IMMUNOPATHOLOGIE - PARTIM DE
MEESTER
INLEIDING
Wat betekent immuniteit? = status van bescherming.
Belangrijkste functies van het immuunsysteem?
• Lichaam beschermen tegen pathogenen (bacteriën, virussen, parasieten, schimmels)
=> belangrijkste functie immuunsysteem!
o weet: virussen zijn obligaat intracellulair, bacteriën niet per se -> verschillende
manier van afweer
• Bescherming tegen tumoren
• Onderscheid maken tussen lichaamseigen en lichaamsvreemd
o Auto-immuunziekte = overreactie van immuunsysteem, eigen immuunsysteem valt
lichaamscellen aan. Bv HIV -> onbehandeld krijgen ze tuberculose, maar ook
gevoeliger voor bepaalde tumoren.
o Verschil met allergie = overdreven reactie tegen lichaamsvreemde stoffen die
onschadelijk zijn. Een immuunreactie hiertegen is eigenlijk niet nodig.
Belangrijke cellen van het immuunsysteem?
Macrofagen, neutrofielen, basofielen, eosinofielen, lymfocyten (T-lymfocyten = T-cellen en B-
lymfocyten = B-cellen), mestcellen, dendrietische cellen, NK-cellen
Antilichamen zijn moleculen, geen cellen!
Belangrijke organen van het immuunsysteem?
Platen van Peyer, lymfeklieren, thymus, milt
Belangrijke moleculen van het immuunsysteem?
immunoglobulinen (=Igs =antilichamen (Al) =antistoffen), cytokinen
=> beiden zijn eiwitten
HOOFDSTUK 1 – INLEIDING TOT HET IMMUUNSYSTEEM
TERMINOLOGIE
Antigeen (Ag)
Een molecule die bindt aan een antilichaam of aan een T-celreceptor (TCR). De meeste TCRs binden
enkel peptiden gecomplexeerd met MHC. Zowel die peptiden als de eiwitten waarvan ze afkomstig
zijn worden T-cel antigenen genoemd.
-> TCR vinden we op de T-cel. Antilichamen worden geproduceerd door B-cellen.
,=> antigeen is dus een molecule dat herkend wordt door immuunsysteem: of door antilichamen of
door T-celreceptor
Antilichaam (Al)
Is een glycoproteïne, wordt ook immunoglobuline (Ig) of antistof genoemd. Het wordt geproduceerd
door B-cellen (!! geen enkele andere cel die antilichamen kunnen aanmaken !!) en het bindt
antigenen, vaak met hoge affiniteit en specificiteit.
Cytokinen
Eiwitten die erg belangrijk zijn in de communicatie tussen cellen van het immuunsysteem. Vele
verschillende cellen kunnen cytokinen aanmaken (itt antilichaam!). Cytokinen kunnen op
verschillende manieren worden ingedeeld.
B-cel
Herkennen antigeen door binding op antilichaam -> antigeen bindt rechtstreeks op antilichaam ->
activatie B-cel
T-cel
Herkennen antigeen via T-celreceptoren (TCR). Antigeen moet hiervoor eerst aan T-cel
gepresenteerd worden -> gebeurt door antigeen presenterende cellen (bv dendritische cel). Antigeen
presenterende cel heeft molecule (eiwit) op membraan = MHC-molecule (=major histocompatibility
complex). MHC-molecule gaat peptidefragment van antigeen binden. MHC-molecule met
peptidefragment wordt herkend door T-cel, door TCR.
BELANG VAN HET IMMUUNSYSTEEM
verdediging tegen infecties: Invasie, vermenigvuldiging en verspreiding van het micro-organisme
(MO) in het lichaam, alsook ziekteverwekking zal door immuunsysteem worden tegengegaan.
