College stof samengevoegd – Inleiding Onderwijswetenschappen
College 1
Wat is onderwijs? > Onderwijs is geïnstitutionaliseerde en geprofessionaliseerde socialisatie
- Geïnstitutionaliseerd: in instellingen, gebonden aan wetten en (ongeschreven) regels
- Geprofessionaliseerd: (gegeven) door daartoe opgeleide mensen
- Socialisatie: inleiding: in de cultuur, voorbereiding op te vervullen rol
Voorbeelden van problemen:
- Leerlingen met opvoedings-en leerproblemen
- Leerlingen met fysieke en/of verstandelijke beperkingen
- Thuiszitters
- Het geringe onderwijssucces van; Friezen, allochtonen, leerlingen uit de lagere
sociaaleconomische milieus
- Ondermaats functionerende leerkrachten
- Falende scholen
Onderwijskunde =
- ‘Wetenschappelijke kennis en studie van het onderwijs’ (Van Dale)
- ‘Onderwijskunde wordt beschouwd als een wetenschap die leren, opleiden en ontwikkelen
in onderwijs en bedrijfsleven wil beschrijven, begrijpen en verklaren (maar ook verbeteren).’
(Wikipedia)
- ‘Wetenschapsgebied dat zich op leren en instructie richt (Valcke) > binnen een grote variatie
aan formele en informele contexten (brede definitie)
Leren en instructie:
- Formeel vs informeel
- Verschillende doelgroepen (bv studenten/ artsen/ kinderen in museum/ bedrijfsleven)
Onderwijskundig referentiekader > gebaseerd op Hattie (2009):
Meta-analyses uitgevoerd in het onderwijs, verschillende aanpakken, wat werkt in het onderwijs? >
Voor allerlei verschillende aanpakken > uitkomstmaat: leerprestaties van leerlingen > effectgrootte
‘d’ > d=.40 is benchmark
>Hoeveel leren leerlingen van verschillende aanpakken?
Te onderscheiden niveaus (van hoog naar laag):
- Macro-niveau: niveau van de samenleving en landelijk beleid
- Meso-niveau: niveau van de school (organisaties)
- Micro-niveau: niveau van de klas (leraren en leerlingen in de klas)
- Nano-niveau: één individu(ele leerkracht/leerling)
,Micro-meso-macro niveau van het onderwijs; referentiekader (hoe hoger je komt hoe meer
geïnstitutionaliseerd). Op elk niveau verschillende actoren, organisatie, begeleiding (lerende of
instructieverantwoordelijken), sprake van bepaalde context
Actoren= personen die op een niveau een rol spelen (laag; bv leraren, leerlingen en hoog bv de
onderwijsraad)
Microniveau: concrete leeractiviteit >
Vragen op dit niveau, bv:
- Hoe leert een leerling?
- Wat is de invloed van leerkracht-leerling interacties?
- Werkt het anti-pest programma in deze klas?
,Mesoniveau: instellingen (bv school) >
Vragen op dit niveau, bv:
- Wat is een goede school?
- Hoe kun je leerkrachten beoordelen
- Hoe kunnen leerkrachten van elkaar leren?
Macroniveau: niveau van de samenleving/maatschappij >
Vragen op dit niveau bv:
- Hoe monitort de overheid de onderwijskwaliteit
- Hoe moet het onderwijs leerlingen voorbereiden op de maatschappij
- Wat is de rol en invloed van de overheid
, Onderwijs op macroniveau:
Het niveau van de samenleving
Basis/voortgezet-onderwijs = funderend onderwijs
EQF-niveau: raamwerk om onderwijs in Europa met elkaar te vergelijken
Functies van het onderwijs (= wat het onderwijs per definitie doet, niet de doelen!):
- Kwalificatie > sluit aan/bereid voor op de arbeidsmarkt; aansluiting onderwijs en
arbeidsmarkt:
Zegt iets over relatie onderwijs – arbeidsmarkt
Arbeidsmarktontwikkelingen van groot belang voor inrichting en invulling onderwijs.
Trend: competenties en zelfregulerend vermogen (tegenwoordig andere vaardigheden meer
van belang, zoals samenwerking, probleemoplossend vermogen, etc.)
o Beroepsonderwijs: aan vele veranderingen onderhevig > decentralisatie en
autonomie van MBO’s (minder centraal bepaald wat MBO’s moeten aanbieden) >
grotere betrokkenheid bedrijfsleven (sociale partners) > beroepsprofielen;
beschreven competenties (aan moeten voldoen), set kwalificaties eindtermen (door
overheid)
- Socialisatie > leidt in in een cultuur; inleiding in cultuur > ‘Het inleiden in tradities, culturen
en praktijken + de algemeen aanvaarde waarden en normen
o Omgangsvormen (hoe ga je met elkaar om)
o Opvoedende taak
o Denominatie (bepaalde levensbeschouwelijke/geloofsovertuiging, bv. gereformeerde
school: leerlingen kennis hiervan laten nemen/ waarden en normen)
o Burgerschapsvorming (bv. leren over democratische waarden)
o Omgang met culturele diversiteit
- Persoonsvorming > individualisering van de leerling; ontwikkeling als persoon: ontwikkeling
van identiteit en uniciteit leerling.
