Hoofdstuk 13: Het cardiovasculaire stelsel: bloedvaten en bloedsomloop
Paragraaf 1: arteriën, arteriolen, capillairen, venulen en venen
Bloed verlaat het hart via de a. pulmonalis (longslagader) en de aorta, die elk een diameter hebben
van circa 2,5 cm.
Deze bloedvaten vertakken zich herhaaldelijk en vormen de belangrijkste arteriën (slagaders) doe
bloed naar de organen van het lichaam vervoeren.
Binnen deze organen vertakken de arteriën zich verder, tot enkele honderden miljoenen arteriolen
(kleine slagaders).
De arteriolen voeren bloed aan naar meer dan 10 miljard capillairen (haarvaten), Deze capillairen,
die nauwelijks de diameter van een rode bloedcel hebben, vormen uitgebreide, vertakte netwerken.
Als alle capillairen in het lichaam van een volwassenen achter elkaar zouden worden gelegd, zouden
ze de aarde kunnen omspannen in een ononderbroken kring met een lengte van ongeveer 37.500
kilometer.
De belangrijkste functies van het cardiovasculaire stelsel vinden plaats op het niveau van de
capillairen:
• De uitwisseling van stoffen en gassen tussen het bloed en de interstitiële vloeistof via de
capillairwanden.
Weefselcellen zin afhankelijk van diffusie door de capillairen voor het verkrijgen van voedingstoffen
en zuurstof en voor het verwijderen van afvalproducten van de stofwisseling, zoals kooldioxide en
ureum.
Bloed dat uit een capillairennetwerk stroom, komt eerst in de venulen, de kleinste bloedvaten van
het veneuze systeem.
Vervolgens verenigen deze dunne bloedvaten zich tot kleine venen (aders). Daarna stroomt het
bloed door middelgrote en grote venen voordat het in de vv. cavae terechtkomt (in de grote
bloedsomloop) of in de vv. pulmonales (in de kleine bloedsomloop)
, De structuur van bloedvatwanden
De wanden van arteriën en venen bestaan uit drie duidelijk onderscheiden lagen.
1. De tunica intima (tunica interna)
• De binnenste laag van een bloedvat.
• De laag bestaat uit het endotheel van de bloedvatwand en een onderliggende laag
van bindweefsel waarin vooral elastische vezels aanwezig zijn.
2. De tunica media
• De middelste laag van een bloedvat.
• Deze laag bevat glas spierweefsel in een raamwerk van collagene en elastische
vezels.
• Als deze gladde spieren samentrekken, neemt de diameter van het bloedvat af. Als
ze ontspannen neemt de diameter van het bloedvat toe.
• Staat onder invloed van het sympathisch deel van het zenuwstelsel.
3. De tunica externa
• De buitenste laag van het bloedvat.
• Het vormt een koker van bindweefsel rond het bloedvat.
• Soms zijn de collagene vezels met die van aangrenzende weefsels vervlochten,
waardoor het bloedvat wordt gestabiliseerd en verstevigd.
Arteriën en venen liggen vaan naast elkaar. Op een dergelijke doorsnede is duidelijk te zien dat
arteriën een dikkere wand hebben, een karakteristieke eigenschap van deze bloedvaten.
De dikkere tunica media van een arterie bevat meer elastische vezels en glad spieweefsel dan die van
een vene.
Dankzij de elastische onderdelen kunnen arteriewanden de druk van het hart beter weerstaan
wanneer het bloed in het arterienetwerk wordt geperst. Door het gladde spierweefsel kan de
diameter van een bloedvat actief worden gereguleerd.