verschijningsvormen
Onderdelen van de definitie van terrorisme: ernstig geweld/schade
berokkenen/vrees aan jagen uit ideologische motieven + met als doel
maatschappelijke veranderingen te bewerkstelligen, de bevolking ernstig
vrees aan te jagen of politieke besluitvorming te beïnvloeden
Definitie van extremisme: uit ideologische motieven bereid zijn om niet-
gewelddadige en/of gewelddadige activiteiten te verrichten die de
democratische rechtsorde ondermijnen
- AIVD onderscheidt twee verschijningsvormen:
o Het hanteren van ondemocratische methodes die afbreuk
kunnen doen aan het functioneren van de democratische
rechtsorde
o Het actief nastreven en/of ondersteunen van een verandering
die op zichzelf een dreiging vormt voor de democratische
rechtsorde, eventueel met het hanteren van ondemocratische
methoden
- Extremisme kan in zijn uiterste tot terrorisme leiden bij terrorisme
is, in tegenstelling tot extremisme, altijd sprake van geweld
terroristische daden hebben een maatschappij-ontwrichtend effect
- Geen juridische definitie van extremisme. Gevolgen:
o Beperkt zicht op aard, omvang, schade
o Geen goede databases voor (wetenschappelijk) onderzoek
o Worsteling bij instanties: welke bevoegdheden, welke acties
etc.
Veel onderzoek naar terrorisme is ook door te praten met
gederadicaliseerde ex-leden bias (reflectief, zijn al gedeserteerd etc.),
maar wel goede inkijk
Er kan vaak geen direct verband met risicofactoren worden aangetoond,
het is heel veel terugkijkend onderzoek
Crime-terror nexus oorspronkelijk om convergentie tussen terroristische
groepen en georganiseerde misdaad groepen aan te duiden
- Narco terroristen
- Nieuwe nexus: deze twee groepen delen dezelfde poule
participanten: straatjongeren, laag opgeleid, veel gedoe in net
leven, voorafgaande kleine criminaliteit
- Verdachten van terrorisme in NL lijken meer op verdachten van
andere criminaliteit dan op de ‘gemiddelde populatie’
- Hypothetische verklaringen tussen link kleine criminaliteit en daarna
groter ideologisch geweld/terrorisme:
o Redemption: fouten die je in het verleden hebt gemaakt goed
willen zetten
o Al gewend aan het leven/geweld/expertise
o Spanning/kick (net als gewone criminaliteit)
o Belangrijk: periode in gevangenis kan bijdragen aan
radicalisering (ronselen in de gevangenis)
,Feddes et al. – Extremist Thinking and Doing
Systematische analyse van factoren die samenhangen met
radicalisering en deradicalisering; wanneer worden mensen vatbaar voor
extremisme? Wanneer gaat dit over in gedrag?
- Meeste studies zijn correlationeel weinig harde causaliteit
- Factoren werken anders per fase en per persoon
Radicalisering verloopt in drie fasen:
1. Sensitiviteitsfase openstaan voor extremistische ideeën
2. Groepsfase aansluiting bij een groep
3. Actiefase bereidheid tot geweld
- Mensen kunnen heen en weer bewegen tussen fasen (niet
lineair)
Belangrijkste factoren
- Individuele factoren (micro-niveau)
o Demografie
Jongeren (16-30)
Mannen
Lagere SES en opleiding relevant, maar inconsistent
o Persoonlijke waarden
Autoritarisme, superioriteitsdenken
Behoefte aan status (significance), identiteit,
rechtvaardigheid
o Mentale gezondheid soms verband met depressie, PTSD,
gedragsproblemen
Groepsfactoren (meso-niveau)
o Sociale netwerken (familie, vrienden, online)
o Groepsbinding en erkenning (“van zero naar hero”)
o Wij-zij denken en ervaren groepsdreiging
o Relatieve deprivatie (gevoel van achtergesteld zijn)
Groep speelt een centrale rol in de stap naar geweld
Structurele factoren (macro-niveau)
o Politieke instabiliteit, repressie
o Ongelijkheid en jeugdwerkloosheid
o Bestaand geweld in samenleving
Triggerfactoren (kantelpunten)
Concrete gebeurtenissen die radicalisering zowel versnellen als
afremmen (turning points)
o Discriminatie, sociale uitsluiting
o Verlies (baan, opleiding, relaties)
o Confrontaties met geweld of dood
o Contact met recruiters
Voor daadwerkelijke geweldpleging is nodig:
