Geschiedenis samenvatting
Paragraaf 8.5: de sociale kwestie
Kenmerkend aspect: discussies over de sociale kwestie. De industrialisatie leidde tot het ontstaan van
de sociale kwestie: de slechte werk- en leefomstandigheden van de arbeiders. In het maatschappelijk
debat hierover kwamen verschillende opvattingen over oorzaken en mogelijke oplossingen naar
voren, variërend van niets doen tot ingrijpen door de overheid. Arbeiders richtten vakbonden op om
gezamenlijk met werkgevers te onderhandelen over arbeidsvoorwaarden.
De sociale kwestie was het probleem van de slechte leef- en werkomstandigheden van
fabrieksarbeiders. Onder deze slechte omstandigheden verstaan we dat: kinderen niet naar
school gingen, mensen leefden in slechte en onhygiënische omstandigheden, verspreidde er
ziektes, de slechte lucht van de fabrieken, de werkdagen van 14-16 uur per dag met een
slecht loon en een onveilig werkvloer met gevaarlijke en luidruchtige machines. Bezorgde
mensen uit de burgerij brachten de negatieve gevolgen onder de aandacht. Hierdoor
ontstond de sociale kwestie. Waarin de vragen: ‘Hoe moet er iets aan de armoede en slechte
omstandigheden gedaan worden?’ en ‘Hoe worden arbeiders geïntegreerd in de
maatschappij?’ worden gesteld.
Maar wat zijn de oorzaken van de sociale kwestie eigenlijk?
1- De eerste oorzaak is mechanisatie. Het productieproces werd door machines gedaan (dit
was weer een gevolg van de industriële revolutie). Dit zorgde ervoor dat handwerkers
hen baan kwijtraakte, de verhoudingen in inkomen en klassen werden groter en het
werken werd gevaarlijk en ongezond met te veel lawaai.
2- De tweede oorzaak was urbanisatie. De steden groeiden snel, dus moesten er huizen
gebouwd worden. Deze waren vaak te klein en de kwaliteit was erg slecht. De slechte
hygiëne in de wijken maakte het er niet beter op en zorgde voor gezondheidsproblemen.
Arbeiders kwamen in opstand en organiseerde zelf vakbonden (deze bonden kwamen op
voor de belangen van de arbeiders). Hierdoor werd de sociale kwestie neergelegd bij de
overheid en ontstond de discussie over sociale wetgevingen. Verschillende politieke partijen
hadden hier een mening over. Voorstanders van sociale wetgevingen waren:
- Links-liberalen (aan het eind van de 19 e eeuw gingen liberalen er anders over denken.
Rechts liberalen bleven wel bij hen standpunt> zie tegenstanders). Links-liberalen
vonden dat sociale misstanden bestrijdt moesten worden. Arbeiders hadden namelijk
geen kans zonder sociale wetgevingen tegenover hen werkgevers. Daarbij hadden ze
geen geld voor verzekeringen.
- Sociale confessionelen. Zij waren kritisch over kapitalisme. En vonden dat arbeiders
beschermd moesten worden tegen de hebzucht van de werkgevers.
- Sociaaldemocraten. Zij waren om dezelfde reden voor als de links-liberalen. Zij vonden
dat armoede een gevolg was van kapitalisme.
De tegenstanders van sociale wetgevingen waren:
- Conservatieve liberalen. Zij vonden dat sociale wetten ervoor zorgden dat mensen lui
werden en een gebrek aan zelfstandigheid kregen. Als de overheid de armen zou
steunen, dan werd nietsdoen beloond. Het liefst wilden zij een nachtwakersstaat waarin
de overheid voor orde en rust zorgde en zich niet bemoeide met de maatschappij.
- Conservatieve confessionelen. Zij vonden dat armoede door god gegeven is en arbeiders
hard moesten werken en onderdanig moesten zijn.
- Communisme. Wetgeving gaat niet ver genoeg. De arbeiders moeten door middel van
een revolutie de macht grijpen.
