,BLOK 1 – INLEIDING RECHT
Wetsbepalingen lezen en noteren
Je noteert altijd het artikel, de eventuele onderverdeling (lid en sub) en de wet.
Voorbeeld Art. 8 lid 1 sub a WML
Recht
Wat is recht?
▪ Het recht (“the law”): een geheel van alle geldenede rechtsregels (objectief).
▪ Een recht (“a law”): een individuele aanspraak of bevoegdheid van een persoon (subjectief).
Recht kun je op verschillende manieren zien: als vastgelegde regels, als rechtvaardigheid of als sociale interactie, en
rechten werken vaak als “troefkaarten” die zwaarder wegen dan andere regels. Daarnaast bepaalt het recht wat wel en
niet mag en bestaat het uit verschillende gebieden (bijvoorbeeld strafrecht en arbeidsrecht).
Functies van het recht
▪ Codificeren van omgangsnormen: het vastleggen van gedragsregels in wetten.
▪ Ordenen van de maatschappij: structuur aanbrengen in instituties en gedrag.
▪ Regels van verkeer: zowel letterlijk (verkeerd) als economisch (handel, betalingen).
▪ Beslechten van geschillen: oplossen van conflicten (bijvoorbeeld tussen burger en overheid).
▪ Handhaven van orde: zorgen dat regels worden nageleefd.
▪ Afwegen van belangen: eerlijke oplossing bij conflicten.
▪ Regels over deze regels (Formeel recht): regels over procedures en hoe recht wordt
toegepast.
Vrouwe Justitia
▪ Zwaard → Rechtvaardige beslissings en daadkracht
▪ Blinddoek → Onafhankelijkheid en objectiviteit
▪ Weegschaal → Eerlijke afweging van belangen
Rechtsstaat
Rechtsstaat is een staat waarin de macht van de overheid is beperkt door het recht, met als doel de vrijheid en
autonomie van burgers te waarborgen.
Beginselen
Grondrechten (Human Rights): iedereen is gelijkwaardig, ongeacht afkomst, status of positie. Dit zijn de minimale
rechten die je hebt omdat je mens bent. Soorten:
▪ Klassieke grondrechten (vrijheidsrechten) → negatieve inspanningsverplichting
De overheid moet zich onthouden van inmenging en burgers met rust laten.
▪ Sociale grondrechten → positieve inspanningsverplichting
De overheid moet zicht actief inspannen om bepaalde voorzieningen en welzijn voor burgers te realiseren.
Legaliteitsbeginsel (Rule of Law): de overheid mag alleen handelen o.b.v. de wet. Als vrijheden of eigendom van burgers
wordt beperkt, moet daar een wettelijk grondslag voor zijn. Belangrijk omdat de staat veel macht heeft.
,Democratie (Representatieve democratie): staatsvorm waarin burgers met actief en passief kiesrecht via vrije, eerlijke,
anonieme verkiezingen volksvertegenwoordigers kiezen, met gelijk kiesrecht, politieke gelijkheid, vrije media, een actief
maatschappelijk middenveld (Civil Society) en een scheiding van machten.
Kenmerken
Machtenscheiding (Trias Politica – Montesquieu)
Doel → voorkomen dat één instantie te veel macht krijgt → checks and balances (controle en evenwicht)
Wetgevende macht: de macht die verantwoordelijk is voor het maken van wetten.
▪ Nationaal niveau → Regering en Staten-Generaal
▪ Tweede Kamer: direct gekozen volksvertegenwoordiging die wetsvoorstellen
behandelt, kan wijzigen en de regering controleert.
▪ Eerste Kamer: indirect gekozen kamer die wetsvoorstellen beoordeelt en alleen kan
goed- of afkeuren.
▪ Provinciaal niveau → Provinciale Staten
▪ Gemeentelijk niveau → Gemeenteraad
Rechtsprekende macht: de macht die het recht toepast en geschillen beslecht.