- Differentiatie (hangt nauw samen met de kwalificatie functie > doordat er gekwalificeerd
wordt, worden er worden er ook verschillen gemaakt in leerlingen); omgaan met verschillen>
College 1
Wat is onderwijs? > Onderwijs is geïnstitutionaliseerde en geprofessionaliseerde socialisatie
- Geïnstitutionaliseerd: in instellingen, gebonden aan wetten en (ongeschreven) regels
- Geprofessionaliseerd: (gegeven) door daartoe opgeleide mensen
- Socialisatie: inleiding: in de cultuur, voorbereiding op te vervullen rol
Voorbeelden van problemen:
- Leerlingen met opvoedings-en leerproblemen
- Leerlingen met fysieke en/of verstandelijke beperkingen
- Thuiszitters
- Het geringe onderwijssucces van; Friezen, allochtonen, leerlingen uit de lagere
sociaaleconomische milieus
- Ondermaats functionerende leerkrachten
- Falende scholen
Onderwijskunde =
- ‘Wetenschappelijke kennis en studie van het onderwijs’ (Van Dale)
- ‘Onderwijskunde wordt beschouwd als een wetenschap die leren, opleiden en ontwikkelen
in onderwijs en bedrijfsleven wil beschrijven, begrijpen en verklaren (maar ook verbeteren).’
(Wikipedia)
- ‘Wetenschapsgebied dat zich op leren en instructie richt (Valcke) > binnen een grote variatie
aan formele en informele contexten (brede definitie)
Leren en instructie:
- Formeel vs informeel
- Verschillende doelgroepen (bv studenten/ artsen/ kinderen in museum/ bedrijfsleven)
Onderwijskundig referentiekader > gebaseerd op Hattie (2009):
Meta-analyses uitgevoerd in het onderwijs, verschillende aanpakken, wat werkt in het onderwijs? >
Voor allerlei verschillende aanpakken > uitkomstmaat: leerprestaties van leerlingen > effectgrootte
‘d’ > d=.40 is benchmark
>Hoeveel leren leerlingen van verschillende aanpakken?
Te onderscheiden niveaus (van hoog naar laag):
- Macro-niveau: niveau van de samenleving en landelijk beleid
- Meso-niveau: niveau van de school (organisaties)
- Micro-niveau: niveau van de klas (leraren en leerlingen in de klas)
- Nano-niveau: één individu(ele leerkracht/leerling)
,Micro-meso-macro niveau van het onderwijs; referentiekader (hoe hoger je komt hoe meer
geïnstitutionaliseerd). Op elk niveau verschillende actoren, organisatie, begeleiding (lerende of
instructieverantwoordelijken), sprake van bepaalde context
Actoren= personen die op een niveau een rol spelen (laag; bv leraren, leerlingen en hoog bv de
onderwijsraad)
Microniveau: concrete leeractiviteit >
Vragen op dit niveau, bv:
- Hoe leert een leerling?
- Wat is de invloed van leerkracht-leerling interacties?
- Werkt het anti-pest programma in deze klas?
,Mesoniveau: instellingen (bv school) >
Vragen op dit niveau, bv:
- Wat is een goede school?
- Hoe kun je leerkrachten beoordelen
- Hoe kunnen leerkrachten van elkaar leren?
Macroniveau: niveau van de samenleving/maatschappij >
Vragen op dit niveau bv:
- Hoe monitort de overheid de onderwijskwaliteit
- Hoe moet het onderwijs leerlingen voorbereiden op de maatschappij
- Wat is de rol en invloed van de overheid
, Onderwijs op macroniveau:
Het niveau van de samenleving
Basis/voortgezet-onderwijs = funderend onderwijs
EQF-niveau: raamwerk om onderwijs in Europa met elkaar te vergelijken
Functies van het onderwijs (= wat het onderwijs per definitie doet, niet de doelen!):
- Kwalificatie > sluit aan/bereid voor op de arbeidsmarkt; aansluiting onderwijs en
arbeidsmarkt:
Zegt iets over relatie onderwijs – arbeidsmarkt
Arbeidsmarktontwikkelingen van groot belang voor inrichting en invulling onderwijs.
Trend: competenties en zelfregulerend vermogen (tegenwoordig andere vaardigheden meer
van belang, zoals samenwerking, probleemoplossend vermogen, etc.)
o Beroepsonderwijs: aan vele veranderingen onderhevig > decentralisatie en
autonomie van MBO’s (minder centraal bepaald wat MBO’s moeten aanbieden) >
grotere betrokkenheid bedrijfsleven (sociale partners) > beroepsprofielen;
beschreven competenties (aan moeten voldoen), set kwalificaties eindtermen (door
overheid)
- Socialisatie > leidt in in een cultuur; inleiding in cultuur > ‘Het inleiden in tradities, culturen
en praktijken + de algemeen aanvaarde waarden en normen
o Omgangsvormen (hoe ga je met elkaar om)
o Opvoedende taak
o Denominatie (bepaalde levensbeschouwelijke/geloofsovertuiging, bv. gereformeerde
school: leerlingen kennis hiervan laten nemen/ waarden en normen)
o Burgerschapsvorming (bv. leren over democratische waarden)
o Omgang met culturele diversiteit
- Persoonsvorming > individualisering van de leerling; ontwikkeling als persoon: ontwikkeling
van identiteit en uniciteit leerling.
- Differentiatie (hangt nauw samen met de kwalificatie functie > doordat er gekwalificeerd
wordt, worden er worden er ook verschillen gemaakt in leerlingen); omgaan met verschillen>