Fiscaal comptabele verantwoording samenvatting
,Hoofdstuk 1 - Beoordeling van privébestedingen
1.1 Inleiding
Een privé-beoordeling is een vermogensvergelijking die wordt gebruikt om te achterhalen
hoeveel een privépersoon aan levensonderhoud uitgeeft. Dit wordt gebruikt als de
betrouwbaarheid van verstrekte gegevens door cliënt aan belastingadviseur wordt betwist.
De inspecteur vraagt zich dan af of de opgegeven inkomsten wel kloppen en of het mogelijk
is om van dat bedrag te leven. Een nader onderzoek kan hierop volgen, met als gevolg bij een
negatief privé omkering van bewijslast (art. 52 lid 1 AWR jo. art. 27e AWR).
1.2 Bronnen voor het doen van consumptieve uitgaven
Voor het doen van privé-uitgaven heeft een persoon geld nodig. De enige bronnen voor de
geldmiddelen zijn:
- Beginvermogen
- Inkomen IB
- Ontvangsten buiten de inkomenssfeer
- Waardestijgingen en waardedalingen
1.2.1 Het beginvermogen
Bezittingen minus de schulden zijn het privévermogen, hierbij blijven zaken van geringe
waarde buiten beschouwing. Dit is dan het startpunt van de privé-beoordeling.
Ieder privébezit kan een bron van privé-uitgaven zijn, bij de verkoop van een bezit krijg je
geld waarmee je andere uitgaven (boodschappen o.i.d) kunt doen.
De privépersoon die eigenaar is van een onderneming of aandelen heeft kan dit ook
verkopen, daarmee kan hij in levensonderhoud voorzien. Vaak is de onderneming echter
een bron van inkomsten doordat er winst uit de onderneming wordt gehaald en wordt
uitgekeerd.
Het privévermogen kan worden vastgesteld door verstrekte informatie door de cliënt,
waaronder de IB-aangifte. Hierbij neem je alleen bezittingen van betekenis mee
(materialiteitsbeginsel)
Het vermogen blijkt in de IB vooral uit de rendementsgrondslag box 3 (art. 5.3 lid 1 IB).
Waarvoor de waarderingsgrondslag uit art. 5.19 IB blijkt, wat neer komt op w.e.v.. Ook in box
1 en 2 komen bezittingen en schulden naar boven (zoals eigen woning of
aanmerkelijkbelangaandelen).
1.2.2 Het inkomen
Niet uitgegeven inkomen leidt tot vermogenstoename. Dit kan je sparen, in effecten
investeren of contant bewaren. Dit gebeurt zowel in de ondernemings- als in de privésfeer.
Inkomen is dus een vermeerdering van privévermogen waarmee je privé-uitgaven kunt doen.
Het belastbare inkomen wordt in de IB opgesplitst in box 1, 2 en 3. Dit bedrag kun je niet
rechtstreeks gebruiken voor de privébeoordeling, omdat sommige vormen van inkomen
zoals bijtelling privégebruik geen daadwerkelijk inkomen zijn. Je kijkt dus alleen naar het
geldinkomen, verteerbaar inkomen.
Voor ondernemers kijk je voor het belastbare inkomen naar de belastbare winst (art. 3.2 IB).
De wetgever heeft de koppeling tussen vermogen en winst niet rechtstreeks gemaakt, maar
het houdt wel verband. De winst die niet uitgegeven/onttrokken wordt leidt tot
vermogensgroei voor het ondernemingsvermogen.
,Vermogen en inkomen zijn dus de belangrijkste bronnen voor geld dat gebruikt kan worden
voor consumptieve uitgaven in de privésfeer.
1.2.3 Ontvangsten en uitgaven buiten de inkomenssfeer
Schenkingen in contant kunnen het privévermogen ook vergroten, alsmede die uit een
erfenis. Dit wordt niet meegenomen in de IB, daarom gaan ze buiten de inkomenssfeer om.
Toch kun je dit geld gebruiken voor consumptieve uitgaven.
Schenkingen zijn overigens ook uitgaven die niet bedoeld zijn voor eigen consumptie, deze
doen wel je vermogen krimpen, zonder dat het privé-uitgaven zijn. Dit is een negatieve eigen
consumptie bij de vermogensvergelijking.