Vaardigheden (training, wapens, financiering)
Ideologie die geweld legitimeert
Gelegenheid (targets, zwakke beveiliging)
,Beschermende (resilience) factoren
Cognitief
o Kritisch denken
o Kennis van democratie
Emotioneel
o Emotieregulatie, empathie
o Gevoel van veiligheid en acceptatie
Sociaal/gedrag bredere sociale netwerken buiten extremistische
groepen
o Deze factoren verminderen vooral vatbaarheid, minder
duidelijk effect op het stoppen van geweld in latere fases
Simi et al. – Narratives of Childhood Adversity
Hoe niet-ideologische factoren (jeugdtrauma, probleemgedrag) kunnen
bijdragen aan het ontstaan van gewelddadig extremisme d.m.v. life-course
criminology benadering op white supremacists
Jeugdtrauma en risicofactoren spelen een grote rol
o Groot deel respondenten had ernstige jeugdproblemen: fysiek
geweld, seksueel misbruik, verwaarlozing, getuige van geweld,
gezinsproblemen
o Vaak meerdere risicofactoren tegelijk (cumulatief effect)
o Ervaringen leiden tot: woede, angst, depressie, gevoelens van
machteloosheid, verstoorde ontwikkeling
Probleemgedrag in adolescentie – vrijwel alle respondenten
vertoonden al vroeg delinquent gedrag: drugs-/alcoholgebruik,
spijbelen, schooluitval, geweld en criminaliteit
o Gedrag ontstond vaak als coping mechanisme voor trauma
Extremisme volgt vaak pas later (niet ideologie-gedreven)
o Ideologie is zelden de initiële trigger
o Mensen sluiten zich aan bij extremistische groepen vanwege:
Behoefte aan identiteit/status/erkenning
Sociale steun/”familie”
Bescherming of onderdak
Mogelijk om agressie te uiten
Ideologie wordt pas later aangeleerd binnen de
groep
- Overeenkomsten met gewone criminelen: levensloop lijkt sterk op
straatbendes en gewone geweldplegers. Extremisten zijn dus geen
volledig aparte categorie
- Model: jeugdtrauma/risicofactoren adolescent probleemgedrag
toetreding tot extremistische groep later internaliseren van
ideologie
Thijs et al. – Violent and Nonviolent Terrorist Suspects
Waarom sommige geradicaliseerde personen geweld gebruiken (VTS)
en anderen niet-gewelddadig blijven (maar wel misdaden plegen) (NVTS)
(dichotomie)
, Groot gat tussen radicale ideeën en gewelddadig handelen, slechts
kleine minderheid pleegt geweld attitude-behaviour gap
- Factoren die geweld waarschijnlijker maken:
o Persoonlijke crises (verlies, afwijking)
o Gevoel van persoonlijke verantwoordelijkheid voor handelen
o Emotionele triggers (woede, thrill-seeking)
o Toegang tot middelen en capaciteiten voor geweld
- Factoren die geweld remmen:
o Sterke familiebanden
o Morele grenzen
o Sociale controle
o Lidmaatschap van niet-gewelddadige groepen
- Meer overeenkomsten dan verschillen. VTS en NVTS lijken sterk op
elkaar:
o Vergelijkbare leeftijd
o Vaak lage SES
o Vaak criminele achtergrond
o Vaak wonend bij ouders of alleen
- Verschillen tussen VTS en NVTS
o VTS:
Vaker man
Vaker een (gewelddadig) strafblad
Iets vaker sociaaleconomisch kwetsbaar
o NVTS
Vaker beïnvloed door beschermende factoren, zoals
wonen bij ouders en werk
- Rol van sociale factoren:
o Werk – beschermt tegen (vooral niet-gewelddadige)
radicalisering
o Bij ouders wonen – beschermend effect
o Sociale uitkering – verhoogde kans op betrokkenheid, mogelijk
via gevoelens van uitsluiting
Niet alleen geld, maar vooral binding met samenleving
is cruciaal
- Criminele voorgeschiedenis VTS hebben vaker eerdere
criminaliteit/geweldsdelicten, maar geen sterk effect
- Conclusie: er is geen duidelijk profiel dat voorspelt wie gewelddadig
wordt. Verschillen zijn klein en complex
Doosje et al. – Terrorism, radicalization and de-radicalization
Radicalisering als proces, niet als eigenschap van gekke mensen.
Terroristen wijken psychologisch meestal niet af van normale mensen – het
gaat om stappen en invloeden, niet om persoonlijkheid
Radicalisering verloopt in drie fasen
- Sensitiviteitsfase
o Individu wordt gevoelig voor radicale ideeën
o Belangrijke factoren:
Gevoel van zinloosheid/gebrek aan betekenis