MO waardoor we geïnfecteerd worden: virussen, bacteriën, fungi (gisten en schimmels), protozoaire
parasieten, multicellulaire parasieten (bv helminthen)
Pathogeen = micro-organisme dat ziekte veroorzaakt
-> pathogenen zijn sterk verschillend in grootte en levenswijze -> virus is het allerkleinste pathogeen
Manieren waarop pathogenen binnendringen:
• Respiratoire mucosa: bv influenza
• GI (gastro-intestinale) mucosa: bv salmonella
• Wonde: bv clostridium tetani (veroorzaakt tetanus)
• Insectenbeet: bv plasmodium
• Intacte huid: bv hoekworm
• Intraveneus (IV) druggebruik: bv HepB, HIV
• Sexueel contact: bv HepB, HIV
Het aantal MO op of in een individu zou ongeveer gelijk zijn aan het aantal lichaamscellen -> 1:1
verhouding
Er gebeurt nog veel onderzoek naar MO: nog vele vragen over hun rol in ziekte en gezondheid.
,Darmen bevatten zeer veel MO: vormen het microbioom van de darm (vroeger flora genoemd).
Immuunsysteem kent intestinale microbiotica en zal hier dus niet op reageren. Het is nog onbekend
waarom bepaalde MO bestreden worden en andere nodig zijn voor het microbioom van ons lichaam.
Microbiooom wordt verstoord door antibioticagebruik.
Betekenis figuur: hoe dichter stuk weefsel
zich bevindt bij de buitenwereld, hoe meer
MO geassocieerd zijn met dit weefsel. Dicht
bij anus en mond het meeste MO.
Infectieziekten moeten gezien worden als one-health principe: dier/mens/omgeving is 1 systeem, je
kan niets los zien van elkaar -> bv infecties van dieren niet los gezien worden van infecties van
mensen.
Soorten infecties:
• Klinische infectie: infectie door MO waarbij gastheer ziek wordt en symptomen vertoont.
• Subklinische infectie: infectie door MO -> opwekking immuunrespons -> infectie geklaard ->
geen symptomen.
• Opportunistische klinische infectie: infectie door MO bij een gastheer met een defect of
onderdrukt immuunsysteem -> ineffectieve klaring infectie -> gastheer wordt ziek en heeft
symptomen.
DUS
-infectie van een niet-pathogeen micro-organisme bij een persoon met een normaal immuunsysteem
=> subklinische infectie
-infectie van een niet-pathogeen micro-organisme bij een persoon met een verzwakt
immuunsysteem => opportunistische klinische infectie
-er zijn ook pathogene micro-organismen die bijna altijd symptomen veroorzaken => klinische
infectie
,Fysiologisch belang van het immuunsysteem:
• Verdediging tegen infecties
• Verdediging tegen tumoren
• Weefselregeneratie en littekenvorming
• Immuunpathologie: we spreken van immuunpathologie bij het falen van het immuunsysteem
bv door een auto-immuunaandoening, een allergie, een immunodeficiëntie
• Soms vormt het normale immuun-antwoord een probleem, bv bij transplantatie en gen
therapie
o transplantatie: immunosuppressiva geven om te voorkomen dat immuunsysteem
reageert op vreemd orgaan, men wil normaal immuunantwoord onderdrukken
o gen therapie: bij genetisch defect, gen wordt toegediend -> gen is vreemd molecule
voor lichaam
• Immuunsysteem staat in voor aanmaak antilichamen
-> antilichamen gebruikt voor in vitro als reagens in onderzoek, en in vivo als geneesmiddelen
ontstaan vaccinatie: er werden koepokken aan een kind gegeven waarop het kind een reactie
vertoonde. Na een paar weken werden opnieuw koepokken toegediend en was er geen reactie. Een
vaccinatie beschermt tegen later terugkerend contact. Bij het vaccineren vandaag wordt er een
antigeen toegediend waarop het immuunsysteem reageert en achteraf voor een bescherming zorgt
door oa de aanmaak van antilichamen.