1.2.4 Waardestijgingen en waardedalingen van privévermogenscomponenten
Het beginvermogen is een bron van geldmiddelen, maar een vermogenscomponent kan in
waarde dalen of stijgen. Waardoor je vermogen en dus je mogelijkheid tot het doen van
privé-uitgaven variëren gedurende het jaar t.o.v. het beginvermogen.
Een waardedaling moet je dus van het beginvermogen afhalen.
De hiervoor genoemde bronnen van inkomen zijn de enige bronnen van inkomen voor privé-
uitgaven. Dit bedrag samen is het maximum uit te geven bedrag, dit noem je het
theoretische eindvermogen.
In theorie kun je dat bedrag aan het eind van het jaar nog hebben, in praktijk niet, want
uitgaven voor levensonderhoud zijn noodzakelijk.
Het vergelijken van het theoretische eindvermogen met het werkelijke eindvermogen laat
zien hoeveel vermogen is verdwenen door privébestedingen.
1.3 Doel van privé-beoordeling
De privé-beoordeling wordt gemaakt om de omvang van privébestedingen te analyseren en
berekenen, de uitkomst te interpreteren en inzicht te geven in de samenstelling van
vermogen.
1.4 Structuur privé-beoordeling
1.5 Cijfermatig voorbeeld
, 1.6 Waardeverschillen in beginvermogen en eindvermogen
De kern van de vermogensvergelijking bestaat uit het vergelijken van het theoretische
eindvermogen en het werkelijke eindvermogen. Daarbij zijn vermogensbestanddelen die
dezelfde waarde houden minder relevant dan vermogensbestanddelen die een
waardeverandering meemaken.
Waardeveranderingen leiden namelijk tot het vergroten/verkleinen van de mogelijkheid om
privé-uitgaven te doen.
Iets kan pas als vermogensbestanddeel worden meegenomen als hij een meer dan geringe
waarde heeft en een levensduur die langere tijd meegaat dan enkele dagen. De vraag is dus
niet of je in een jaar iets hebt gekocht, maar of je van het gekochte iets hebt overgehouden.
Dan pas is er sprake van vermogen.
Een woning moet je niet opnemen als consumptieve post, maar wel als vermogen. Het laat
namelijk de samenstelling van het vermogen zien (bijvoorbeeld hypotheek). Ditzelfde geldt
voor gebruiksgoederen (auto’s).
,Hoofdstuk 1 - Beoordeling van privébestedingen
1.1 Inleiding
Een privé-beoordeling is een vermogensvergelijking die wordt gebruikt om te achterhalen
hoeveel een privépersoon aan levensonderhoud uitgeeft. Dit wordt gebruikt als de
betrouwbaarheid van verstrekte gegevens door cliënt aan belastingadviseur wordt betwist.
De inspecteur vraagt zich dan af of de opgegeven inkomsten wel kloppen en of het mogelijk
is om van dat bedrag te leven. Een nader onderzoek kan hierop volgen, met als gevolg bij een
negatief privé omkering van bewijslast (art. 52 lid 1 AWR jo. art. 27e AWR).
1.2 Bronnen voor het doen van consumptieve uitgaven
Voor het doen van privé-uitgaven heeft een persoon geld nodig. De enige bronnen voor de
geldmiddelen zijn:
- Beginvermogen
- Inkomen IB
- Ontvangsten buiten de inkomenssfeer
- Waardestijgingen en waardedalingen
1.2.1 Het beginvermogen
Bezittingen minus de schulden zijn het privévermogen, hierbij blijven zaken van geringe
waarde buiten beschouwing. Dit is dan het startpunt van de privé-beoordeling.
Ieder privébezit kan een bron van privé-uitgaven zijn, bij de verkoop van een bezit krijg je
geld waarmee je andere uitgaven (boodschappen o.i.d) kunt doen.
De privépersoon die eigenaar is van een onderneming of aandelen heeft kan dit ook
verkopen, daarmee kan hij in levensonderhoud voorzien. Vaak is de onderneming echter
een bron van inkomsten doordat er winst uit de onderneming wordt gehaald en wordt
uitgekeerd.
Het privévermogen kan worden vastgesteld door verstrekte informatie door de cliënt,
waaronder de IB-aangifte. Hierbij neem je alleen bezittingen van betekenis mee
(materialiteitsbeginsel)
Het vermogen blijkt in de IB vooral uit de rendementsgrondslag box 3 (art. 5.3 lid 1 IB).
