16
Voedsel....................................................................................................... 16
Regulering voedselinname............................................................................16
Ons spijsverteringsstelsel.............................................................................17
Van mond naar maag....................................................................................17
In de maag................................................................................................... 17
In de dunne darm.........................................................................................18
In de dikke darm..........................................................................................19
,SPIJSVERTERING ANATOMIE......................................................20
Eencelligen.................................................................................................. 20
Meercelligen................................................................................................ 20
Meercellige met weefsel...............................................................................20
Ongewervelde dieren...................................................................................20
Gewervelde dieren.......................................................................................20
HERSENEN EN ZENUWSTELSEL ANATOMIE.................................22
historie........................................................................................................ 22
Zenuwstelsel................................................................................................ 22
NEURO-FYSIOLOGIE..................................................................24
UROGENITAALSYSTEEM FYSIOLOGIE..........................................27
Functie van de nieren...................................................................................27
Structuur..................................................................................................... 27
Het nefron................................................................................................... 28
Filtratie, reabsorptie en secretie...................................................................28
osmoregulatie.............................................................................................. 30
Nierfunctie................................................................................................... 31
Afvoer......................................................................................................... 31
EXCRETIE, ANATOMIE...............................................................32
VOORPLANTING, ANATOMIE......................................................34
,ADEMHALING FYSIOLOGIE
STRUCTUUR EN FUNCTIE
Ademhaling is het aanvoeren van zuurstof, en afvoeren van koolstofdioxide, volgens
diffusie. (Passief)
Diffusiesnelheid Q, bepaald door Diffusie coëfficiënt D
Verschil in gasdruk P
Diffusieafstand L
Diffusieoppervlak A
Optimale diffusie bij lage diffusieafstand, en een hoog
diffusieoppervlak.
Ademhaling in de mens voor Aanvoer van O2 uit de
omgeving.
Afvoer van CO2 naar de omgeving.
Reguleren van pH, meer pCO2 voor lagere pH.
Bescherming tegen ongewenste stoffen door reinigen
lucht.
Geluid produceren door lucht langs stembanden.
Lucht komt binnen in de Pharynx. Hierna zorgt de Epiglottis voor
het openen van de Larynx zodat de lucht zijn weg kan vervolgen
naar de Trachea om zo bij de Bronchiën en Bronchiolen te komen.
Inademingsspieren Voornamelijk aanspannen van
diafragma.
Spieren van nek en borstbeen
Externe tussenribspieren
Uitademingsspieren Voornamelijk ontspannen van
diafragma.
Interne tussenribspieren
Buikspieren
Diafragma wordt voornamelijk gebruikt mij standaard ademhaling. Actief voor in, en
passief voor uit.
De andere spieren worden gebruikt bij extreme in/uitademing en zijn hiermee altijd
actieve ademhaling.
Kraakbeen in de trachea en bronchiën zorgen voor het continu openstaan, en ventilatie
van lucht.
Bronchiën monden uit in trosjes gevuld met alveoli, de longblaasjes, deze zijn bedekt met
de capillairen.
De trosjes zijn omgeven door het binnenste bindweefsel, visceral pleura, die zich bevindt
naast het buitenste bindweefsel, parietal pleura. Deze zijn gescheiden door een laag
weefselvloeistof in de pleuraholte wat zorgt voor de aantrekking, en geheelvorming van
weefsel in de longen.
Diffusie vindt plaats op het alveolocapillaire membraan van de alveoli, op 0.3 m afstand.
, Boven op het alveolocapillaire membraan ligt een dun waterlaagje. Door de
aantrekkingskracht van de watermoleculen wordt de lucht niet gelijk verdeeld, maar loopt
1 blaasje liever leeg. Hoe krommer de wand van de alveoli, hoe makkelijker hij leegloopt.
v
De oplossing ligt bij de productie van surfactant, door de type 2 pneumocyten in het
membraan. Deze sof heeft een zeepachtige substantie en verlaagt hiermee de
oppervlaktespanning van de watermoleculen.
De oppervlaktespanning zal bij kleine omgeving lager zijn dan bij grote omgeving, en de
lucht verdelen.
Vanaf de tracheeën tot de alveoli liggen 23 splitsingen. Het oppervlak van alveoli in de
longen is hiermee dus erg groot. ~ 50-100 m2
ADEMMECHANICA
De proef van Torricelli werd gebruikt om te bewijzen dat lucht druk geeft. De druk van de
buitenlucht kon hiermee worden vastgesteld. Dit was 760 mm Hg, of 10,3 m H2O, of 103
kPa.
Bij een klaplong raakt de pleuraholte lek, de aantrekking tussen de ribben en de longen
wordt verstoord.
Dit zal zorgen voor het verschrompelen van de longen, en het vergoten van de
ribbenholte.
De long wil dus van nature samenvallen, plong, en de thorax (borstkas) wil zich van nature
uitzetten, ppl.
De pleuraholte zorgt hier voor een rustevenwicht in, het ademrustniveau, van -3 mm Hg.
De gemeenschappelijke krachten van de long en de thorax vormen een resulterende
druk, palv, van 0.
Inademen gebeurt actief Bij inademen zorgen je ademhalingsspieren voor een
negatievere ppl.
Dit resulteert in een onderdruk, een negatieve palv.
Lucht zal de longen instromen.
Uitademen gebeurt passief Bij uitademen valt de ppl terug naar -3 mm Hg.
De longen worden bij uitademen kleiner
Dit resulteert in een bovendruk, een positieve palv.
Lucht zal de longen uitstromen.
SPIROMETRIE
Met een spirometer kan worden gemeten hoeveel lucht er wordt in-en uitgeademd.
Een spirogram geeft hierbij het volume lucht in de longen tegenover de tijd weer.
Rustvolume Bij rustig in- en uitademen
Inspiratoir reserve volume Bij maximale inademing
Experitoir reserve volume Bij maximale uitademing
Vitale capaciteit Tussen maximale in- en
uitademing
Residiual volume In longen na maximale
uitademing
Totale longcapaciteit Volledige longinhoud
Inspiratoir capaciteit Tussen rust en maximale
inademing
Functioneel residual capaciteit In longen na rust ademhaling.