Rond 1900 kwamen de eerste sociale wetten door liberale kabinetten. Rond 1850 gingen de
lonen omhoog, werden werkdagen korter en werd huisvesting en voeding beter. In 1874
kwam het verbod op kinderarbeid, kinderen onder de 12 mochten niet werken. In 1901
, kwam de leerplicht en zo hoefden de kinderen ook niet meer te werken. Ook kwam er een
ongevallenwet.
Paragraaf 8.6: het modern imperialisme
Kenmerkend aspect: het modern imperialisme en de industrialisatie. Door de industriële revolutie
hadden de Europese landen grote behoefte aan grondstoffen en afzetmarkten en waren ze militair
superieur. In de 19e eeuw veroverden ze grote gebieden in Afrika en Azi ë̈ waar ze kolonies stichtten.
Ook het Chinese keizerrijk verloor een deel van zijn onafhankelijkheid aan koloniale mogendheden.
Imperium betekend een groot rijk. Imperialisme is het streven naar een groot rijk onder
leiding van een keizer of een vorst. Het modern imperialisme was van 1850-1920.
Kolonialisme was van 1500-1850. Dit was overzeese handel met kolonies aan de kust.
Wat is het verschil tussen het kolonialisme en het moderne imperialisme?
- Bij het modern imperialisme werden kolonies veroverd en kregen ze een intensiever
bestuur van buitenaf.
- Grondigere exploitatie van de kolonies tijdens het modern imperialisme.
- Het kolonialisme was in verschillende plekken. Tijdens het modern imperialisme was dit
alleen aan de gang in Azië en Afrika.
- Nieuwe landen gingen meedoen aan het veroveren van kolonies. Zoals de VS.
De oorzaken van het modern imperialisme en het willen hebben van een groot rijk zijn:
Op economisch gebied:
De grondstoffen die nodig waren vanuit de kolonies voor de groeiende industrie. En de
afzetmarkten van de kolonies voor de groeiende industrie.
Op politiek gebied:
Macht en aanzien. En nationalisme, een groot rijk zorgde voor internationaal, politiek en
militair aanzien.
Op cultureel gebied:
Verspreiding christendom.
Het sociaal darwinisme. Blanken mensen vonden dat zij op een goede manier
geëvolueerd waren en daarom ook superieur waren.
White man’s burden. Dit was de morele plicht die de blanken voelden om minder
ontwikkelde volken beschaving bij te brengen.
De industriële revolutie en de opening van het Suezkanaal in 1869 maakte het voor de
Europeanen makkelijker om de gebieden te veroveren en totaal te besturen.
In 1884 werden alle Europese mogendheden en de VS bij elkaar geroepen in Berlijn. Hier
werden spelregels gemaakt om de plekken in Afrika te verdelen. Dit werd de conferentie van
Berlijn genoemd en dit was om te voorkomen dat er oorlog zou komen. De verdeling was als
volgt:
- Groot-Brittannië had Brits-Indië hieronder viel o.a. India en Pakistan. Ook hadden de
Britten bijna het hele gebied tussen Kaapstad en Cairo. Ook hadden ze Birma en Maleisië.
- België kreeg heel Congo. Eigenlijk was dit niet van België, want de koning Leopold
maakte het zijn eigendom.
- De Nederlanders hadden tot 1870 Nederlands-Indië, maar ze hadden het nog niet
helemaal onderworpen. Vanaf 1870 onderwierp Nederland alle eilanden en werd het
totaal bestuurd door de Nederlanders. Het onderwerpen van de eilanden Samutra en
Atjeh ging wat moeilijker. Hier was namelijk vanaf 1873 een burgeroorlog tussen het
koloniale leger en islamitische strijders, dit werd de guerrillaoorlog genoemd en deze
duurde 30 jaar. Europese ondernemers kregen hierdoor alle ruimte op de eilanden en zo
ontstond bijvoorbeeld de grote multinational Shell.
- Frankrijk had Indochina en grote delen van Noord- en West-Afrika.