Waarvoor de waarderingsgrondslag uit art. 5.19 IB blijkt, wat neer komt op w.e.v.. Ook in box
1 en 2 komen bezittingen en schulden naar boven (zoals eigen woning of
aanmerkelijkbelangaandelen).
1.2.2 Het inkomen
Niet uitgegeven inkomen leidt tot vermogenstoename. Dit kan je sparen, in effecten
investeren of contant bewaren. Dit gebeurt zowel in de ondernemings- als in de privésfeer.
Inkomen is dus een vermeerdering van privévermogen waarmee je privé-uitgaven kunt doen.
Het belastbare inkomen wordt in de IB opgesplitst in box 1, 2 en 3. Dit bedrag kun je niet
rechtstreeks gebruiken voor de privébeoordeling, omdat sommige vormen van inkomen
zoals bijtelling privégebruik geen daadwerkelijk inkomen zijn. Je kijkt dus alleen naar het
geldinkomen, verteerbaar inkomen.
Voor ondernemers kijk je voor het belastbare inkomen naar de belastbare winst (art. 3.2 IB).
De wetgever heeft de koppeling tussen vermogen en winst niet rechtstreeks gemaakt, maar
het houdt wel verband. De winst die niet uitgegeven/onttrokken wordt leidt tot
vermogensgroei voor het ondernemingsvermogen.
,Vermogen en inkomen zijn dus de belangrijkste bronnen voor geld dat gebruikt kan worden
voor consumptieve uitgaven in de privésfeer.
1.2.3 Ontvangsten en uitgaven buiten de inkomenssfeer
Schenkingen in contant kunnen het privévermogen ook vergroten, alsmede die uit een
erfenis. Dit wordt niet meegenomen in de IB, daarom gaan ze buiten de inkomenssfeer om.
Toch kun je dit geld gebruiken voor consumptieve uitgaven.
Schenkingen zijn overigens ook uitgaven die niet bedoeld zijn voor eigen consumptie, deze
doen wel je vermogen krimpen, zonder dat het privé-uitgaven zijn. Dit is een negatieve eigen
consumptie bij de vermogensvergelijking.
1.2.4 Waardestijgingen en waardedalingen van privévermogenscomponenten
Het beginvermogen is een bron van geldmiddelen, maar een vermogenscomponent kan in
waarde dalen of stijgen. Waardoor je vermogen en dus je mogelijkheid tot het doen van
privé-uitgaven variëren gedurende het jaar t.o.v. het beginvermogen.
Een waardedaling moet je dus van het beginvermogen afhalen.
De hiervoor genoemde bronnen van inkomen zijn de enige bronnen van inkomen voor privé-
uitgaven. Dit bedrag samen is het maximum uit te geven bedrag, dit noem je het
theoretische eindvermogen.
In theorie kun je dat bedrag aan het eind van het jaar nog hebben, in praktijk niet, want
uitgaven voor levensonderhoud zijn noodzakelijk.
Het vergelijken van het theoretische eindvermogen met het werkelijke eindvermogen laat
zien hoeveel vermogen is verdwenen door privébestedingen.
1.3 Doel van privé-beoordeling
De privé-beoordeling wordt gemaakt om de omvang van privébestedingen te analyseren en
berekenen, de uitkomst te interpreteren en inzicht te geven in de samenstelling van
vermogen.
1.4 Structuur privé-beoordeling
1.5 Cijfermatig voorbeeld
, 1.6 Waardeverschillen in beginvermogen en eindvermogen
De kern van de vermogensvergelijking bestaat uit het vergelijken van het theoretische
eindvermogen en het werkelijke eindvermogen. Daarbij zijn vermogensbestanddelen die
dezelfde waarde houden minder relevant dan vermogensbestanddelen die een
waardeverandering meemaken.
Waardeveranderingen leiden namelijk tot het vergroten/verkleinen van de mogelijkheid om
privé-uitgaven te doen.
Iets kan pas als vermogensbestanddeel worden meegenomen als hij een meer dan geringe
waarde heeft en een levensduur die langere tijd meegaat dan enkele dagen. De vraag is dus
niet of je in een jaar iets hebt gekocht, maar of je van het gekochte iets hebt overgehouden.
Dan pas is er sprake van vermogen.
Een woning moet je niet opnemen als consumptieve post, maar wel als vermogen. Het laat
namelijk de samenstelling van het vermogen zien (bijvoorbeeld hypotheek). Ditzelfde geldt
voor gebruiksgoederen (auto’s).