1.1 De bredere context van dit boek: seksuologische denkkaders
In grote lijnen wordt er in de seksuologie gebruik gemaakt van drie belangrijke denkkaders:
1. Essentialisme: stelt dat menselijk seksueel gedrag evolutionair bepaald wordt en over het
algemeen stabiel is en niet afhankelijk is van sociale verandering. Er is veel aandacht voor de
evolutionaire basis van seksueel gedrag en vooral biologische factoren zijn belangrijk. In de
seksuologie van tegenwoordig is de evolutionaire psychologie een stroming die werkt vanuit
het essentialisme.
2. Sociaal-constructionisme: gaat er van uit dat seksueel gedrag vooral wordt beïnvloeddoor
sociale, culturele, historische en/of economische factoren. Deze factoren bepalen wat als
normaal seksueel gedrag wordt gezien. Veel feministen hangen dit denkkader aan.
3. Biopsychosociale zienswijze: gebruikt biologische, psychologische en sociale factoren in hun
visie.
- Incentive theory of motivation Deze theorie ziet seksualiteit als het resultaat van
interacties tussen deze drie factoren.
Ongetwijfeld gebruiken nagenoeg alle seksuologen in hun benadering van seksualiteit een
biopsychosociaal perspectief eenzijdige essentialistische of sociaal-constructionistische visies zijn
tegenwoordig veel minder populair.
1.2 Achtergronden, inhouden en doelen van dit boek
1.2.1 Achtergronden
1987 – Seksuologie voor de arts: dit leerboek was bedoeld voor artsen. Het doel was artsen te leren
seksuele problemen te herkennen, een seksuele anamnese af te nemen, eerste hulp te bieden en zo
nodig gericht door te wijzen.
1998 - Leerboek seksuologie: de doelgroep werd verbreed naar alle professionals in de
gezondheidszorg die met seksuele problematiek te maken krijgen. Het boek had twee doelen.
1. Vanuit een multidisciplinaire benadering kennis bieden over seksuologische hulpverlening
2. Bewustwording creëren van de eigen culturele normen en inzicht geven in seksualiteit binnen
andere culturen.
2004 - seksuologie: dit boek volgde het eerdere leerboek op en richtte zich op:
Verbreding: samenwerking met professionals uit somatische zorg, GGZ en
gezondheidsvoorlichting. Er kwam meer aandacht voor preventie en seksuele gezondheid.
Actualisering: nieuwe theorieën, behandelingen en onderzoeksresultaten werden verwerkt.
Vanaf de jaren tachtig nam biomedisch seksuologisch onderzoek sterk toe. Hierdoor groeide kennis
over:
Neurobiologie van seksualiteit
Endocrinologie
Seksedifferentiatie
Hersenprocessen (via fMRI en PET)
Erectiemedicatie (Viagra hierdoor verschoof de behandeling van mannelijke seksuele
problemen deels van psychologische therapie naar medicatie)
Testosteron en vrouwelijk verlangen
Deze biologische focus stimuleerde ook de evolutionaire psychologie deze stroming gaat ervan uit
dat menselijk gedrag beïnvloed wordt door evolutie. Veel onderzoek richt zich op sekseverschillen n
universele patronen tussen culturen. Vaak wordt geconcludeerd dat mannen en vrouwen
fundamenteel verschillen.
1
,Van 1987 tot en met 2009
Kern ontwikkelen:
1. Verbreding van het vak
Van artsen → naar multidisciplinair veld (somatisch, GGZ, preventie)
Focus verschuift van alleen behandeling → ook seksuele gezondheid en preventie
2. Biologisering & biomedische doorbraak
Sterke groei in onderzoek naar:
- hersenen (neurobiologie), hormonen (endocrinologie) en genetica
Nieuwe technieken (fMRI, PET) → meer inzicht in seksueel functioneren
3. Medicalisering
Opkomst van medicamenteuze behandeling (Viagra)
Gevolg:
- verschuiving van psychologische → farmacologische interventies (vooral bij mannen)
- minder succes bij vrouwen → discussie over bestaande modellen
4. Nieuwe theoretische modellen
Evolutionaire psychologie: gedrag = biologisch/evolutionair gestuurd (focus op
genderverschillen)
Cognitief-neurobiologisch: seksualiteit = informatieverwerkingssysteem (activatie/inhibitie)
5. Genderdebat
Oude visie: man = standaard
Nieuwe visie: fundamentele verschillen → aparte modellen nodig
6. Crossculturele inzichten
Door globalisering: meer aandacht voor culturele verschillen in seksualiteit
Westerse normen en hulpverlening niet universeel toepasbaar
7. Media & internet
Zorgt voor een toename van: Pornografie en seksuele content
Gevolgen meer liberalisering
zorgen over:
- grensoverschrijdend gedrag
- seksualisering van jongeren
- negatieve beeldvorming van vrouwen
8. Seksualiteit & gezondheid
Seksueel functioneren = indicator van gezondheid
bv. link met hartziekten, diabetes
Meer aandacht voor:
- seksualiteit bij ziekte
- kwaliteit van leven
Van 2009 naar 2018: enkele trends
1. Verdere biologisering & medicalisering
Toenemende focus op biologie en fysiologie (o.a. hormoonverstoorders)
2
, Meer ontwikkeling van biomedische behandelingen
Risico’s:
- Medisch reductionisme (seksualiteit alleen biologisch verklaren)
- Onvoldoende bewijs voor effectiviteit (bv. debat rond flibanserin)