Paragraaf 8.5: de sociale kwestie
Kenmerkend aspect: discussies over de sociale kwestie. De industrialisatie leidde tot het ontstaan van
de sociale kwestie: de slechte werk- en leefomstandigheden van de arbeiders. In het maatschappelijk
debat hierover kwamen verschillende opvattingen over oorzaken en mogelijke oplossingen naar
voren, variërend van niets doen tot ingrijpen door de overheid. Arbeiders richtten vakbonden op om
gezamenlijk met werkgevers te onderhandelen over arbeidsvoorwaarden.
De sociale kwestie was het probleem van de slechte leef- en werkomstandigheden van
fabrieksarbeiders. Onder deze slechte omstandigheden verstaan we dat: kinderen niet naar
school gingen, mensen leefden in slechte en onhygiënische omstandigheden, verspreidde er
ziektes, de slechte lucht van de fabrieken, de werkdagen van 14-16 uur per dag met een
slecht loon en een onveilig werkvloer met gevaarlijke en luidruchtige machines. Bezorgde
mensen uit de burgerij brachten de negatieve gevolgen onder de aandacht. Hierdoor
ontstond de sociale kwestie. Waarin de vragen: ‘Hoe moet er iets aan de armoede en slechte
omstandigheden gedaan worden?’ en ‘Hoe worden arbeiders geïntegreerd in de
maatschappij?’ worden gesteld.
Maar wat zijn de oorzaken van de sociale kwestie eigenlijk?
1- De eerste oorzaak is mechanisatie. Het productieproces werd door machines gedaan (dit
was weer een gevolg van de industriële revolutie). Dit zorgde ervoor dat handwerkers
hen baan kwijtraakte, de verhoudingen in inkomen en klassen werden groter en het
werken werd gevaarlijk en ongezond met te veel lawaai.
2- De tweede oorzaak was urbanisatie. De steden groeiden snel, dus moesten er huizen
gebouwd worden. Deze waren vaak te klein en de kwaliteit was erg slecht. De slechte
hygiëne in de wijken maakte het er niet beter op en zorgde voor gezondheidsproblemen.
Arbeiders kwamen in opstand en organiseerde zelf vakbonden (deze bonden kwamen op
voor de belangen van de arbeiders). Hierdoor werd de sociale kwestie neergelegd bij de
overheid en ontstond de discussie over sociale wetgevingen. Verschillende politieke partijen
hadden hier een mening over. Voorstanders van sociale wetgevingen waren:
- Links-liberalen (aan het eind van de 19 e eeuw gingen liberalen er anders over denken.
Rechts liberalen bleven wel bij hen standpunt> zie tegenstanders). Links-liberalen
vonden dat sociale misstanden bestrijdt moesten worden. Arbeiders hadden namelijk
geen kans zonder sociale wetgevingen tegenover hen werkgevers. Daarbij hadden ze
geen geld voor verzekeringen.
- Sociale confessionelen. Zij waren kritisch over kapitalisme. En vonden dat arbeiders
beschermd moesten worden tegen de hebzucht van de werkgevers.
- Sociaaldemocraten. Zij waren om dezelfde reden voor als de links-liberalen. Zij vonden
dat armoede een gevolg was van kapitalisme.
De tegenstanders van sociale wetgevingen waren:
- Conservatieve liberalen. Zij vonden dat sociale wetten ervoor zorgden dat mensen lui
werden en een gebrek aan zelfstandigheid kregen. Als de overheid de armen zou
steunen, dan werd nietsdoen beloond. Het liefst wilden zij een nachtwakersstaat waarin
de overheid voor orde en rust zorgde en zich niet bemoeide met de maatschappij.
- Conservatieve confessionelen. Zij vonden dat armoede door god gegeven is en arbeiders
hard moesten werken en onderdanig moesten zijn.
- Communisme. Wetgeving gaat niet ver genoeg. De arbeiders moeten door middel van
een revolutie de macht grijpen.