▪ Nederland – rechtbanken behandelen zaken in eerste aanleg, gerechtshoven zaken in hoger
beroep en de Hoge Raad beoordeelt in cassatie of het recht juist is toegepast.
▪ Speciale bestuursrechters – Raad van State (bestuursrechtspraak), Centrale Raad van
Beroep, College van Beroep voor het bedrijfsleven.
▪ Internationaal
▪ Internationaal Gerechtshof → geschillen tussen staten
▪ Internationaal Strafhof → berechting van individuen
▪ Europees
▪ Hof van Justitie EU → EU-recht
▪ Europees Hof voor de Rechten van de Mens → mensenrechten
Uitvoerende macht: de macht die verantwoordelijk is voor het uitvoeren van wetten en beleid.
▪ Centraal niveau → Regering bestaat uit de Koning en ministers
▪ Koning is onschendbaar, ministers zijn verantwoordelijk
▪ Provinciaal niveau → Commissaris van de Koning en Gedeputeerde Staten
▪ Gemeentelijk niveau → College van B&W en de burgemeester
Wetgevingsproces
1. Wetsvoorstel (minister of Tweede Kamer)
2. Bespreking in ministerraad (kabinet)
3. Voor advies naar Raad van State
4. Indiening bij Tweede Kamer
5. Plenaire behandeling en evt. amendementen
6. Behandeling in de Eerste Kamer
7. Bekrachtiging, publicatie in Staatsblad, inwerkingtreding
Resultaat → Wet In Formele Zin (WIFZ)
, Rechtsbronnen en beginselen
Rechtsbronnen
Rechtsbronnen: de plaatsen waar je het recht kunt vinden bij een juridische vraag, waarbij een vaste randorde bepaalt
welke bron voorrang heeft. De belangrijkste rechtsbronnen zijn:
1. Internationale verdragen
2. De Grondwet
3. Overige wetten in formele zin (gemaakt door regering en Staten-Generaal → totstandkoming)
4. Wetten in materiële zin (algemeen verbindende regels voor burgers, overheidsorganen en berdrijven → inhoud)
5. Rechtspraak (Jurisprudentie)
6. Collectieve en individuele arbeidsovereenkomsten
7. Gebruik en gewoonte
8. Rechtsbeginselen
Voorrangsregels
Voorrangsregels: regels die bepalen welke wet geldt als rechtsregels met elkaar in strijdt zijn.
▪ Hogere (belangrijkere) regel gaat voor een lagere “lex superior derogat legi inferiori”
▪ Bijzonder gaat voor algemeen “lex specialis derogat legi generali”
▪ Nieuw gaat voor oud “lex posterior derogat legi priori”
(Fundamentele) Rechtsbeginselen
Rechtsbeginselen: algemene, vaak abstracte normen en waarde die de basis vormen van het recht en helpen bij de
uitleg en toepassing ervan. Kunnen zowel geschreven als ongeschreven zijn en krijgen vooral betekenis in concrete
gevallen door interpretatie. Ze vullen open normen in en maken het mogelijk om in te spelen op situaties die niet
expliciet in de wet geregeld zijn. In tegenstelling tot regels hebben beginselen een bepaald gewicht en kunnen ze
zwaarder of lichter meewegen.
Voorbeelden Gelijkheidsbeginsel, rechtszekerheid, redelijkheid en billijkheid, goed werkgeverschap, etc.
Interpretatiemethoden en Rechtsvinding
Rechtsvinding: wanneer bepaalde wettelijke regelingen onduidelijkheden geven of in ene bepaalde zaak niet passen, zal
de rechter deze rechtsregels moeten uitleggen. Methoden:
▪ Grammaticale methode: kijken naar de letterlijke tekst.
▪ Wetshistorische methode: bedoeling van de wetgever.
▪ Systematische methode: samenhang met andere regels.
▪ Teleologische methode: doel van de regel.
▪ Rechtshistorische methode: historische context.
▪ Anticiperende methode: rekening houden met toekomstige wetgeving.
