Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 31 pagina's
Samenvatting

Samenvatting Oefenvragen Ouderenpsychologie | 73 Multiple choice EN openvragen | Tilburg University | 2025/26

Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 31 pagina's

Oefenvragen met uitwerkingen van Ouderenpsychologie (500864M6) aan Tilburg University. De vragen behandelen kernconcepten zoals ouder worden, levensloopmodellen . 73 vragen. Uitstekend voor examenvoorbereiding: alle meerkeuzevragen en open vragen hebben uitgebreide toelichtingen die de juiste antwoorden en theoretische achtergronden verduidelijken.

Voorbeeld van de inhoud

Oefenvragen Ouderenpsychologie

HOORCOLLEGE 1 – Ouder worden, ouderenzorg en
sociale netwerk
Meerkeuzevragen
1. Het uitgangspunt "de oudere bestaat niet" is een belangrijk fundament binnen de
ouderenpsychologie. Welke van de onderstaande factoren draagt volgens de
literatuur bij aan de subjectiviteit van leeftijd en de grote variatie onder ouderen?

A) Het biologische feit dat het verouderingsproces vanaf het 65e levensjaar voor elk individu
lineair en voorspelbaar verloopt.

B) Cohortverschillen, waardoor omstandigheden van opgroeien zorgen voor verschillende
verwachtingen en copingstijlen ten aanzien van ouderdom.

C) Het gegeven dat sociaal-economische status (SES) en genderidentiteit pas na de vierde
levensfase een rol gaan spelen in de levensloop.

Antwoord: B Toelichting: Cohortverschillen zorgen ervoor dat generaties
opgroeien onder unieke historische en maatschappelijke omstandigheden, wat
leidt tot een grote interindividuele variatie in coping en verwachtingen op latere
leeftijd. Veroudering verloopt biologisch gezien juist niet lineair of voorspelbaar
(A), en SES en gender spelen gedurende de gehele levensloop een cruciale rol
(C).

2. Een GZ-psycholoog bezoekt meneer Van Balen (78) in het verzorgingshuis. Meneer
is fysiek beperkt geraakt na een beroerte, maar hij geeft aan dat hij zich ondanks deze
uitdagingen veerkrachtig voelt en manieren vindt om betekenisvolle doelen te
realiseren. Welk concept sluit hier het beste bij aan?

A) Het deficit model van veroudering.

B) De disengagement theorie.

C) Positieve gezondheid.

Antwoord: C Toelichting: Positieve gezondheid legt de nadruk op het vermogen
van mensen om zich aan te passen en de eigen regie te voeren in het licht van
fysieke, emotionele en sociale uitdagingen (veerkracht), in plaats van louter te
focussen op de aanwezigheid of afwezigheid van ziekte.

3. De definitie van leeftijdsdiscriminatie (ageism) is de afgelopen jaren herzien om
recht te doen aan de complexiteit van het concept. Welke van de onderstaande
stellingen is een correct kenmerk van deze nieuwe definitie?

A) Leeftijdsdiscriminatie omvat uitsluitend negatieve, bewuste (expliciete) stereotypen en
gedragingen op micro-niveau.

B) Leeftijdsdiscriminatie kan zowel negatief als positief zijn (zoals sageïsme) en uit zich op
micro-, meso- en macro-niveau.

,C) Leeftijdsdiscriminatie is, net als racisme en seksisme, een proces waarbij men nooit zelf
zal ervaren hoe het is om tot de gediscrimineerde groep te behoren.

Antwoord: B Toelichting: Moderne definities van ageism erkennen dat
stereotypen zowel negatief als positief kunnen zijn (zoals de 'wijze, milde
oudere', ook wel sageïsme genoemd) en dat het zich systemisch (macro),
institutioneel (meso) en interpersoonlijk (micro) manifesteert. In tegenstelling tot
racisme/seksisme is het een groep waar men (als men lang genoeg leeft)
uiteindelijk zelf wél deel van gaat uitmaken (C).

4. In de demografie worden verschillende begrippen gebruikt om de veranderende
leeftijdsopbouw te beschrijven. Wat is de juiste omschrijving van het begrip 'Oldest
Old Support Ratio'?