- Onderschatting van niet-medische disciplines
2. Debat over normaliteit (DSM-5 / ICD-11)
Toenemende focus op criteria:
- toestemming (consent)
- lijdensdruk (distress)
Blijvende discussie over wat “normaal” of “gezond” is
Volgens World Health Organization:
- seksuele gezondheid = meer dan afwezigheid van problemen
- nadruk op welzijn, rechten en positieve beleving
3. Seksuele rechten centraal
Seksualiteit gekoppeld aan mensenrechten
Belang van:
- autonomie
- veiligheid
- non-discriminatie
- toegang tot informatie en zorg
4. Verandering in relatievormen
Klassiek monogaam huwelijk onder druk
Opkomst van:
- Seriële monogamie
- Consensuele non-monogamie
• Gevolgen voor hulpverlening en normkaders
5. Genderdiversiteit & non-binariteit
Toenemende erkenning van gender als continuüm
Kritiek op binaire man-vrouw indeling
Tegelijk:
- blijvend debat over genderverschillen
- grote variatie binnen genders
6. Meer aandacht voor culturele diversiteit
Door migratie: meer zicht op culturele variatie in seksualiteit
Westerse normen minder vanzelfsprekend
7. Groei van internet & technologie
Enorme toename in: pornografie, online dating, digitale seksuele interactie
Meer aandacht voor ook positieve effecten van porno
Naast deze zeven trends signaleren we ook vier belangrijke knelpunten voor de seksuologie:
Knelpunt 1:
Betreft de kwaliteit van het seksuologisch onderzoek. In algemene zin is het erg moeilijk en lijkt het
nog steeds moeilijker te worden om seksuologisch onderzoek te financieren. Dit geldt in het bijzonder
voor onderzoek naar de positieve aspecten en gevolgen van seksualiteit. Door dit gebrek aan
onderzoek zijn er weinig of geen empirische data om seksuologische theorievorming te ontwikkelen
en/of deze te toetsen en zijn de prevalentie en/of incidentie van verschillende seksuele fenomenen
moeilijk in te schatten.
Knelpunt 2:
De fundering van veel seksuologische interventies blijft zwak, wat impliceert dat hun effectiviteit in
feite grotendeels onbekend is. een risico hiervan is dat vele van de gangbare seksuologische
interventies mogelijk niet effectief zijn.
3
, Knelpunt 3:
De groeiende bezorgdheid over de seksuologische opleiding en hoe deze het best vorm kan krijgen.
Kan dat het best via aparte beroepsopleidingen of een academische masteropleiding of moeten deze
opleidingen wellicht worden ingebed in disciplines als geneeskunde, psychologie en pedagogische
wetenschappen?
Knelpunt 4:
Hoe de organisatie en de kwaliteit van de seksuologische hulpverlening in de gezondheidszorg is
gevormd:
- Hoe goed is de seksuologische hulpverlening in de gezondheidszorg georganiseerd en
ingebed?
- Wat is de kwaliteit van de seksuologische gezondheidszorg?
Het is opmerkelijk hoe weinig onderzoek hiernaar wordt gedaan, temeer omdat er aanwijzingen zijn
dat seksuele problemen in de gezondheidszorg nogal eens worden verwaarloosd.
2. Geschiedenis van de seksuologie: paradigma’s, thema’s en debatten
2.1 Het ontstaan van de seksuologie
Rond 1906 is de seksuologie ontstaan. Iwan Bloch, een Berlijnse dermatoloog publiceerde toen Das
Sexualleben unseren Zeit. Hierin werkte hij seksuologie als een wetenschap uit. Volgens hem zouden
inzichten uit de natuur- en cultuurwetenschappenmoeten worden gecombineerd.
In de eerste decennia van de twintigste eeuw groeide seksuologie snel: de omvang, kwaliteit en
maatschappelijk invloed werd groter. In 1908 verscheen het eerste seksuologische wetenschappelijke
tijdschrift: Het Zeitschrift für Sexualwissenschaft. Na één jaar hield het op te bestaan vanwege
financiële tekortkomingen.
In 1913 werden er twee seksuologische verenigingen opgezet. Eén daarvan was voor seksuologische
medici en de ander was een internationale vereniging. Ook dit hield op te bestaan vanwege financiële
redenen. Ook werd er steeds negatiever gekeken tegen de seksuologie. In 1919 kwam het eerste
instituut voor wetenschappelijk onderzoek van seksualiteit: het Institut für Sexualwissenschaft. Er
waren drie doelen: wetenschappelijk onderzoek verrichten, hulpverlenen en preventieprogramma’s
opzetten.
In 1926 werd het eerste International Congress for Sex Research opgezet. In 1928stichtten Hirschfelds
en Leunbach de Weltliga für Sexualreform. Zij wilden hiermee een wereldwijde beweging voor
seksuele hervorming op gang brengen. Dit lukte echter niet. Vier jaar later viel de liga uiteen omdat
zij het niet eens konden worden over wat voorbeleid ze wilden volgen.
In 1933 werd het instituut van Hirschfelds verwoest. Zo kwam er een einde aan de groei van de
nieuwe wetenschap Seksuologie.
2.2 Na de Tweede Wereldoorlog: de periode 1945–1974
Na de Tweede Wereldoorlog namen Amerikaanse wetenschappers de leiding in de seksuologie. Het
domein breidde zich uit naar:
Biologie: richt zich op de anatomie en fysiologie van seksualiteit en de evolutionaire
achtergrond van seksualiteit en vergelijkingen tussen soorten.
4