Wetsbepalingen lezen en noteren
Je noteert altijd het artikel, de eventuele onderverdeling (lid en sub) en de wet.
Voorbeeld Art. 8 lid 1 sub a WML
Recht
Wat is recht?
▪ Het recht (“the law”): een geheel van alle geldenede rechtsregels (objectief).
▪ Een recht (“a law”): een individuele aanspraak of bevoegdheid van een persoon (subjectief).
Recht kun je op verschillende manieren zien: als vastgelegde regels, als rechtvaardigheid of als sociale interactie, en
rechten werken vaak als “troefkaarten” die zwaarder wegen dan andere regels. Daarnaast bepaalt het recht wat wel en
niet mag en bestaat het uit verschillende gebieden (bijvoorbeeld strafrecht en arbeidsrecht).
Functies van het recht
▪ Codificeren van omgangsnormen: het vastleggen van gedragsregels in wetten.
▪ Ordenen van de maatschappij: structuur aanbrengen in instituties en gedrag.
▪ Regels van verkeer: zowel letterlijk (verkeerd) als economisch (handel, betalingen).
▪ Beslechten van geschillen: oplossen van conflicten (bijvoorbeeld tussen burger en overheid).
▪ Handhaven van orde: zorgen dat regels worden nageleefd.
▪ Afwegen van belangen: eerlijke oplossing bij conflicten.
▪ Regels over deze regels (Formeel recht): regels over procedures en hoe recht wordt
toegepast.
Vrouwe Justitia
▪ Zwaard → Rechtvaardige beslissings en daadkracht
▪ Blinddoek → Onafhankelijkheid en objectiviteit
▪ Weegschaal → Eerlijke afweging van belangen
Rechtsstaat
Rechtsstaat is een staat waarin de macht van de overheid is beperkt door het recht, met als doel de vrijheid en
autonomie van burgers te waarborgen.
Beginselen
Grondrechten (Human Rights): iedereen is gelijkwaardig, ongeacht afkomst, status of positie. Dit zijn de minimale
rechten die je hebt omdat je mens bent. Soorten:
▪ Klassieke grondrechten (vrijheidsrechten) → negatieve inspanningsverplichting
De overheid moet zich onthouden van inmenging en burgers met rust laten.
▪ Sociale grondrechten → positieve inspanningsverplichting
De overheid moet zicht actief inspannen om bepaalde voorzieningen en welzijn voor burgers te realiseren.
Legaliteitsbeginsel (Rule of Law): de overheid mag alleen handelen o.b.v. de wet. Als vrijheden of eigendom van burgers
wordt beperkt, moet daar een wettelijk grondslag voor zijn. Belangrijk omdat de staat veel macht heeft.
,Democratie (Representatieve democratie): staatsvorm waarin burgers met actief en passief kiesrecht via vrije, eerlijke,
anonieme verkiezingen volksvertegenwoordigers kiezen, met gelijk kiesrecht, politieke gelijkheid, vrije media, een actief
maatschappelijk middenveld (Civil Society) en een scheiding van machten.
Kenmerken
Machtenscheiding (Trias Politica – Montesquieu)
Doel → voorkomen dat één instantie te veel macht krijgt → checks and balances (controle en evenwicht)
Wetgevende macht: de macht die verantwoordelijk is voor het maken van wetten.
▪ Nationaal niveau → Regering en Staten-Generaal
▪ Tweede Kamer: direct gekozen volksvertegenwoordiging die wetsvoorstellen
behandelt, kan wijzigen en de regering controleert.
▪ Eerste Kamer: indirect gekozen kamer die wetsvoorstellen beoordeelt en alleen kan
goed- of afkeuren.
▪ Provinciaal niveau → Provinciale Staten
▪ Gemeentelijk niveau → Gemeenteraad
Rechtsprekende macht: de macht die het recht toepast en geschillen beslecht.