Rond 1900 kwamen de eerste sociale wetten door liberale kabinetten. Rond 1850 gingen de
lonen omhoog, werden werkdagen korter en werd huisvesting en voeding beter. In 1874
kwam het verbod op kinderarbeid, kinderen onder de 12 mochten niet werken. In 1901
, kwam de leerplicht en zo hoefden de kinderen ook niet meer te werken. Ook kwam er een
ongevallenwet.
Paragraaf 8.6: het modern imperialisme
Kenmerkend aspect: het modern imperialisme en de industrialisatie. Door de industriële revolutie
hadden de Europese landen grote behoefte aan grondstoffen en afzetmarkten en waren ze militair
superieur. In de 19e eeuw veroverden ze grote gebieden in Afrika en Azi ë̈ waar ze kolonies stichtten.
Ook het Chinese keizerrijk verloor een deel van zijn onafhankelijkheid aan koloniale mogendheden.
Imperium betekend een groot rijk. Imperialisme is het streven naar een groot rijk onder
leiding van een keizer of een vorst. Het modern imperialisme was van 1850-1920.
Kolonialisme was van 1500-1850. Dit was overzeese handel met kolonies aan de kust.
Wat is het verschil tussen het kolonialisme en het moderne imperialisme?
- Bij het modern imperialisme werden kolonies veroverd en kregen ze een intensiever
bestuur van buitenaf.
- Grondigere exploitatie van de kolonies tijdens het modern imperialisme.
- Het kolonialisme was in verschillende plekken. Tijdens het modern imperialisme was dit
alleen aan de gang in Azië en Afrika.
- Nieuwe landen gingen meedoen aan het veroveren van kolonies. Zoals de VS.
De oorzaken van het modern imperialisme en het willen hebben van een groot rijk zijn:
Op economisch gebied:
De grondstoffen die nodig waren vanuit de kolonies voor de groeiende industrie. En de
afzetmarkten van de kolonies voor de groeiende industrie.
Op politiek gebied:
Macht en aanzien. En nationalisme, een groot rijk zorgde voor internationaal, politiek en
militair aanzien.
Op cultureel gebied:
Verspreiding christendom.
Het sociaal darwinisme. Blanken mensen vonden dat zij op een goede manier
geëvolueerd waren en daarom ook superieur waren.
White man’s burden. Dit was de morele plicht die de blanken voelden om minder
ontwikkelde volken beschaving bij te brengen.
De industriële revolutie en de opening van het Suezkanaal in 1869 maakte het voor de
Europeanen makkelijker om de gebieden te veroveren en totaal te besturen.
In 1884 werden alle Europese mogendheden en de VS bij elkaar geroepen in Berlijn. Hier
werden spelregels gemaakt om de plekken in Afrika te verdelen. Dit werd de conferentie van
Berlijn genoemd en dit was om te voorkomen dat er oorlog zou komen. De verdeling was als
volgt:
- Groot-Brittannië had Brits-Indië hieronder viel o.a. India en Pakistan. Ook hadden de
Britten bijna het hele gebied tussen Kaapstad en Cairo. Ook hadden ze Birma en Maleisië.
- België kreeg heel Congo. Eigenlijk was dit niet van België, want de koning Leopold
maakte het zijn eigendom.
- De Nederlanders hadden tot 1870 Nederlands-Indië, maar ze hadden het nog niet
helemaal onderworpen. Vanaf 1870 onderwierp Nederland alle eilanden en werd het
totaal bestuurd door de Nederlanders. Het onderwerpen van de eilanden Samutra en
Atjeh ging wat moeilijker. Hier was namelijk vanaf 1873 een burgeroorlog tussen het
koloniale leger en islamitische strijders, dit werd de guerrillaoorlog genoemd en deze
duurde 30 jaar. Europese ondernemers kregen hierdoor alle ruimte op de eilanden en zo
ontstond bijvoorbeeld de grote multinational Shell.
- Frankrijk had Indochina en grote delen van Noord- en West-Afrika.