A) De verhouding tussen de totale 65-plus bevolking en de actieve beroepsbevolking die de
zorgpremies opbrengt.

B) Het percentage werknemers binnen de Nederlandse arbeidsmarkt dat daadwerkelijk een
baan in de ouderenzorg heeft.

C) De verhouding die aangeeft hoeveel mensen (bijvoorbeeld tussen 50-75 jaar) potentieel
beschikbaar zijn om mantelzorg te verlenen aan één hoogbejaarde (85+).

Antwoord: C Toelichting: De Oldest Old Support Ratio meet specifiek de
omvang van de potentiële 'mantelzorgvijver' (vaak de generatie kinderen of
jonge senioren tussen de 50 en 75 jaar) afgezet tegen het aantal hoogbejaarden
(85-plussers) die een zeer hoge kans hebben op een intensieve zorgvraag.

5. Het programma Wozo (Wonen, ondersteuning en zorg voor ouderen) hanteert een
duizendpoot-drieslag als nieuwe norm voor ondersteuning en zorg. Wat is de juiste
volgorde en essentie van deze drieslag?

A) Intramuraal als het moet, analoog als het kan, overnemen door professionals als de
familie overbelast raakt.

B) Zelf als het kan (preventie/regie), thuis als het kan (netwerk/omgeving), digitaal als het
kan (innovatie/technologie).

C) Collectief op macro-niveau, reablement op meso-niveau, en advanced care planning
uitsluitend op micro-niveau.

Antwoord: B Toelichting: Het overheidsprogramma WOZO heeft als expliciete
visie om de ouderenzorg toekomstbestendig te houden via de drieslag: "Zelf als
het kan, thuis als het kan, digitaal als het kan".

6. Een psycholoog in een wijkteam probeert het verschil te duiden tussen sociale
isolatie en eenzaamheid bij een cliënt. Welke stelling over dit onderscheid is juist?

A) Sociale isolatie is een objectieve maatstaf die gaat over de omvang van het netwerk;
eenzaamheid is een subjectieve, onplezierige discrepantie tussen gerealiseerde en
gewenste relaties.

B) Sociale isolatie is altijd het gevolg van emotionele eenzaamheid, terwijl sociale
eenzaamheid uitsluitend optreedt bij een objectief gebrek aan mantelzorgers.

,C) Eenzaamheid is objectief vast te stellen via netwerkkenmerken zoals nabijheid; sociale
isolatie is puur de subjectieve beleving van de oudere.

Antwoord: A Toelichting: Sociale isolatie betreft de kwantitatieve, objectief
meetbare situatie (weinig contacten hebben). Eenzaamheid is de kwalitatieve,
subjectieve pijnlijke ervaring van een tekort aan diepgang of het type relaties dat
men wenst.

Open vraag
7. Mevrouw Verhoeven (76) zorgt gemiddeld 30 uur per week voor haar echtgenoot die
lijdt aan de ziekte van Parkinson. Ze regelt de financiën, de medicatie en helpt hem bij
de dagelijkse verzorging. Ze vindt dit vanzelfsprekend vanwege hun huwelijk, maar ze
begint ernstige slaoptimale problemen en fysieke vermoeidheid te ontwikkelen.

a. Leg uit waarom de situatie van mevrouw Verhoeven valt onder 'mantelzorg' en geef
aan hoe dit verschilt van vrijwilligerswerk.

Uitwerking: Er is sprake van mantelzorg omdat de zorg voortvloeit uit een
reeds bestaande sociale, persoonlijke relatie (haar huwelijk met haar
echtgenoot). Het verschilt van vrijwilligerswerk omdat vrijwilligerswerk bewust en
vrijwillig wordt gekozen (vaak via een organisatie voor een vreemde) en op elk
moment stopgezet kan worden. Mantelzorg overkomt je door de ziekte van een
naaste; er is een morele en emotionele verplichting waardoor stoppen niet
zomaar een optie is.

b. Noem de drie fasen van het mantelzorgproces (de mantelzorgcarrière) en geef aan
in welke fase mevrouw Verhoeven zich bevindt.