▪ Nederland – rechtbanken behandelen zaken in eerste aanleg, gerechtshoven zaken in hoger
beroep en de Hoge Raad beoordeelt in cassatie of het recht juist is toegepast.
▪ Speciale bestuursrechters – Raad van State (bestuursrechtspraak), Centrale Raad van
Beroep, College van Beroep voor het bedrijfsleven.
▪ Internationaal
▪ Internationaal Gerechtshof → geschillen tussen staten
▪ Internationaal Strafhof → berechting van individuen
▪ Europees
▪ Hof van Justitie EU → EU-recht
▪ Europees Hof voor de Rechten van de Mens → mensenrechten
Uitvoerende macht: de macht die verantwoordelijk is voor het uitvoeren van wetten en beleid.
▪ Centraal niveau → Regering bestaat uit de Koning en ministers
▪ Koning is onschendbaar, ministers zijn verantwoordelijk
▪ Provinciaal niveau → Commissaris van de Koning en Gedeputeerde Staten
▪ Gemeentelijk niveau → College van B&W en de burgemeester
Wetgevingsproces
1. Wetsvoorstel (minister of Tweede Kamer)
2. Bespreking in ministerraad (kabinet)
3. Voor advies naar Raad van State
4. Indiening bij Tweede Kamer
5. Plenaire behandeling en evt. amendementen
6. Behandeling in de Eerste Kamer
7. Bekrachtiging, publicatie in Staatsblad, inwerkingtreding
Resultaat → Wet In Formele Zin (WIFZ)
, Rechtsbronnen en beginselen
Rechtsbronnen
Rechtsbronnen: de plaatsen waar je het recht kunt vinden bij een juridische vraag, waarbij een vaste randorde bepaalt
welke bron voorrang heeft. De belangrijkste rechtsbronnen zijn:
1. Internationale verdragen
2. De Grondwet
3. Overige wetten in formele zin (gemaakt door regering en Staten-Generaal → totstandkoming)
4. Wetten in materiële zin (algemeen verbindende regels voor burgers, overheidsorganen en berdrijven → inhoud)
5. Rechtspraak (Jurisprudentie)
6. Collectieve en individuele arbeidsovereenkomsten
7. Gebruik en gewoonte
8. Rechtsbeginselen
Voorrangsregels
Voorrangsregels: regels die bepalen welke wet geldt als rechtsregels met elkaar in strijdt zijn.
▪ Hogere (belangrijkere) regel gaat voor een lagere “lex superior derogat legi inferiori”
▪ Bijzonder gaat voor algemeen “lex specialis derogat legi generali”
▪ Nieuw gaat voor oud “lex posterior derogat legi priori”
(Fundamentele) Rechtsbeginselen
Rechtsbeginselen: algemene, vaak abstracte normen en waarde die de basis vormen van het recht en helpen bij de
uitleg en toepassing ervan. Kunnen zowel geschreven als ongeschreven zijn en krijgen vooral betekenis in concrete
gevallen door interpretatie. Ze vullen open normen in en maken het mogelijk om in te spelen op situaties die niet
expliciet in de wet geregeld zijn. In tegenstelling tot regels hebben beginselen een bepaald gewicht en kunnen ze
zwaarder of lichter meewegen.
Voorbeelden Gelijkheidsbeginsel, rechtszekerheid, redelijkheid en billijkheid, goed werkgeverschap, etc.
Interpretatiemethoden en Rechtsvinding
Rechtsvinding: wanneer bepaalde wettelijke regelingen onduidelijkheden geven of in ene bepaalde zaak niet passen, zal
de rechter deze rechtsregels moeten uitleggen. Methoden:
▪ Grammaticale methode: kijken naar de letterlijke tekst.
▪ Wetshistorische methode: bedoeling van de wetgever.
▪ Systematische methode: samenhang met andere regels.
▪ Teleologische methode: doel van de regel.
▪ Rechtshistorische methode: historische context.
▪ Anticiperende methode: rekening houden met toekomstige wetgeving.