AANGEBOREN EN ADAPTIEVE IMMUNITEIT
Aangeboren immuniteit
= verdedigingsmechanismen die altijd aanwezig zijn, bestaat uit elementen die altijd klaar zitten. Is
aanwezig vanaf de geboorte. hiertoe behoren:
• Intacte, epitheliale barrières: bv intacte huid, respiratoire en gastro-intestinale epithelen
=> barrières zijn passief maar ook actief! gaan bepaalde moleculen secreteren die ons ook
beschermen
• Mestcellen in de weefsels
• Fagocyten: alle cellen die MO kunnen opnemen en vernietigen (=fagocyteren)
-> bv macrofaag (mononucleair), neutrofielen (polymorfonucleairen), monocyt (voorlopercel
macrofaag en dendrietische cel)
• dendrietische cellen: nemen MO op maar kunnen ze niet goed vernietigen, zijn dus geen
echte fagocyten, gaan deeltjes van MO presenteren aan lymfocyten.
• NK cellen (=natural killer cellen): doden geïnfecteerde cellen. Ze behoren tot een grote groep
van cellen die erg lijken op klassieke lymfocyten = innate lymphoid cellen (ILC). ILC hebben
geen T-celreceptor -> kunnen geen klassiek immuunantwoord genereren. Moeten op andere
manier geactiveerd worden.
• complement systeem: systeem van eiwitten waarvan meeste eiwitten circuleren in het bloed
Aangeboren immuunsysteem => 1e lijnsverdediging, al deze cellen van dit immuunsysteem gaan hun
functie uitoefenen tijdens eerste 12 uur na infectie.
, Adaptieve immuniteit
Aangeboren immuniteit niet voldoende om volledige klaring van infectie te realiseren, bovenstaand
vernoemde cellen dus niet voldoende -> nood aan adaptieve immuniteit. Adaptieve immuniteit komt
vanaf 12 uur na infectie op gang. Hiertoe behoren:
• B-lymfocyten of B-cellen: hebben specifieke antilichamen op hun membraan (antilichaam op
B-cel = B-celreceptor). wanneer microbe (eigenlijk antigeen, op oppervlak microbe bevinden
zich antigenen) bindt aan B-celreceptor, dan wordt B-cel actief en zal het gaan prolifereren ->
ontstaan allerlei B-cellen met dezelfde specificiteit/bindingseigenschappen -> alle B-cellen
kunnen zelfde antigeen herkennen. In een verder stadium wordt de B-cel een plasmacel
dewelke antilichamen zal secreteren (uitscheiden) = gesecreteerde antilichamen die
circuleren in bloed en dus niet op membraan tot expressie worden gebracht, plasmacellen
zijn dus ver gedifferentieerde B-cellen die hun antilichamen secreteren.
-> weet: B-cel kan antigeen herkennen zonder antigeen presenterende cel
• T-lymfocyten of T-cellen: kunnen niet rechtstreeks antigeen herkennen, moeten antigenen
gepresenteerd krijgen -> dit doen de MHC-moleculen van een antigeen presenterende cel:
binden peptidefragment van antigeen -> T-cel herkent dan via T-celreceptor MHC-molecule
met peptidefragment
-> antigeen-presenterende cel (bv dendrietische cel) gaat microbe opnemen en antigeen
(wat een eiwit is) in stukjes knippen en 1 of een aantal fragmenten hiervan presenteren via
het MHC-molecule.
-> gelijkenis met B-cel: T-cel gaat ook prolifereren wanneer het stukje antigeen herkent =>
ontstaan van effector T-cellen = T-cellen die geactiveerd zijn geweest, zijn nu in staat allerlei
functies uit te oefenen (bv macrofaag helpen microbe beter te vernietigen).
T- en B-lymfocyten zijn de belangrijkste celtypen van het adaptieve systeem maar worden geholpen
door andere celtypes zoals bv de dendrietische cellen -> 'grens' tussen aangeboren en adaptieve
immuniteit is niet helder. Aangeboren immuniteit blijft dus een rol spelen, ook na 12 uur na infectie.