Uitwerking: De drie fasen van de mantelzorgcarrière zijn:

1.​ De roladaptatie (langzaam taken overnemen).
2.​ De roluitvoering(langdurige, intensieve zorg waarbij overbelasting
dreigt).
3.​ De overdrachts- of nazorgfase (opname in een instelling of overlijden).
Mevrouw Verhoeven bevindt zich in de intensiveringsfase gezien het
hoge aantal uren (30 uur) en de optredende fysieke en mentale
overbelastingsklachten.

c. Noem de drie algemene kenmerken van interventies die gericht zijn op het
voorkomen van overbelasting van mantelzorgers.

Uitwerking: Effectieve ondersteuningsinterventies voor mantelzorgers bevatten
over het algemeen de volgende drie kenmerken:

1.​ Psycho-educatie: Informatie en inzicht geven over het ziektebeeld van
de patiënt (zodat gedrag beter begrepen wordt).
2.​ Vaardigheidstraining & Coping: De mantelzorger leren grenzen aan te
geven, problemen op te lossen en eigen regie te behouden.
3.​ Emotionele steun & Ontlasting: Ruimte bieden voor emotionele
verwerking (lotgenotencontact) gecombineerd met praktische ontlasting
(zoals respijtzorg).


HOORCOLLEGE 2 – Beeldvorming

, Meerkeuzevragen
8. Binnen de ouderenzorg en de psychologie hebben verschillende modellen de visie
op ouder worden gevormd. Welk model beschouwt veroudering primair als een
oncontroleerbaar aftakelingsproces op lichamelijk, psychologisch en sociaal gebied,
waarbij klachten vaak te snel onder 'normale ouderdom' worden geschaard?

A) Het deficit model.

B) Het rust-roest model.

C) Het competentiemodel.

Antwoord: A Toelichting: Het deficit model (tekortmodel) focust eenzijdig op
onomkeerbaar verval, verlies en achteruitgang. Het gevaar hiervan is medisch
nihilisme: behandelbare klachten worden afgedaan als "het hoort nu eenmaal bij
de leeftijd".

9. Rond 1960 dacht men op een specifieke manier over 'goed' ouder worden. Welke
theorie stelde dat het voor een oudere het beste is om zich langzaam terug te trekken
uit de samenleving en het leven, als natuurlijke reactie op verminderde vitaliteit en het
naderende levenseinde?

A) De activity theorie.

B) De socio-emotional selectivity theory.

C) De disengagement theorie.

Antwoord: C Toelichting: De disengagement theorie (1961) stelde dat het
maatschappelijk en individueel functioneel en wenselijk was als ouderen zich
geleidelijk terugtrokken uit hun sociale rollen, om zo plaats te maken voor
jongere generaties en zich voor te bereiden op de dood. Dit model is inmiddels
sterk achterhaald.

10. Volgens neuropsycholoog Erik Scherder en moderne inzichten kan er een
negatieve spiraal ontstaan bij ouderen. Hoe wordt deze negatieve spiraal het beste
omschreven?

A) Ouderen trekken zich terug omdat de overheid te weinig budget vrijmaakt voor de Derde
Levensfase, waardoor cognitieve achteruitgang biologisch wordt getriggerd.

B) Men doet steeds minder omdat men steeds minder kan, en men kan steeds minder
omdat men steeds minder doet.

C) Het internaliseren van positieve stereotypen (sageïsme) leidt tot overmatige cognitieve
inspanning, wat het brein overbelast.

Antwoord: B Toelichting: Dit beschrijft de inactiviteitsspiraal (het 'rust-roest'
principe). Door fysieke of cognitieve inactiviteit treedt er atrofie en
deconditionering op, waardoor het vermogen om dingen te doen nóg verder
afneemt, wat weer leidt tot verdere passiviteit.

Documentinformatie

Geüpload op
3 juni 2026
Aantal pagina's
31
Geschreven in
2025/2026
Type
Samenvatting
€6,49

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Verkocht
2
Volgers
0
Items
1
Laatst verkocht
1 maand geleden

Echte notities, van echte studenten
Elk document op Stuvia is geschreven door een medestudent die hetzelfde vak deed. Zo leer je van iemand die het al heeft gehaald.


Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen